Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
schrijfonderwijs
Doelgroep
NT1-leerlingen
Land
Nederland
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» vwo
» havo
(2 bijlage-rapporten). (Diss. UvA). SCO-rapport 88.
Rijlaarsdam, G.
Amsterdam: UvA, 1986
Uit Het Schoolvak Nederlands Onderzocht, hoofdstuk 4.5.3
In het "Onderzoek naar effecten van de beoordeling door medeleerlingen op aspecten van de stelvaardigheid" ging Rijlaarsdam (1986) na wat de effecten zijn van een didactiek van leerlingrespons ("peer evaluation") op de schrijfvaardigheid van leerlingen. Rijlaarsdam stelde zich de vraag of leerlingen die elkaars opstellen lezen en becommentariëren betere opstellen leren schrijven dan leerlingen die feedback krijgen van hun docenten. Voor een beschrijving van de cursus "Betogende opstellen schrijven" die Rijlaarsdam (1987 a en b) ten behoeve van het experiment ontwikkelde verwijzen we naar par. 4.5.1. Deze cursus werd door elf docenten in derde klassen van het HAVO en vwo gegeven. In totaal waren 22 klassen bij het onderzoek betrokken, verdeeld over een experimentele conditie (waarin de feedback door drie klasgenoten gegeven werd) en een controleconditie (waarin alleen de eigen docent commentaar leverde op de opstellen). De uitvoering van de cursus werd gecontroleerd middels docent- en leerlinglogboeken, observaties van lessen en vragenlijsten. Vóór, tijdens en na de cursus schreven de leerlingen een toetsopstel en vulden zij een zelfrapportagelijstje in. Een aantal leerlingen voerde daarnaast nog een opdracht uit waarbij zij hardopdenkend schreven.
In het onderzoek werden drie hypothesen aan een toetsing onderworpen. Verwacht werd dat leerlingen bij een didactiek van leerlingrespons:
beter presteren op de schrijfprestatievariabelen "doelgerichtheid", "publiekgerichtheid", "opbouw" en "stijl";
hoger scoren op psychologische variabelen; dat wil zeggen dat zij minder schrijfangst hebben en positiever staan tegenover het beoordeeld worden en tegenover schrijven;
hoger scoren op schrijfprocesvariabelen; dat wil zeggen dat deze leerlingen méér planningsactiviteiten verrichten (onder meer zelfinstructies), zich bij het formuleren vaker keuzen voorleggen, en elementen en passages uit hun tekst vaker evalueren en reviseren.
Om deze hypothesen te toetsen, werd uit de beschikbare toetsopstellen een a-selecte steekproef van in totaal 792 opstellen getrokken. Deze opstellen werden door twee beoordelaars beoordeeld op doel- en publiekgerichtheid, opbouw en stijl. Bij de beoordeling werd gebruik gemaakt van opstelschalen en scoringsvoorscriften. (zie hiervoor par. 4.6.1) De hardop-denkprotocollen werden via een fijnmazig schema gecodeerd.
De resultaten van de analyse van het materiaal waren teleurstellend. Tegen de verwachting in resulteerde het verschil in onderwijsprogramma's niet in verschillen op schrijfprestatie- of psychologische variabelen. Leerlingen uit de experimentele groep schreven geen duidelijk betere opstellen, waren niet minder schrijfangstig en stonden niet positiever tegenover beoordeeld worden en schrijven dan leerlingen uit de controlegroep. Op de schrijfprocesvariabelen werden daarentegen wél verschillen geconstateerd. Bij de leerlingen uit de experimentele groep nam het aantal zelfinstructies toe, bij de leerlingen uit de controlegroep nam het aantal zelfinstructies af; in de controleconditie nam het aantal keren toe dat leerlingen zich keuzen voorlegden op het punt van formuleren, in de experimentele conditie nam dat aantal juist af. Leerlingen uit de beide condities bleken bij de natoets minder vaak nieuwe ideeën te produceren, méér te structureren en vaker een woord of zin te veranderen. Het volgen van de cursus bleek al met al van enige invloed op het schrijfproces van de leerlingen. Rijlaarsdam wijst er op dat er weliswaar geen kwaliteitsverschillen tussen de opstellen van leerlingen uit beide condities gevonden werden, maar dat er wel sprake was van een vrij sterke vooruitgang van de stelvaardigheid van de leerlingen in beide condities; de kwaliteit van de betogen steeg in gelijke mate.
De conclusie van dit onderzoek luidt dat een didactiek van leerlingrespons nauwelijks effecten heeft op (aspecten van) de schrijfvaardigheid van leerlingen: een didactische aanpak waarbij alleen de docent commentaar geeft kan even effectief zijn.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1969 tot en met begin 1997 zijn geschreven door drs. Mariëtte Hoogeveen en dr. Helge Bonset en zijn eerder in boekvorm verschenen ('Het Schoolvak Nederlands Onderzocht', Garant, 1998).
Publicatie
Dit onderzoek wordt ook besproken in het boek Het onderzoek Nederlands opnieuw onderzocht (Slo, 2008), waarin een stand van zaken wordt gegeven van het onderzoek uit de voorbije 10 jaar.
» Download dit boek.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties