Vader Rijncollege, Utrecht - De klok een stukje teruggedraaid
Interview met Lennert Janssen, docent Nederlands
Door: Jan T'Sas
Januari 2010
Elke dag openen we door iets te doen rond taal, bijvoorbeeld de leerlingen gaan stillezen; ze lezen de krant, kiezen een artikel en geven een presentatie van wat ze gelezen hebben. Of ze bekijken een Nederlandstalige film, of het journaal op televisie, met gelijkaardige opdrachten. Deze dagopener zullen we allicht nog uitbreiden.
Taal is nog altijd 'hot' in onze school, maar vergeleken met drie jaar geleden pakken we het nu wel een beetje anders aan.
Jaarlijks toetsen we de woordenschat van de leerlingen om te zien of ze via onze aanpak vooruitgang boeken. Die vooruitgang is er, volgens een voorlopig onderzoekje bedraagt ze ongeveer 17 procent.
Centraal staan nog altijd de 'prestaties'. Dat zijn dus levensechte opdrachten. We hebben daar nu wel specifieke standaardtaalopdrachten aan toegevoegd. Prestaties hebben namelijk een incidenteel karakter, waardoor het moeilijk is het werk gedegen te omschrijven. Daarom geven we dus opdrachten, waarbij we aan de leerling melden wat er op het gebied van verschillende vakken zoals Nederlands van hem/haar wordt verwacht. Een voorbeeld: de leerlingen werken een periode lang (ongeveer 7 weken) in een leerbedrijf op school (we hebben er een twintigtal, de leerlingen kiezen daaruit). Voor verschillende vakken moeten ze daarvoor werk verrichten. Een van die ondernemingen omvat het runnen van de kopieerservice. Dat betekent dat een leerling klanten moet helpen, een oefening voor zakelijke communicatie. Hij moet ook een verslag schrijven. Voor wiskunde moet de leerling bijvoorbeeld de dagomzet kunnen weergeven in staafdiagrammen.
Een ander voorbeeld is een bouw- en timmerbedrijf: de leerlingen maken opvouwbare openhaarden voor de basisschool of een maquette van hun favoriete voetbalstadion of, afhankelijk van de vraag, konijnenhokken. Een bedrijfsleider (docent) neemt de bestellingen op en overlegt met de leerlingen om te kijken wat er eerst dient te gebeuren. Een andere leerling moet hiervan notulen nemen. Dat zijn dus spreek- en schrijfopdrachten. Om die tot een goed einde te brengen, volgen de leerlingen workshops.
Vergeleken met drie jaar geleden organiseren we de workshops Nederlands beter. Vroeger kon het gebeuren dat zo'n workshop drie leerlingen telde, terwijl er vijfendertig in het atelier aan de slag waren. Nu zorgen we ervoor dat de groepen evenwichtiger zijn. De leerlingen hebben daardoor iets minder vrije keuze, maar het werkt voor de docenten wel beter.
Drie jaar geleden gaven we de indruk dat het vak Nederlands an sich was afgeschaft, en dat we met prestaties zijn gaan werken om het taalniveau van de leerlingen op te trekken. Dat klopt niet helemaal: het taalniveau opkrikken via prestaties was een bijkomend voordeel, maar we wilden er vooral realistisch een feedbackgericht onderwijs mee geven. Dan kun je natuurlijk het vak Nederlands niet geven op een traditionele manier.
Toch hebben we de klok een stukje teruggedraaid: we geven nu aan alle leerlingen een uur Nederlands per week. Dat gebeurt niet zo functioneel als we willen, daarom overwegen we nu de lessen Nederlands aan te bieden per leerbedrijf. Dat willen we ook doen voor wiskunde. Op die manier wordt het vakonderwijs weer iets functioneler, het sluit dan meer aan bij wat de leerlingen in het leerbedrijf moeten doen en kunnen. Noem het aanvullend in plaats van algemeen vormend onderwijs. Je kunt ook spreken van competentiegericht onderwijs, dat bestaat bij ons al vijf à zes jaar. Wat we nu doen, sluit ook meer aan bij het examen.
Alle leraren zijn nog meer dan vroeger taalleraren. Dat is overigens versterkt door een richtlijn voor alle Utrechtse scholen. Die bepaalt dat elke vmbo-leraar op een bepaald basisniveau moet functioneren qua taal, rekenen en burgerschap. Hij/Zij krijgt drie jaar om zich hiervoor na te scholen. Idem voor de lerarenopleiding. Kortom, elke leraar moet leerlingen met een taalproblematiek eerstelijnszorg kunnen geven. Dit houdt in dat er ook een tweedelijnszorg is, en daarvoor hebben we de leraar Nederlands nodig. Bovendien is hij nodig voor specifieke moedertaaldidactiek en om de collega's te ondersteunen en te coachen.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties