taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » onderwijsprijs »

Spelen-d-leren-spelen

Taalunie Onderwijsprijs 2004

Get the Flash Player to see this player.

In het project Spelen-d-leren-spelen kunnen de kinderen van de Nederlandstalige Sint-Paulusschool in Ukkel (Brussel) het hele schooljaar lang tijdens de middagpauze kiezen uit motiverende workshops en spelvormen. Hierdoor krijgt hun 'spontane' en natuurlijke taalgebruik Nederlands extra kansen en verbetert het algemeen schoolklimaat. Spelen-d-leren-spelen verrijkt de vrije tijd van de kinderen op een structurele manier. De talige interactie tussen de kinderen en de leerkrachten vormt een belangrijke aanvulling op het leren in de klas. Resultaat: zowel binnen als buiten de klas(m)uren maken de kinderen meer en adequater gebruik van het Nederlands.

School en omgeving
Aanleiding voor het project
Doelstellingen
Doelgroep
Opzet
Uitvoering
Middelen
Planning
Resultaten
Contactpersoon


School en omgeving

Basisschool Sint-Paulus is een school voor Nederlandstalig onderwijs in Ukkel aan de zuidelijke rand van Brussel. Ongeveer 32 procent van de leerlingen behoort tot de doelgroepleerlingen van het Gelijke Onderwijs Kansenbeleid (GOK). De school ontvangt voor deze leerlingen extra subsidies, lees: lesuren. Deze uren worden ingevuld door de GOK-leerkracht. Het percentage anderstalige kinderen (met een andere moedertaal dan het Nederlands) is ongeveer 80 procent. Het percentage allochtone leerlingen ligt hoger in de kleuterklassen, maar kan gemiddeld worden geschat op 25 à 30 procent. De school telt 165 leerlingen, waarvan 72 kleuters.

De school bevindt zich in een overwegend Franstalige omgeving. De meeste ouders zijn zelf Franstalig of anderstalig en een kleine minderheid van de ouders is Nederlandstalig. De meeste ouders kiezen vooral voor de Sint-Paulusschool, omdat ze willen dat hun kinderen tweetalig worden opgevoed. Soms is ook de nabijheid van de school een argument om voor de Sint-Paulusschool te kiezen. De Franstalige en anderstalige ouders spreken thuis zelf geen Nederlands. De school is dan ook voor de meeste kinderen de enige plek waar de kinderen Nederlands (kunnen) spreken.

De Sint-Paulusschool is overtuigd en strikt Nederlandstalig en voert daarrond een duidelijk taalbeleid: zowel tijdens de lessen als op het schoolplein mogen de kinderen mogen alleen Nederlands spreken. Ook de communicatie met de ouders verloopt in principe in het Nederlands. In individuele contacten met de ouders, en alleen in die gevallen waar de kinderen er niet bij zijn, kan hiervan afgeweken worden. De school probeert ouders te stimuleren om (prenten)boeken te kopen en deze thuis voor te lezen. Veel ouders volgen zelf ook Nederlandse lessen.

De Sint-Paulusschool is sinds het schooljaar 2000-2001 toegetreden tot het Voorrangsbeleid Brussel (VBB). Deze extra ondersteuningsstructuur voor het Brussels Nederlandstalig basisonderwijs biedt intensieve begeleiding en ondersteuning op maat van de school, met als doel de kwaliteit van dit onderwijs te optimaliseren via professionalisering van het schoolteam.



Aanleiding

De huidige directeur van de Sint-Paulusschool begon in 2001 met een bescheiden versie van het project toen hij nog leerkracht was. Hij merkte dat de kinderen op school in de pauze op de speelplaats vooral Frans en andere talen spraken, terwijl ze ook dan Nederlands behoorden te spreken. Om de kinderen buiten de lessen een stimulerende en natuurlijke context aan te bieden om Nederlands in te spreken, startte hij schaaklessen en een schaaktoernooi. Daarmee gaf hij het natuurlijk gebruik van het Nederlands een extra impuls. Na dit experiment werd het project uitgebreid.


Doelstellingen

Het project wil de schoolprestaties van de leerlingen bevorderen door: Nevendoelstellingen zijn:

Doelgroep

Alle kinderen van de basisschool (2,5-12 j.) nemen vrijwillig deel aan het project. Van de 157 leerlingen doet 80 à 90 procent van de kinderen daadwerkelijk mee aan de workshops.


Opzet

Het hele schoolteam engageert zich om gedurende het hele schooljaar, elke middagpauze, activiteiten te organiseren voor alle kinderen van de school. De activiteiten moeten jongens en meisjes, kansarmen en anderstaligen stimuleren om makkelijker Nederlands met elkaar te spreken. Alle kinderen kunnen vrijwel elke dag van het schooljaar tijdens de middagpauze (circa 45 minuten) kiezen uit een aantal workshops en spelvormen. Een overzicht van alle workshops wordt wekelijks bekend gemaakt op een centrale plaats in de school. De projectactiviteiten zijn van die aard dat ze de leerlingen kansen bieden om natuurlijk en functioneel gebruik te maken van de Nederlandse taal. De mate waarin dat gebeurt, verschilt per activiteit. Er is geen sprake van een expliciete of bepaalde didactische aanpak. Tijdens de spel- en doemomenten blijft elke expliciete vingerwijzing naar het Nederlands achterwege. Al spelend ervaren de kinderen dat samen actief bezig zijn in het Nederlands leuk en nuttig kan zijn.

De projectactiviteiten maken niet expliciet deel uit van het leerproces in de klas, maar ondersteunen dit wel. Er is een gunstige wisselwerking tussen de middagactiviteiten en de activiteiten in de klas. Zo komen sommige activiteiten zowel voor als workshopactiviteit als binnen het contractwerk in de klas (contractwerk is een vorm van zelfstandig werken met 'magtaken' en 'moettaken').


Uitvoering

Meestal is er één workshop per dag van ongeveer 45 minuten. Het schoolteam probeert workshops aan te bieden die leuk en aantrekkelijk zijn voor kinderen. Als een workshop te weinig deelnemers trekt, wordt hij geschrapt.

Deelname aan de workshops is vrijwillig en gratis. Aan de meeste workshops kunnen alle kinderen meedoen. Wel worden ze opgesplitst in leeftijdsgroepen. Voordat de leerlingen kunnen intekenen op de workshops krijgen ze daarover uitleg in de klas. In de gang hangt een bord met daarop de workshops die in die week worden aangeboden.

De workshops worden uitgevoerd en begeleid door de leerkrachten van de school. Alle leerkrachten doen mee aan het project. Ook de GOK (Gelijke Onderwijs Kansen)-leerkracht wordt erbij betrokken. De directeur heeft de organisatie in handen. Hij probeert alle workshops zelf te bezoeken en zijn bevindingen met de leerkrachten te bespreken.

Het project Spelen-d-leren-spelen loopt nu voor het derde jaar. Per schooljaar wordt een programma opgesteld. De activiteiten worden besproken tijdens de teamvergaderingen en zonodig bijgesteld. Aan het einde van het schooljaar volgt een evaluatie van de workshops. Dan wordt ook het aanbod voor het volgende jaar vastgesteld. Bij de evaluatie zijn het enthousiasme en de belangstelling voor de workshops belangrijke criteria. Workshops waarvoor weinig kinderen kiezen, worden zoveel mogelijk vervangen door andere activiteiten.

Projectactiviteiten tijdens het schooljaar 2003-2004:

  1. Speelkoffers (alle kinderen):
    De speelkoffers zijn gevuld met speelgoed, dat de kinderen op de speelplaats kunnen gebruiken. Voor elke leeftijdscategorie is er een speelkoffer. De leerkracht leidt de verdeling van de activiteiten in goede banen. De speelkoffers worden zodanig verdeeld dat elk kind er minstens één keer per week gebruik van kan maken.

  2. Leespromotie (alle kinderen):
    De bedoeling van de activiteit is de kinderen plezier te laten beleven aan het (voor)lezen en beluisteren van verhaaltjes. De kinderen worden ingedeeld in verschillende leeftijdsgroepen: kleuters, leerlingen graad 1, leerlingen graad 2. Hierdoor ontstaan kleinere, beperkt heterogene groepen:
    • kleuters: de leerkracht vertelt een verhaal aan de hand van een prentenboek;
    • eerste graad: de leerkracht vertelt korte, leuke verhaaltjes;
    • tweede graad: de leerkracht leest korte speur- of griezelverhalen voor;
    • (voor)leesanimatie (per leeftijdsgroep): leuke ervaringen opdoen met boeken.
  3. Schaken (leerjaar 3 tot en met 6):
    Halverwege het schooljaar wordt een schaaktoernooi georganiseerd. Vóór de workshop krijgen de kinderen in de klas drie tot vier schaaklessen. In het derde leerjaar wordt eerst de film 'Lang leve de koningin' vertoond. Deze film moet de kinderen warm maken voor het schaken.

  4. Voetbal (leerjaar 1 tot en met 6):
    Deze activiteit vindt plaats op de speelplaats. Er is een toernooi voor de kinderen uit het eerste en tweede leerjaar ('minitoernooi')  en een toernooi voor de kinderen uit het derde tot en met het zesde leerjaar  ('maxitoernooi'). De winnaars van het maxitoernooi nemen het op tegen een voetbalploeg van de leerkrachten. Naast een 'gewone' wisselbeker wordt ook een beker voor fair play uitgereikt.

  5. Zang (alle kinderen):
    De kinderen leren een aantal liedjes, die ze tijdens de kerstmarkt zingen.

  6. Netbal (leerjaar 1 tot en met 6):
    Deze activiteit vindt plaats in de gymnastiekzaal.

  7. Speurneuzen (leerjaar 5 en 6):
    Hierbij zijn er verschillende activiteiten. Eén van de activiteiten is luisteren naar een verhaal van Agatha Christie op cassette. De kinderen lossen in tweetallen een moord op.
    Een nieuwe activiteit is luisteren en kijken naar een interactieve dvd waarbij de kinderen een raadsel moeten oplossen. De kinderen moeten hierbij bepaalde keuzes maken. Daarna gaat de film verder. Als de kinderen verkeerde keuzes maken, loopt het spoor dood. Om de juiste beslissingen te nemen moeten ze de boeken van Marc De Bel lezen of iets opzoeken op de website van deze auteur.

  8. Casino (alle kinderen):
    Kinderen die zich ingeschreven hebben voor de workshop casino krijgen een toegangskaart waarvan de kleur varieert per leeftijdsgroep. Tijdens de workshop mogen de kinderen kiezen uit gezelschapsspelletjes, zoals ganzenbord, stratego en monopolie. Voor elke leeftijdscategorie zijn er spelletjes. De leerkracht heeft een begeleidende rol en helpt de kinderen waar nodig. Voorop in deze workshop staat samen spelen, leren omgaan met winnen en verliezen en vooral plezier beleven aan samen spelletjes doen.

  9. Dansen (alle kinderen):
    Twee keer per jaar worden er danslessen gegeven.

  10. Knutselen alle kinderen):
    De kinderen knutselen voorwerpen, die ze tijdens de kerstmarkt verkopen.


Middelen

Materiaal
Voor elke workshop afzonderlijk maken de leerkrachten materiaal, zoals leesfiches, toernooischema's, casinotickets, demofiches technologie, speurkaarten enz.

Tijd
Meestal is er één workshop per dag van ongeveer 45 minuten.

Menskracht
Elke leerkracht is verantwoordelijk voor een bepaalde workshop op bepaalde data, die vooraf worden vastgelegd.

