Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Doelgroep
NT2-leerlingen/cursisten
Land
Nederland
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
Leeftijd
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)
13-14 jaar (2e voortgezet/secundair)
14-15 jaar (3e voortgezet/secundair)
15-16 jaar (4e voortgezet/secundair)
16-17 jaar (5e voortgezet/secundair)
17-18 jaar (6e voortgezet/secundair)
Kuyper, H., W. Hoeben, Y. Pijl, m.m.v. R. Ferwerda
Groningen: GION., 1996
Uit Het Schoolvak Nederlands Onderzocht, hoofdstuk 8.5.1
Het onderwerp taalbeleid' stond centraal in een grootschalig onderzoek naar de praktijk van het NT2-onderwijs aan allochtone onderinstromers in het voortgezet onderwijs dat op aanvraag van de Projectgroep NT2 ter hand genomen werd door het GION (Gronings Instituut voor Onderzoek van onderwijs, opvoeding en ontwikkeling). Kuyper e.a. (1996) stelden zich ten doel na te gaan op welke gebieden van de taalvaardigheid in het Nederlands voor NT2-leerders de belangrijkste knelpunten liggen in het volgen van onderwijs, en in welke mate vo-scholen zich deze problemen bewust zijn en erin slagen er met behulp van een NT2-beleid een oplossing voor te vinden. Het onderzoek bestond uit drie delen. In het eerste deel werden de taalprestaties van leerlingen uit ander onderzoek aan een secundaire analyse onderworpen. In het tweede deel werd onderzocht welke specifieke kennis en vaardigheden docenten en vakdidactici nodig achten voor het kunnen volgen van de verschillende vakken in het vo en of zij een realistische verwachting hebben van het niveau van allochtone leerlingen. Deze eerste twee delen van het onderzoek komen aan bod in paragraaf 8.6.2. We beperken ons hier tot het derde deel van het onderzoek dat gericht was op hetgeen er op scholen aan ondersteuning van tweede-taalleerders gebeurt. De onderzoeksvragen voor dit deel van het onderzoek luidden:
1) In hoeverre zijn docenten in staat om op de specifieke behoeften van hun allochtone leerlingen met betrekking tot het Nederlands in te spelen?
2a) Wordt er op het niveau van de vaksecties en/of op schoolniveau beleid gevoerd ter ondersteuning van tweede-taalleerders?
2b) Zijn hiervoor faciliteiten beschikbaar en zo ja, hoe worden ze ingezet?
2c) Waaruit bestaat dat beleid en hoe wordt het uitgevoerd?
2d) Welke problemen doen zich voor en hoe worden die problemen opgelost?
3) In hoeverre wordt het gevoerde beleid succesvol geacht door de school en door de leerlingen?
Aan het onderzoek namen 27 scholen deel die geselecteerd werden uit een scholenbestand van het eerder verrichte cohort-onderzoek. Deze scholen vertoonden een grote variatie in typen voortgezet onderwijs (IVBO, VBO, MAVO, HAVO, vwo), in aantal leerlingen (210-1750), en in het aandeel van allochtone leerlingen (3-99%). Er werden verschillende vragenlijsten voorgelegd aan directeuren en/of NT2-coördinatoren, vakdocenten Nederlands, Engels, Biologie en Wiskunde uit het eerste en derde leerjaar, NT2-docenten, en allochtone leerlingen uit het vierde leerjaar. De vragenlijstgegevens werden aangevuld met case-beschrijvingen per school. In de vragenlijst voor NT2-coördinatoren werd geïnformeerd naar schoolkenmerken, leerlinggegevens, NT2-beleid, tijdsbesteding, faciliteiten en problemen en successen met het beleid. De leerlingvragenlijsten bevatten vragen over achtergrondkenmerken, de taalgeschiedenis van de leerlingen, en problemen met de Nederlandse taal. In een apart deel van de vragenlijst School en Nederlands' werd gevraagd naar de prestatie-motivatie van de leerlingen en faalangst. De docentenvragenlijst bevatte vragen over de kenmerken van de docenten en hun klassen en een groot aantal vragen over hun onderwijs: groeperingsvormen, problemen met NT2-leerders, lestijd, differentiatievormen, inschatting van het niveau van de leerlingen e.d. De vragenlijst bevatte een extra onderdeel voor de docenten Nederlands. Hen werd gevraagd naar zaken als gebruik van methoden en/of aangepast materiaal, extra aandacht aan allochtone leerlingen e.d. De NT2-docenten ten slotte kregen vragen voorgelegd over hun achtergrondkenmerken, de problemen van NT2-leerders, de samenstelling van de groepen, de tijdsbesteding e.d. Daarnaast beantwoordden ook zij het vragenlijst- onderdeel voor de docenten Nederlands. De met deze vragenlijsten verzamelde gegevens werden gebruikt voor de beantwoording van de onderzoeksvragen van de drie genoemde delen van het onderzoek. De resultaten met betrekking tot een aantal genoemde onderwerpen komen (ook) aan bod in paragraaf 8.6.1 en 8.6.2.
Een opvallend resultaat achten de onderzoekers dat het merendeel van de vakdocenten niet of nauwelijks problemen zegt te ervaren in hun onderwijs aan allochtone leerlingen. Zij voelen zich in staat om rekening te houden met specifieke behoeften van deze leerlingen en zijn tevreden over de geboden NT2-ondersteuning. Toch geeft bijna een derde van de docenten aan behoefte te hebben aan bijscholing, voortkomend uit specifieke problemen waarvoor allochtone leerlingen hen stellen. Ruim de helft van de vakdocenten ervaart geen duidelijk niveauverschil tussen de allochtone en Nederlandse leerlingen, bijna een derde ervaart dat enigszins' en 15% ervaart dat wel.
De meest genoemde specifieke problemen van allochtone leerlingen die docenten noemen zijn (onvoldoende) tekstbegrip en (geringe) woordenschat. De docenten achten zich in het algemeen goed in staat om hierop in te spelen. De sfeer in de klassen wordt vrij goed gevonden en discriminatie van allochtone leerlingen komt naar hun zeggen weinig voor. Er lijkt in het algemeen geen sprake te zijn van een negatieve beeldvorming bij docenten ten aanzien van allochtone leerlingen, zo concluderen de onderzoekers.
Volgens de allochtone leerlingen zelf hebben ze maar weinig problemen met de Nederlandse taal, relatief het meeste met woordenschat. Op prestatie-motivatie halen de allochtone leerlingen gemiddeld een hoge score.
De 59 bevraagde docenten Nederlands blijken een grote variatie aan taalmethoden te gebruiken. De meeste methoden worden matig geschikt geacht voor allochtone leerlingen. Bijna twee derde van de docenten Nederlands heeft "enige" behoefte aan aangepast materiaal, slechts 10% heeft daar (zeer) grote behoefte aan. De meeste docenten Nederlands menen dat allochtone leerlingen geen extra ondersteuning door hen behoeven. De extra ondersteuning van allochtone leerlingen door reguliere docenten Nederlands is het meest gericht op de verruiming van de woordenschat, het gevoel voor zinsconstructies (stijl), het schriftelijk vragen beantwoorden, het studerend lezen en het onderscheid in hoofd- en bijzaken. De extra ondersteuning tijdens aparte NT2-lessen is duidelijk het meest gericht op verruiming van de woordenschat, gevolgd door de spelling en het gevoel voor zinsconstructie.
De resultaten met betrekking tot het gevoerde NT2-beleid ter ondersteuning van tweede- taalleerders laten grote verschillen tussen scholen zien. Op zes van de 26 scholen wordt niet aan NT2-beleid gedaan. Op minder dan een derde van de scholen is in redelijke mate of duidelijk sprake van een geïntegreerd taalbeleid. Dergelijk beleid kan op verschillende wijzen tot uitdrukking komen. Gevraagd naar de faciliteiten hiervoor melden 18 van de 26 scholen van overheidswege extra faciliteiten toegekend te krijgen. Deze speciale taakuren (variërend van één tot 490 uur) worden voor zeer verschillende activiteiten ingezet.
De uitvoering van het beleid is op 16 van de 26 scholen in handen van minstens één persoon. Op 12 van de 26 scholen doen zich één of meer problemen bij de uitvoering ervan voor. Roosterproblemen worden het meest frequent genoemd, gevolgd door motivatie van de leerlingen, leerstofproblemen, en gebrek aan faciliteiten. De gekozen oplossingswijzen lijken goed toegesneden op de genoemde problemen. De gemiddelde oordelen over het succes van het gevoerde NT2-beleid van scholen worden door de onderzoekers benoemd als in redelijke mate succesvol'. De gemiddelde tevredenheid van leerlingen over de ontvangen hulp wordt getypeerd als nogal tevreden'.
Van de 251 NT2-leerders die de leerlingvragenlijst invulden (de helft van hen is in Nederland geboren, de meeste anderen in Marokko of Turkije, de helft van hen volgt ivbo of vbo) heeft één derde op de huidige school extra hulp (gehad). De meest voorkomende vormen van extra hulp zijn aparte lessen Nederlands in plaats van gewone lessen' en extra lessen Nederlands'.
Het door de scholen gevoerde NT2-beleid werd ook onderzocht op de effectiviteit ervan in het algemeen en de effectiviteit ervan met betrekking tot Nederlands. Dit onderdeel van het onderzoek komt in paragraaf 8.6.2 aan de orde.
Uit Het Schoolvak Nederlands Onderzocht, hoofdstuk 8.6.1
In het evaluatie-onderzoek van Kuyper e.a. (1996; zie pas. 8.5.2) werd nagegaan of er sprake was van itembias in de twee gebruikte toetsen. Dat bleek het geval te zijn. In één toets (de entreetoets) bleken drie items met betrekking tot spelling gebiasd te zijn ten gunste van allochtone leerlingen. Twee items met betrekking tot Nederlandse zegswijzen waren gebiasd ten nadele van hen. In de tweede toets (begrijpend lezen) werden drie interpretatieve items ten nadele van allochtone leerlingen gevonden en twee andere, volgens de onderzoekers moeilijk te benoemen items ten gunste van hen.
Uit Het Schoolvak Nederlands Onderzocht, hoofdstuk 8.6.2
Het laatste (grootschalige) evaluatie-onderzoek naar het taalniveau van onderinstromers (Surinaamse, Marokkaanse en Turkse) in het voortgezet onderwijs dat hier aan de orde komt, werd verricht door Kuyper e.a. (1996). Voor een beschrijving van de algemene vraagstelling en opzet van dit onderzoek verwijzen we naar paragraaf 8.5.1. In die paragraaf kwam ook het descriptieve deel van het onderzoek aan bod, dat gericht was op hetgeen er op scholen voor voortgezet onderwijs gebeurt aan ondersteuning van NT2-leerders in het kader van taalbeleid.
Het evaluatie-onderzoek bestond uit twee delen. In het eerste deelonderzoek werden de taalprestaties van leerlingen, zoals vastgesteld in ander onderzoek, aan een secundaire analyse onderworpen om een beeld te krijgen van het taalniveau van allochtone leerlingen. In het tweede deelonderzoek werden de inschattingen van docenten en vakdidactici van het taalniveau van allochtone leerlingen onderzocht en werd gekeken hoe deze inschattingen zich verhouden tot het prestatieniveau van de leerlingen.
Met betrekking tot de taalprestaties stelden de onderzoekers zich de volgende vragen:
Op welke deelvaardigheden van het Nederlands zijn er verschillen tussen de prestaties van allochtone en Nederlandse leerlingen met vergelijkbare achtergrondkenmerken (intelligentie en opleidingsniveau van de ouders) in het eerste leerjaar?
Zijn er verschillen tussen leerlingen uit verschillende herkomstlanden?
In welke mate hangt het taalniveau van allochtone leerlingen samen met hun verblijfsduur?
Is deze samenhang voor allochtone leerlingen uit verschillende herkomstlanden hetzelfde?
De specifieke vragen voor het tweede deel van het onderzoek luidden:
Welke kennis en vaardigheden in de Nederlandse taal worden nodig geacht voor het kunnen volgen van de verschillende vakken in de verschillende leerjaren van het voortgezet onderwijs?
Welke van deze vaardigheden ontberen allochtone leerlingen naar het oordeel van de docenten?
In hoeverre komen de verwachtingen van docenten overeen met de feitelijke kennis en vaardigheden van allochtone leerlingen?
De resultaten van het descriptieve onderzoek naar het op de scholen gepraktiseerde taalbeleid werden met de volgende onderzoeksvragen gerelateerd aan de resultaten van het evaluatie-onderzoek:
In hoeverre leidt het gevoerde beleid tot daadwerkelijke verbetering van de taalvaardigheid van allochtone leerlingen?
Zijn er verschillen tussen scholen in de mate waarin allochtone leerlingen succesvol zijn in het onderwijs in het algemeen en in de mate waarin zij de Nederlandse taal beheersen in het bijzonder?
Hangen eventuele verschillen in effectiviteit tussen scholen samen met verschillen in NT2-beleid, en met activiteiten op docent- en schoolniveau?
Aan het onderzoek namen 27 scholen deel die via een representatieve steekproef geselecteerd werden uit het scholenbestand van het cohortonderzoek (VCOL 89-1) in het voortgezet onderwijs. Aan het cohortonderzoek namen scholen deel met tenminste vier allochtone leerlingen. In dit onderzoek werden de taalprestaties van de leerlingen van 52 scholen op twee momenten (in het eerste en derde leerjaar) met betrekking tot drie deelvaardigheden (spelling, begrijpend lezen en zinsstructuur) gemeten. De 27 scholen vertoonden een grote variatie in typen voortgezet onderwijs (IVBO, VBO, MAVO, HAVO, vwo), in aantal leerlingen (210-1750), en in het aandeel van allochtone leerlingen (3-99%). De gegevens over de taalprestaties van de leerlingen aan het eind van het basisonderwijs werden verkregen uit het OVB-cohort 88-8. In dit onderzoek werden de prestaties van de leerlingen op vijf deelvaardigheden gemeten: spelling/vervoegen, zinsconstructie, woordenschat, begrijpend lezen en zinsstructuur. De gegevens van de leerlingen uit het VCOL-onderzoek werden op basis van een hergroepering van losse toetsitems achteraf gereconstrueerd tot de vijf deelvaardigheden die in het basisonderwijs getoetst werden. Ter bepaling van verschillen in het taalvaardigheidsniveau van de allochtone en autochtone leerlingen werden de toetsprestaties van de leerlingen op de vijf deelvaardigheden met elkaar vergeleken. De effecten van de achtergrondvariabelen op de toetsprestaties van de leerlingen werden met multivariate variantie-analyses nagegaan. De variabele opleidingsniveau ouders' kende twee niveaus (lager onderwijs en eerste fase voortgezet onderwijs), de variabele verblijfsduur in Nederland drie (kort = 0-6 jaar, lang = 7-10 jaar, en altijd al').
De gegevens over de achtergrondkenmerken van de leerlingen en de school- en klaskenmerken werden met vragenlijsten verzameld (zie par. 8.5.1). Dat geldt ook voor de gegevens over de wensen en inschattingen van de docenten en vakdidactici (Nederlands, Engels, Biologie en Wiskunde) en over het taalbeheersingsniveau van allochtone leerlingen. De docenten en vakdidactici kregen (in aparte vragenlijsten) 22 aspecten van het Nederlands (zoals begrijpend lezen, schriftelijk vragen beantwoorden, participeren in een onderwijsgesprek enzovoort) voorgelegd met de vraag welke kennis en vaardigheden zij nodig achten voor het kunnen volgen van het onderwijs. Hen werd tevens gevraagd schattingen te geven van het percentage leerlingen dat de vragen uit de toetsen goed beantwoordde. Deze gegevens werden vergeleken met de feitelijke kennis en vaardigheden van de leerlingen zoals die naar voren kwamen uit de resultaten op de toetsen.
Bij de beantwoording van de onderzoeksvragen naar de effectiviteit van het NT2-beleid van de verschillende scholen werd een onderscheid gemaakt tussen algemene effectiviteit en effectiviteit met betrekking tot Nederlands. Als indicatoren voor het eerste werd gebruik gemaakt van twee momenten om voortijdig schoolverlaten te bepalen en van het oordeel over het algemene niveau van elke allochtone leerling ten opzichte van zijn/haar klasgenoten. Als indicatoren voor het tweede golden de prestaties van de leerlingen op de toetsen in het eerste en derde jaar, die met elkaar vergeleken werden.
Hoe is het gesteld met de verschillen in taalvaardigheidsniveau tussen de allochtone en Nederlandse leerlingen?
Kuyper e.a. concluderen dat de Nederlandse leerlingen op alle deelvaardigheden met uitzondering van spelling hoger scoren dan allochtone leerlingen. Het gemiddelde prestatieverschil bedroeg in het eerste leerjaar over alle getoetste onderdelen .14. De prestatieverschillen tussen leerlingen uit verschillende herkomstlanden laten in het algemeen eenzelfde etnisch effect zien als voor het basisonderwijs werd geconstateerd: Surinaamse leerlingen scoren hoger dan Marokkaanse en Turkse leerlingen, die onderling maar weinig verschillen. Op zinsstructuur verschillen de Surinaamse leerlingen nauwelijks van de andere twee groepen. De verblijfsduur van de leerlingen heeft effect op de scores van de allochtone leerlingen die lang in Nederland verblijven scoren op alle deelvaardigheden hoger dan de leerlingen die hier kort verblijven. Er werden geen verschillen tussen de deelvaardigheden gevonden. Ook bleek er geen aanwijzing dat de relatie tussen verblijfsduur en de toetsresultaten verschillend is voor de drie groepen leerlingen.
Welke kennis en vaardigheden achten docenten en vakdidactici nodig om hun vak te kunnen volgen? Een eerste conclusie van de onderzoekers is dat de docenten en vakdidactici als groep nauwelijks verschillen in het relatieve belang dat zij hechten aan de 22 bevraagde aspecten. Ze hechten veel belang aan begrijpend luisteren, schriftelijk vragen beantwoorden, onderscheid hoofd- en bijzaken, studerend lezen, participeren in onderwijsleergesprek. Vakdidactici brengen nauwelijks verschil aan tussen het eerste en derde leerjaar. De docenten van het derde leerjaar vinden (zowel absoluut als relatief) de volgende kennis en vaardigheden belangrijker dan de docenten van het eerste leerjaar: onderscheid hoofd- en bijzaken, samenvatting maken, kernzinnen opzoeken, relaties leggen tussen alinea's, onderscheid feit/meningen en het schrijven van een verslag. De docenten Nederlands hechten meer belang aan een ruime woordenschat dan de docenten van andere vakken. Bij de didactici Nederlands is het opvallend, zo stellen Kuyper e.a., dat zij het allerminste belang hechten aan grammaticale kennis. Naar het oordeel van de docenten Nederlands ontberen allochtone leerlingen vooral de volgende kennis en vaardigheden: een ruime woordenschat, tekstbegrip, en vervolgens gevoel voor zinsconstructie (stijl), en dit laatste vooral tijdens het schriftelijk beantwoorden van vragen, studerend lezen en het onderscheiden van hoofd- en bijzaken.
De docenten blijken gemiddeld als groep de prestaties van zowel de Nederlandse als allochtone leerlingen van het eerste leerjaar goed in te schatten. De prestaties op de begrijpend lezen-toets uit het derde leerjaar worden daarentegen sterk overschat; de prestaties van allochtone leerlingen in iets mindere mate dan die van de Nederlandse leerlingen. De onderzoekers tekenen hierbij aan dat er zeer grote verschillen zijn tussen docenten en scholen en dat het niet zo is dat de docenten Nederlands de beste schattingen geven. De onderzoekers relateerden de inschattingen van de leerlingprestaties ook aan de mate waarin de respondenten zeker' zeiden te zijn van het gegeven antwoord. Uit deze analyse komt een heel ander beeld naar voren: de inschattingen blijken vooral voor de allochtone leerlingen slecht' te zijn.
Ten aanzien van de effectiviteit van het NT2-beleid van de verschillende scholen concluderen de onderzoekers dat er op de drie indicatoren voor algemene effectiviteit geen significante en/of grote verschillen tussen de scholen werden aangetroffen. De vergelijking van de scores op de toetsen in de verschillende leerjaren (effectiviteit met betrekking tot Nederlands) liet zien dat het verschil tussen allochtone en Nederlandse leerlingen over de hele linie gezien met iets meer dan de helft was afgenomen (van .14 naar .06). Uit een analyse van de verschilscores op de factor school bleek vervolgens dat deze factor niet significant was (er was minder dan 2% variantie); er waren dus geen effectiviteitsverschillen tussen de scholen. Uit beide resultaten concluderen Kuyper e.a. dat elke school er heel redelijk in geslaagd is de NT2-praktijk af te stemmen op de eigen situatie. Omdat er geen significante verschillen tussen de scholen werden aangetroffen verviel de laatste onderzoeksvraag.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1969 tot en met begin 1997 zijn geschreven door drs. Mariëtte Hoogeveen en dr. Helge Bonset en zijn eerder in boekvorm verschenen ('Het Schoolvak Nederlands Onderzocht', Garant, 1998).
« vorige pagina - volgende pagina »Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
