De historische roman: een actueel genre
De 25ste conferentie van het schoolvak Nederlands bood een veelzijdig programma en er was veel aandacht voor de Nederlandstalige literatuur en het literatuuronderwijs. Vaak gaat het bij studiedagen om de didactiek, maar hier hield Erica van Boven een literatuurinhoudelijke lezing waar je als docent zelf weer eens "verfrissend" werd bijgeschoold.
Ze ging in op de vraag hoe de historische romans van deze tijd omgaan met de mogelijkheden van het genre. Het genre is populair, De Nederlandse maagd van Marente de Moor is net bekroond met de AKO Literatuurprijs en het nieuwe boek van Stefan Brijs, Post voor mevrouw Bromley, loopt goed. Maar Van Boven noemde het genre ook omstreden omdat het een combinatie is van historische feiten en fictie.
De historische roman is twee eeuwen oud, ontstaan in de tijd van de romantiek en volgens Van Boven is het genre elastisch: het past zich aan aan de stromingen van de tijd en aan de geschiedenis en literaire opvattingen. Er verschijnen veel historische boeken, familieverhalen en persoonlijke geschiedenissen, waarin literaire technieken worden gebruikt ('historische literaire non-fictie'). De boeken van Geert Mak, De Graanrepubliek van Frank Westerman, Sonny Boy van Annejet van der Zijl en Het pauperparadijs van Suzanne Jansen zijn welbekend.
Erica van Boven vroeg zich af wat de positie is van de historische roman tegenover die andere mengvormen van literatuur en geschiedschrijving. Ze ging in op een aantal schrijvers van historische romans, zoals P.F. Thomése en Thomas Rosenboom, schrijvers die niet in de eerste plaats de bedoeling hebben het verleden te laten herleven, zoals Haasse, Japin of Noordervliet. Ze spelen een spel met de bestaande beelden van het verleden, met de verhouding tussen historische feiten en fictie en met de conventies van de historische roman zelf.
Intertekstualiteit is een van de opvallendste kunstgrepen die deze auteurs toepassen. Het meest extreme voorbeeld is De avonturen van Henry II Fix van Atte Jongstra. Ook bij De schilder en het meisje van Margriet de Moor is er sprake van intertekstualiteit. Het gaat hier niet om literaire verwijzingen maar om verwijzingen naar de schilderkunst, die aangeven dat de roman gelezen moet worden als een roman over kunst, over verbeelding. Voor deze historische romanschrijvers is het historische element ondergeschikt aan het literaire spel en de literaire doelstellingen. De romans die je kunt scharen onder de historische literaire non-fictie doen het omgekeerde: ze gebruiken literaire middelen om de geschiedenis aantrekkelijker te presenteren. Het betekent dat er dus weer een nieuw type historische roman is en dat het genre zich blijft ontwikkelen.
Erica van Boven is universitair hoofddocent Moderne Nederlandse letterkunde bij de Rijksuniversiteit Groningen.
29.11.2011
Marja Käss, portaalmanager Literatuuronderwijs.org
Geen reacties
Reageer:
N.B. Uw reactie kan niet langer zijn dan 2000 tekens.

