Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
woordenschat
Doelgroep
NT2-leerlingen/cursisten
Land
Nederland
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» vwo
» havo
» mavo
» lbo
Leeftijd
15-16 jaar (4e voortgezet/secundair)
16-17 jaar (5e voortgezet/secundair)
17-18 jaar (6e voortgezet/secundair)
In: V. Geudens & R. Rymenans (red.), Het schoolvak Nederlands in het voortgezet onderwijs. Verslag van de zesde conferentie, gehouden te Antwerpen 17 oktober 1992.
Meijers, G.
Enschede: VALO-Moedertaal, 1993
p. 210-223
Uit Het Schoolvak Nederlands Onderzocht, hoofdstuk 8.6.2
Meijers (1993) voerde een exploratief onderzoek uit naar verschillen in het woordenschatniveau van allochtone en autochtone leerlingen aan het einde van verschillende typen van het voortgezet onderwijs. Aanleiding tot zijn onderzoek was de constatering dat:
woordenschat in het onderzoek naar taalachterstanden van allochtone leerlingen een prominente plaats inneemt;
er in Nederland, behalve door Sanders (1990), geen onderzoek is gedaan naar de woordenschatbeheersing in het voortgezet onderwijs;
buitenlands onderzoek laat zien dat allochtonen gemiddeld een achterstand hebben van twee jaar (2500 woorden) op autochtonen en 1000 woorden per jaar bij zouden moeten leren om niet een nog grotere achterstand op de lopen.
Meijers stelde zich ten doel inzicht te krijgen in de woordkennis van leerlingen èn in hoe woordkennis in het voortgezet onderwijs gemeten kan worden.
De onderzoeksgroep bestond uit ongeveer 75 leerlingen (waarvan ongeveer de helft allochtone onderinstromers) van vier verschillende scholen en drie verschillende onderwijsniveaus: LBO (25), MAVO (25), en HAVO/vwo (25). De drie groepen waren niet gelijk samengesteld naar taalachtergrond, leeftijd, taalbeheersingsniveau en aantal scholen waarvan de leerlingen afkomstig waren. Vanwege deze "niet ideale" (weinig representatieve) onderzoeksgroep bleef een analyse van de mogelijke invloed van de factor taalachtergrond op de leerlingprestaties buiten beeld.
Meijers ontwikkelde vier toetsen om de woordkennis van de leerlingen te meten. Hierin probeerde hij woordkennis breder en inhoudsrijker te operationaliseren dan meestal gebeurt: het kennen van de betekenis van één woord. In zijn toetsen komen verschillende aspecten van woordkennis aan de orde. We volstaan met een korte beschrijving van de toetsen:
1) Kennis van frequente en minder frequente betekenissen. Doel van deze toets was nagaan of leerlingen naast de gangbare betekenissen ook minder frequente betekenissen kenden. De proefpersonen kregen tweemaal eenzelfde set van zes woorden aangeboden met eenmaal drie omschrijvingen van een frequente betekenis en met eenmaal drie omschrijvingen van een minder frequente betekenis. Zij kregen de taak om de woorden met de juiste omschrijving te combineren.
2) Formele registerkennis. Doel van deze toets was om inzicht te krijgen in het probleem van de schooltaal; allochtone leerlingen zouden vooral problemen hebben met formele registers. Ook in deze toets moesten de leerlingen omschrijvingen van woorden combineren met de juiste woorden.
3) Kennis van vaste voorzetsels (bij zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden). Doel van deze toets was om inzicht te krijgen in de beheersing van vaste voorzetsels. Hiervan is bekend dat deze vanwege het idiosyncratische karakter ervan tot op een hoog niveau van de taalbeheersing problematisch blijft en dat de eerste taal vaak belemmerend werkt bij de verwerving ervan. De leerlingen kregen vaste voorzetseluitdrukkingen voorgelegd in zinnen zonder moeilijke woorden met op de plaats van het voorzetsel open plekken die ingevuld moeten worden.
4) Aantal gekende woorden. Doel van deze toets (met een klassieke benadering van woordkennis) was zicht krijgen op de hoeveelheid gekende woorden om bijvoorbeeld ook enig zicht te krijgen op de eventuele samenhang tussen de verschillende aspecten van woordkennis.
De toetsen werden samengesteld op basis van selecties van woorden uit de bestanden van Van Dale Lexicografie (computerbestanden, en de woordenboeken Hedendaags Nederlands, Handwoordenboek, Prismawoordenboeken Nederlands en Nederlands-vreemde talen) en de Algemeen Nederlandse Spraakkunst.
Bij de samenstelling van de toets aantal gekende woorden' koos de onderzoeker voor een beperkte definitie van het begrip woord'. Het onderscheid apart woord of niet' werd (vanwege de schoolsituatie waarin het onderzoek uitgevoerd werd) gerelateerd aan het begrip leertaak': indien voor het begrip van een afleiding of van een samengesteld woord een andere betekenis geleerd moet worden dan de betekenis die op basis van afleidingsregels of de optelsom van aparte woorden tot stand komt, werd het als apart woord gerekend. Over de betrouwbaarheid van de toetsen bevat de (tussentijdse) onderzoeksrapportage geen gegevens. Uit de onderzoeksgegevens trekt Meijers de volgende conclusies.
De beheersing van de woordenschat van allochtone en autochtone leerlingen stijgt naarmate het schoolniveau hoger is. De woordkennis van allochtone leerlingen is in veel gevallen geringer dan die van autochtone, zij het dat dit verschil in een aantal gevallen afvlakt naarmate het schoolniveau hoger is. Dit effect werd gevonden in de resultaten van de toets woordomvang en in de toets hoog- en laagfrequente betekenissen, maar niet bij de kennis van het formeel register en de voorzetsels. In het laatste geval zijn de verschillen op alle niveaus ongeveer even groot. In globale zin is volgens Meijers de stelling verdedigbaar dat er een zekere parallellie bestaat tussen het aantal woorden dat men kent en de kwaliteit van de woordkennis. Per schoolniveau blijkt er een aanzienlijke overlap te zijn tussen de prestaties van allochtone en autochtone leerlingen. De range in scores van de allochtonen in lbo en mavo is ongeveer even groot, bij het mavo zitten er alleen wat meer leerlingen aan de bovenkant van de range. Bij het lbo scoren slechts drie en bij het mavo twee autochtonen hoger dan de hoogst scorende allochtonen. De vier hoogst scorende leerlingen uit het havo/vwo zijn allochtoon. De overlap tussen de verschillende schoolniveaus is, afgezien van het onderscheid allochtoon/autochtoon, dus aanzienlijk.
Onder verwijzing naar de resultaten uit het onderzoek van Sanders (1990) concludeert Meijers dat de door Sanders geconstateerde achterstand in woordkennis aan het begin van het voortgezet onderwijs, aan het eind ervan niet is verdwenen. De havo/vwo-leerlingen vormen een uitzondering hierop. Het is niet duidelijk onder invloed waarvan de verschillen tussen allochtone en autochtone leerlingen in de hogere onderwijsniveaus kleiner worden: het leervermogen, het onderwijsaanbod en/of het selectieve karakter van dit type onderwijs.
Meijers besluit met de opmerking dat de gepresenteerde resultaten met omzichtigheid gehanteerd moeten worden. In de eerste plaats omdat de analyses van het materiaal destijds nog niet waren afgerond, maar ook vanwege de kleine omvang van de proefgroep en de heterogene samenstelling ervan, en het beperkt aantal scholen dat aan het onderzoek deelnam. De relevantie van de ontwikkelde toets voor het onderwijs bestaat volgens hem vooral uit de mogelijke rol die de toets en de wijze van toetsen, na vervolgonderzoek, kunnen gaan spelen in het diagnostisch toetsen van de woordenschat van leerlingen: woordenschat is in de toets breed geoperationaliseerd. Met het oog op de onderwijspraktijk is de validiteit van de toets vooralsnog een probleem: de keuze van toetsitems is ontleend aan de gehele woordenschat' van lexicografische bestanden en niet aan de woordenschat waarvan redelijkerwijs verondersteld kan worden dat de school die zou moeten onderwijzen. Een dergelijke verzameling woorden is de onderzoeker niet bekend. Zoals we zagen signaleerde Sanders in haar onderzoek hetzelfde probleem: ook haar toets was gebaseerd op een lexicografisch bestand uit een woordenboek en niet op een aan onderwijsaanbod ontleend woordenbestand. Met het oog op de ontwikkeling van leermiddelen stelde zij voor het aantal woorden dat Nederlandstalige leerlingen beheersen te beschouwen als datgene dat tot nu toe in het onderwijs tenminste als norm wordt gehanteerd. Ter aanvulling merken we op dat in het Vlaamse onderzoek van Schuurmans (1994, zie par. 8.5.1) streefwoordenlijsten samengesteld werden op basis van in de onderwijspraktijk geregistreerd taalaanbod van docenten. De streefwoordenlijst die in het onderzoek van Coenen e.a. (1992, zie par. 8.4) werd opgesteld, is gebaseerd op oordelen van docenten.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1969 tot en met begin 1997 zijn geschreven door drs. Mariëtte Hoogeveen en dr. Helge Bonset en zijn eerder in boekvorm verschenen ('Het Schoolvak Nederlands Onderzocht', Garant, 1998).
« vorige pagina - volgende pagina »Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
