Het Schoolvak Nederlands Onderzocht

6. Taalbeschouwing en argumentatie


Bladeren: « vorige pagina | volgende pagina » | Inhoudsopgave

6.7 Nabeschouwing (1969-1997)

Taalbeschouwing

Het onderzoek naar doelstellingen op het gebied van taalbeschouwing bestaat uit pogingen tot het inventariseren van wenselijk geachte doelstellingen, en uit peilingen van behoeften van oud-leerlingen, docenten en burgers om zicht te krijgen op het belang dat zij toekennen aan taalbeschouwing voor schoolse en naschoolse taalsituaties. Het blijkt dat eind jaren zeventig traditioneel grammatica-onderwijs door de respondenten een onbelangrijk doelstellingengebied gevonden werd, en "moderne" taalbeschouwing slechts matig belangrijk. Tegelijkertijd vonden leerkrachten zelf traditionele grammatica, in het bijzonder zinsontleding, belangrijk, met het oog op het nut voor het vreemde-talenonderwijs en de bevordering van de taalvaardigheid van de leerlingen (Bos 1978, Dekker 1977). Het doelstellingenonderzoek uit de jaren negentig, ten behoeve van de vernieuwing van de eindexamens Nederlands HAVO en vwo, laat een duidelijke voorkeur van de respondenten zien voor taalbeschouwingsonderwijs dat ondubbelzinnig bijdraagt aan de vergroting van de taalvaardigheid van de leerlingen (De Glopper/Van Schooten 1990). De respondenten denken daarbij zeker niet aan "zinsgrammatica", maar wel aan onderwijs in gesprekstechnieken, argumentatie en retorica, schrijfprocedures enz. Het gaat hier voornamelijk om taalbeschouwing als reflectie op gebruikte taal, die direct gekoppeld wordt aan het onderwijs in spreken, luisteren, lezen en schrijven. Voorzover dat overeen komt met wat respondenten in de jaren zeventig "moderne" taalbeschouwing noemden, zouden we voorzichtig kunnen concluderen dat respondenten aan dit type taalbeschouwing in de jaren negentig me?r gewicht toekennen. Vervolgonderzoek naar doelstellingen op het gebied van taalbeschouwing zouden wij niet de hoogste prioriteit willen geven: het beeld ten aanzien van wensen en behoeften op dit gebied is redelijk duidelijk. Hoogstens zou het interessant zijn om het onderzoek van Dekker uit 1977 te repliceren, om na te gaan of zich verschuivingen hebben voorgedaan in de opvattingen en motieven van docenten met betrekking tot het geven van traditioneel grammatica-onderwijs.

Uit het onderzoek naar de beginsituatie van leerlingen op het gebied van taalbeschouwingsonderwijs leren wij slechts dat in een kleinschalig enqu?te-onderzoek leerlingen grammatica het vervelendste onderdeel vonden van het vak Nederlands (Huizing 1989). Vervolgonderzoek op het gebied van de beginsituatie van leerlingen ten aanzien van taalbeschouwing zou zich volgens ons niet moeten richten op attituden noch op grammatica-onderwijs, maar op de vraag welke taalbeschouwelijk/reflectieve kennis, inzichten en vaardigheden leerlingen van huis uit meebrengen, zodat daar in het onderwijs Nederlands op kan worden ingespeeld.

Het onderzoek naar onderwijsleermateriaal voor taalbeschouwing heeft blijkens onderzoek van Witte (1992) kansen laten liggen door "interessante en maatschappelijk relevante onderdelen" als taalgeschiedenis en taalvariatie te weinig invulling te geven. Witte redeneert hier (als enige onderzoeker die in het hoofdstuk ter sprake komt) niet vanuit het instrumentele perspectief (taalbeschouwing als middel tot iets anders) maar vanuit het culturele (taalbeschouwing als doel op zich).



Bladeren: « vorige pagina | volgende pagina » | Inhoudsopgave