Alle leerkrachten van de school leveren hun bijdrage aan dit project. De directeur coördineert het geheel. Dit betekent dat er regelmatig overleg en samenwerking plaats vindt om het project levendig te houden. Het schoolteam ziet haar opdracht ruimer dan wat zich binnen de klas(m)uren voltrekt en heeft de activiteiten structureel ingebed in de schoolorganisatie.

Financiën
School en leerkrachten investeren in dit project niet zozeer geld, maar wel tijd en energie.


Planning

Alle workshops zijn opgenomen in een projectplanning voor het hele schooljaar.


Resultaten

- Beter school- en talig klimaat:
Het project 'Spelen-d-leren-spelen' heeft een positief effect op het algemeen schoolklimaat, maar ook op het talig klimaat en het taalbeleid in de school. De leerkrachten hebben het gevoel dat de kinderen zich gemakkelijker kunnen uitdrukken in het Nederlands. Het team ervaart het project als een structurele verrijking van de vrijetijdsbesteding van de leerlingen, waarbij ze de talige interactie tussen de kinderen als een belangrijke aanvulling zien op het leren in de klas.
- Meer en adequaat gebruik van het Nederlands, ook buiten de klas(m)uren:
Leerkrachten en kinderen worden in een ongedwongen sfeer genoodzaakt om het Nederlands te gebruiken door samen te spelen, te experimenteren, te werken met boeken, te schrijven enz. Al spelend ervaren de kinderen dat samen actief bezig zijn in de Nederlandse taal leuk en nuttig kan zijn. Dit blijkt in de lessen en taalvaardigheidstesten zoals KOBI-TV (tweede kleuterklas).
- Stimulans voor didactische vernieuwing van het taalvaardigheidsonderwijs:
De succeservaringen van het project stimuleren de didactische vernieuwing binnen het taalvaardigheidsonderwijs op de school. De positieve impact op het dagelijks denken van de leerkrachten is relatief groot, omdat het project als een rode draad door het schooljaar loopt. Leerkrachten gaan 'experimenteren' met bepaalde werkwijzen uit de workshops. De ervaring die ze daarmee opdoen, werkt door op de manier waarop zij lesgeven. Onder invloed van de workshops wordt nu minder frontaal, klassikaal lesgegeven. De leerkrachten ervaren hoe belangrijk het is dat kinderen aan motiverende taken kunnen werken en zoeken zinvolle activiteiten voor hen.
- Meer leesplezier:
Tijdens de workshop (voor)leesanimatie doen de kinderen prettige ervaringen op. De kinderen lezen meer en met meer plezier en lenen nu bijvoorbeeld een boek in de bibliotheek.
- Betere sociale vaardigheden:
De kinderen moeten tijdens de verschillende workshops samenwerken en samen spelen. Ze leren omgaan met hun gevoelens bij winst en verlies en worden mondiger en assertiever. Bovendien is er meer contact tussen kinderen uit verschillende leeftijdsgroepen
- Een positiever schoolklimaat:
Doordat er minder kinderen op de speelplaats zijn, is er meerbewegingsruimte. Dit uit zich in minder pestgedrag en vechtpartijen. Er ontstaat een betere band en relatie tussen kinderen onderling maar ook tussen leerkracht/directie en de kinderen.
- Meer betrokkenheid van de ouders:
Sinds de invoering van het project komen meer ouders naar de ouderavonden.

Contactpersonen

Gregory Dewit, directeur Sint-Paulusschool
Tel. 0032 233 233 30
sintpaulusschool@pi.be

Marleen Lombaert, onderwijsbegeleider VBB (Voorrangsbeleid Brussel)
Tel. 0032 2 553 93 62
vbb@ond.vlaanderen.be


Woordverklaring

Een verklarende woordenlijst van Nederlandse en Vlaamse onderwijs termen vind je op http://taalunieversum.org/onderwijs/termen


Tekst: Maria van der Aalsvoort
Eindredactie: Jan T'Sas
© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties