taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2009 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
woordenschat
» receptief
» productief

Doelgroep
NT2-leerlingen/cursisten

Thema
onderwijsleeractiviteiten
» descriptief onderzoek
beginsituatie
» leerlingkenmerken
» schoolse kenmerken
» buitenschoolse kenmerken

Land
België

Onderwijstype
basisonderwijs

Leeftijd
2,5-4 jaar (1e kleuterklas)

Respondenten
leerlingen/cursisten
leerkrachten/lesgevers
ouders

Aantal respondenten
21-40

Methode van dataverzameling
interviews
toetsen/tests
observaties

De relatie tussen mondeling taalaanbod en woordenschatverwerving van het Nederlands als tweede taal door 2,5-jarige allochtone kleuters in Brussel.
Verhelst, M.
Leuven: Katholieke Universiteit Leuven (Academisch Proefschrift), 2002


Vraagstelling
In dit onderzoek is nagegaan hoe achtergrondkenmerken, kenmerken van de leersituatie en kenmerken van het taalaanbod verband houden met de woordenschat­verwerving van 2,5-jarige kleuters uit de eerste kleuterklas die nog nooit eerder Nederlands taalaanbod gekregen hebben. Er is onderzocht hoe ze presteren op receptieve en productieve woordenschattoetsen en spontane productie na vijf, tien en vijftien schoolweken, en hoe deze resultaten zich tot elkaar verhouden.

Voor het onderzoek naar de relatie met achtergrondkenmerken en kenmerken van de leersituatie is het verband gelegd met:
- de etnische achtergrond en de vaardigheid in de eerste taal;
- het aantal keer dat de kleuters afwezig zijn op school;
- sociaal-affectieve kenmerken van de kleuters (welbevinden, betrokkenheid en persoonlijkheid);
- het aantal keer dat ze door de kleuterleidster worden aangesproken;
- het aantal keer dat hun naam per dag wordt genoemd;
- de eigen initiatiefname;
- de manier van taalaanbod ontlokken;
- het al dan niet imiteren van het taalaanbod.

Voor het onderzoek naar de relatie met taalaanbodskenmerken is het verband gelegd met:
-inherente woordkenmerken;
- frequentie van aanbod;
- vormelijke en inhoudelijk kenmerken die de woorden opvallender maken in de context;
- kenmerken die de woorden begrijpelijker maken in de context.

Conclusies
De receptieve verwervingsscores stijgen met de verwervingstijd. De productieve score ligt lager dan de receptieve. De kleuters produceren gemiddeld slechts drie Nederlandse woorden per dag.

De receptieve toetsen hangen met elkaar samen. Geen enkele receptieve score hangt samen met productie.

Er is veel variatie in de onderlinge scores van de kleuters.

Verbanden met achtergrondkenmerken komen enkel voor bij de productieve scores. De Berberse kleuters scoren het laagst, ook op de toets eigen taal.

Het aantal afwezigheden heeft een negatief effect op productie.

Betrokkenheid hangt met productie samen, welbevinden niet.

De kleuterleidster spreekt bepaalde kleuters veel meer aan. Het zelf initiatief nemen, de aansprekingen door de kleuterleidster en het noemen van de naam, hangen samen met betrokkenheid en persoonlijkheid.

Kleuters met een hoge productiescore worden vaak door de kleuterleidster aangesproken en nemen zelf vaak het initiatief.

Bijna de helft van de kleuters ontlokt van de leidster taalaanbod door vaak signalen te geven dat ze veel begrijpen. Hun receptieve score is het hoogst. Ongeveer een derde verkrijgt taalaanbod doordat de leidster vaak reageert  op hun taalproductie en imitatie. Hun productieve score is het hoogst. Geen enkel taalaanbodskenmerk heeft een sterk verband met productie, enkel met receptie. Bij de inherente woordkenmerken is er een effect van woordklasse en concreetheid van een woord. Frequentie van voorkomen in het aanbod heeft weinig invloed heeft op de verwervingsscores, enkel bij de receptieve verwerving na tien weken.

Voor de receptieve verwerving blijkt opvallendheid in het aanbod, en dan met name als het woord in een actie-context wordt aangeboden, bevorderlijk voor verwerving.

Woorden die voorkomen in een betekenisvolle context en gepaard gaan met visuele ondersteuning, worden beter verworven.

De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit de periode 1988 tot en met 2003 zijn geschreven door Ineke Jongen, Brigit Triesscheijn en Machteld Verhelst onder eindredactie van Helge Bonset, Amos van Gelderen en Mariëtte Hoogeveen.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties