taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2008 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Doelgroep
NT2-leerlingen/cursisten

Land
België

Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs

Leeftijd
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)

E.E.G.-Pilootexperiment Moedertaal en cultuur in het secundair onderwijs
Onderzoek naar het taalvaardigheidsniveau bij Turkse en Italiaanse kinderen bij het begin van het secundair onderwijs
Jaspaert, K., G. Lemmens & A. van der Zanden
Hasselt: Provinciale Dienst Limburg., 1989

Uit Het Schoolvak Nederlands Onderzocht, hoofdstuk 8.6.2


Voor het NT2-onderwijs bepleit de onderzoeker aandacht voor de stimulering van de eerste taal, de ontwikkeling van taaldidactisch materiaal voor de ontwikkeling van schoolse taalvaardigheid, en het terugdringen van de rol hiervan ten gunste van alledaagse taalvaardigheid. Deze laatste aanbeveling lijkt hem overigens zelf weinig levensvatbaar gezien de dominante functie van schoolse taalvaardigheid op school.
In de voorafgaande paragrafen kwamen verschillende onderzoeken aan bod die uitgevoerd werden door medewerkers/studenten van het Steunpunt NT2 in Leuven (Duran 1994, Schuurmans 1994, Teunissen 1992). Het laatstgenoemde onderzoek (zie par. 8.5) vond plaats in het kader van het E.G.-pilootexperiment "Moedertaal en cultuur in het secundair onderwijs" (1988-1991). Voorafgaand aan dit experiment vond er onder dezelfde naam van 1982 tot 1987 een eerste E.G.-experiment plaats dat gericht was op de verbetering van de achterstandssituatie van migranten in het secundair onderwijs. Tijdens dit experiment, dat overigens niet gericht was op het NT2-onderwijs, werd een gebrek aan inzicht in de taalvaardigheid van de leerlingen in kwestie gesignaleerd. Dit was voor Jaspaert e.a. (1989) aanleiding om het Leuvense onderzoeksprogramma te starten met een onderzoek naar de taalvaardigheidsprestaties van alle eerstejaars-leerlingen van de negen scholen die bij dit eerste E.G-experiment betrokken waren. Op basis van kennis over het taalvaardigheidsniveau zou vervolgens een adequate aanpak van het NT2-onderwijs uitgetekend kunnen worden.
Het onderzoek werd in 1987 uitgevoerd en had als centrale vraagstelling: wat is het gemiddelde taalvaardigheidsniveau van de groep leerlingen bij de aanvang van het secundair onderwijs en hoe is de variatie in taalvaardigheid binnen de onderscheiden leerlinggroepen?
In totaal namen 319 leerlingen van vijf experimenteer- en vier volgscholen aan het onderzoek deel. De groep bestond uit: Vlamingen (102), Turken (85), Italianen (51), Marokkanen (68), en Andere nationaliteiten (13). Het taalvaardigheidsniveau van de leerlingen werd met behulp van door de onderzoekers ontwikkelde toetsen gemeten. De toetsbatterij bevatte een editingtest, een één-minuuttest, een toets begrijpend lezen, spelling, luistervaardigheid, woordenschat, en een toets eigen taal. Deze toetsen werden aan de totale leerlinggroep voorgelegd. Aan 104 leerlingen werd daarnaast een spreekvaardigheidstoets voorgelegd. De leerlingen die laag scoorden op de editingtest maakten daarnaast varianttoetsen: een toets begrijpend lezen voor leerjaar vier en de luistertoets.
De onderzoekers merken op dat alleen de woordenschattoets valide is; het is de enige toets waarvan bekend is dat hij het niveau van lexicale taalvaardigheid weergeeft dat bij de leerlingen gegeven het taalgebruik in handboeken bekend verondersteld wordt.
De gemiddelde toetsscores op de hele toetsbatterij (algemene taalvaardigheid) en de correlaties met de toetsscores op de verschillende deelvaardigheden werden berekend, en de verbanden tussen beide en tussen de deelvaardigheden onderling werden nader bestudeerd. Daarnaast werd factoranalyse toegepast om zicht te krijgen op de relatie tussen verschillende achtergrondvariabelen en de toetsscores. De volgende achtergrondvariabelen werden in het onderzoek betrokken: etniciteit, sekse, type onderwijs (niveau a of b), school, klas, aantal jaren onderwijs in eigen taal en de taalkeuze thuis.
De gemiddelde algemene taalvaardigheid Nederlands van leerlingen in het eerste jaar van de experimenteerscholen was vrij zwak, zeker in vergelijking met de eisen die in het onderwijs aan die taalvaardigheid gesteld worden. De onderzoekers leidden dit vooral af uit tegenvallende scores op de (valide) woordenschattest. Uit verdere analyses bleek dat dit lage niveau niet alleen kenmerkend was voor allochtone maar ook voor de autochtone leerlingen uit met name de b-klassen. Voor bijna alle testen Nederlands werden dezelfde verhoudingen gevonden tussen de verschillende etnische groepen: de Vlaamse en de groep andere nationaliteiten scoorde het hoogste, de Turkse en vooral de Marokkaanse groep scoorden het laagst en de Italiaanse groep scoorde tussen beide extremen in.
De resultaten van de deelvaardigheidstoetsen Nederlands vertoonden een hoge onderlinge samenhang. Op grond hiervan concluderen de onderzoekers dat deze resultaten in de eerste plaats een weergave zijn van de algemene taalvaardigheid Nederlands. De specifieke vaardigheden leverden geen noemenswaardige etnische verschillen op. Voor zover men kan spreken van een taalachterstand van etnische groepen, is deze in de algemene taalvaardigheid en niet in een of andere deelvaardigheid gesitueerd.
De factor school legde bij de algemene taalvaardigheid veel gewicht in de schaal legde. Bij het invoeren van deze factor verdween het effect van de factor etnische achtergrond op de algemene taalvaardigheid nagenoeg volledig. Ook de factor klas bleek te correleren met taalvaardigheid Nederlands. Hierbij bleken de verhoudingen in taalvaardigheid tussen de a- en b-klas verschillend voor allochtone en autochtone leerlingen. De taalvaardigheid in de etnische groepstaal bleek niet samen te hangen met de factor klas. Dit wijst er volgens de onderzoekers op dat de verschillen in taalvaardigheid Nederlands die tussen allochtone leerlingen in a- en b-klassen werden gevonden wellicht geen cognitieve basis hebben.
Tussen taalvaardigheid in de etnische groepstaal en in het Nederlands werd vooral in het Turks een positieve samenhang geconstateerd. Jaspaert e.a. beschouwen dit resultaat als een ondersteuning van de aanname dat de ontwikkeling van de taalvaardigheid in de etnische groepstaal niet ten koste gaat van de ontwikkeling van de vaardigheid in de taal van de dominante groep, maar deze zelfs ondersteunt (vgl. ook Hacquebord 1982 en Appel 1985).
Reflecterend op de gehanteerde onderzoeksmethode tekenen de onderzoekers aan dat de onderverdeling in traditionele taalvaardigheidsonderdelen waarop de toetsbatterij was gebaseerd, niet correspondeerde met zinvolle onderscheidingen die in de taalvaardigheid van de leerlingen aangebracht konden worden. De resultaten van een zoektocht naar mogelijke andere onderscheidingen (via itemanalyse) tenderen naar een onderscheid in gerichtheid op inhoudelijke context versus gerichtheid op de taalkundige context.
Tot slot benadrukken de onderzoekers de noodzaak om inzicht te krijgen in de klassenpraktijk. Dit kan duidelijk maken hoe en waarom de verbanden die werden geconstateerd tot stand zijn gekomen. Daarnaast verdient het probleem van de dimensionaliteit van taalvaardigheid aandacht in vervolgonderzoek: inzicht in de onderdelen waaruit taalvaardigheid bestaat is een noodzakelijke voorwaarde voor het formuleren van zinvolle aanpassingen van de onderwijsaanpak voor etnische minderheidsgroepen. De resultaten van dit evaluatie-onderzoek waren voor de onderzoekers al aanleiding om te concluderen dat vervolgactiviteiten binnen het E.G.-experiment gericht moesten worden op de bevordering van de schooltaalvaardigheid van allochtone èn allochtone leerlingen. Over de ontwikkelactiviteiten en het onderzoek ernaar is gerapporteerd in paragraaf 8.5.1 en 8.5.3.

De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1969 tot en met begin 1997 zijn geschreven door drs. Mariëtte Hoogeveen en dr. Helge Bonset en zijn eerder in boekvorm verschenen ('Het Schoolvak Nederlands Onderzocht', Garant, 1998).

« vorige pagina - volgende pagina »

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties