Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
schrijfonderwijs
Doelgroep
NT1-leerlingen
Thema
onderwijsleeractiviteiten
» effectonderzoek
Land
Nederland
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» vwo
» havo
Leeftijd
15-16 jaar (4e voortgezet/secundair)
Tekstsoort
betogende teksten
Respondenten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
101-200
Methode van dataverzameling
taalvaardigheidstaken
toetsen/tests
Kieft, M. & G. Rijlaarsdam
2005b
p. 9-12
in: Levende Talen Magazine, jrg. 92 , nr. 2
» De volledige tekst van deze publicatie: alle artikelen uit Levende Talen Magazine kunnen gedownload worden in het online archief (vanaf jaargang 97 - 2010).
Achtergrond
De meeste methoden taalvaardigheid Nederlands voor de Tweede Fase zijn afgestemd
op leerlingen die plannen (ingenieurs): zij bepalen de inhoud van de tekst voordat
ze beginnen te schrijven en maken daarbij gebruik van lijstjes of schemas.
Maar er zijn ook leerlingen (beeldhouwers) die het schrijven zelf nodig hebben
om op ideeën te komen: zij beginnen met het schrijven van een eerste versie
van de tekst en gaan daarna schaven en schrappen, schrijven en herschrijven
om tot de uiteindelijke tekst te komen.
Vraagstelling
Zijn verschillende schrijverstypen
gebaat bij verschillende schrijftaken?
Methode
Voor het onderzoek is een lessenserie ontwikkeld van vijf lessen over recensies
schrijven over literatuur. Deze lessenserie is gemaakt in twee verschillende
versies: een ingenieursversie en een beeldhouwerversie. De beide versies verschilden
van elkaar op twee hoofdpunten:
- ideeën krijgen
- het schrijfproces.
In de ingenieursversie wordt veel gewerkt met planning: het bepalen van de inhoud van de tekst voordat er geschreven wordt door middel van lijstjes of schemas. In de beeldhouwerversie kunnen de schrijvers op ideeën komen door het schrijven zelf: zij beginnen met een eerste versie van de tekst en gaan daarna schaven, schrappen, schrijven en herschrijven.
In een experimenteel onderzoek is onderzocht of de verschillende schrijverstypen gebaat zijn bij de verschillende typen schrijftaken. In totaal deden 113 leerlingen uit de vierde klas havo en vwo van een school mee aan het experiment. Zij volgden een van de versies van de lessenserie en vulden voorafgaande aan de lessenserie een schrijfvragenlijst in om te kunnen vaststellen of zij trekken vertonen van een ingenieur of beeldhouwer.
Alle leerlingen kregen een score voor plannen (de ingenieurscore), en een score voor reviseren (de beeldhouwerscore). De leerlingen werden aselect toegewezen aan een van de versies van de lessenserie; zodoende waren beide versies evenwichtig verdeeld over de klassen.
Om de leerwinst te kunnen bepalen, schreven de leerlingen twee toetsrecensies: een voorafgaande aan de lessenserie en een aan het einde van de lessenserie. Zowel de voortoets als de slotrecensie werden door beoordelaars gescoord op de kwaliteit van argumentatie en de kwaliteit van de kwestie waarover de leerlingen schreven.
Resultaten
Er zijn drie groepen leerlingen te onderscheiden:
- er is een grote middengroep (54%) van leerlingen die laag noch hoog scoren
op de twee schalen (ingenieurschaal en beeldhouwerschaal). Voor deze leerlingen
maakt het niet uit welke versie van de lessenserie zij gevolgd hebben.
- De tweede groep bestaat uit leerlingen die midden of hoog scoren op de ingenieurschaal
en midden of hoog scoren op de beeldhouwerschaal (26%). Dit zijn leerlingen
met een uitgesproken schrijfstijl, hetzij met de nadruk op plannen, hetzij
gericht op reviseren. Er zijn ook leerlingen die zowel veel plannen als veel
reviseren. Al deze leerlingen leren het meest van de ingenieurslessen.
- De derde groep (20%) heeft nog geen uitgekristalliseerde schrijfstijl: zij scoren laag tot midden op de ingenieurschaal en laag tot midden op de beeldhouwerschaal. Zij kunnen het beste de beeldhouwerslessen volgen.
Conclusies en aanbevelingen
In de meeste taalmethodes krijgen de leerlingen bouwplannen, stappenplannen
en planningsschemas aangeboden maar niet voor alle leerlingen blijkt het handig
te zijn om eerst te plannen in schemavorm en daarna te schrijven. Voor leerlingen
die nog geen duidelijke schrijfstijl hebben ontwikkeld is het beter om ze eerst
een denkversie te laten schrijven en die eerste versie vervolgens grondig
te laten reviseren. Voor de middengroep zou kunnen gelden dat leerlingen kunnen
kiezen welk type lessen ze willen volgen.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 2003 tot en met 2006 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma.
Publicatie
Dit onderzoek wordt ook besproken in het boek Het onderzoek Nederlands opnieuw onderzocht (Slo, 2008), waarin een stand van zaken wordt gegeven van het onderzoek uit de voorbije 10 jaar.
» Download dit boek.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties