Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
woordenschat
leesonderwijs
Thema
beoordelingsinstrumenten
beginsituatie
Land
Nederland
Onderwijstype
basisonderwijs
Leeftijd
5-6 jaar (groep 2 / 3e kleuterklas)
6-7 jaar (groep 3 / 1e leerjaar)
7-8 jaar (groep 4 / 2e leerjaar)
Respondenten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
201-300
Methode van dataverzameling
toetsen/tests
(Proefschrift)
Verhagen, W.
2010
» Download de volledige tekst van deze publicatie.
Zie ook Verhagen e.a. (2010) voor een andere publicatie over dit onderzoek.
Vraagstelling
Volgende onderzoeksvragen zijn onderzocht:
- Wat is het effect van benoemsnelheid
en fonemisch bewustzijn op latere woordherkenning en woordspelling? Het fonemisch bewustzijn laat toe om
verschillende klanken in een woord te kunnen herkennen. Benoemsnelheid is de snelheid waarmee men visuele symbolen kan benoemen zoals
letters, cijfers, plaatjes en kleuren.
- Hoe verloopt de ontwikkeling van benoemsnelheid en fonemisch bewustzijn van het begin van groep 2 tot en met de tweede maand van groep 3? Om de ontwikkeling van deze vaardigheden te kunnen beschrijven is de ontwikkeling in twee opeenvolgende perioden vergeleken, namelijk periode 1 (van november tot april groep 2) en periode 2 (van april groep 2 tot en met oktober groep 3).
Om de eerste onderzoeksvraag te beantwoorden zijn verschillende deelstudies uitgevoerd.
- In de eerste deelstudie werdt nagegaan wat de effecten zijn van
benoemsnelheid, fonemische analyse (het
kunnen analyseren van de klanken in een woord) en fonemische
synthese (het kunnen samenvoegen van klanken tot een woord) op de
snelheid en nauwkeurigheid van woordherkenning aan het einde van groep 3.
Verder werd ook de stabiliteit vastgesteld van benoemsnelheid, fonemische analyse en synthese gedurende de periode van het begin van groep 2 tot en met het begin van groep 3.
- In de tweede deelstudie zijn de effecten van
benoemsnelheid en fonemisch bewustzijn op de snelheid en nauwkeurigheid van
woordherkenning vastgesteld aan het einde van groep 3 en aan het einde van
groep 4.
- In de derde deelstudie zijn de effecten
onderzocht van benoemsnelheid en fonemisch bewustzijn aan het begin en einde
van zowel groep 2 als groep 3 op de snelheid en nauwkeurigheid van
woordherkenning aan het einde van groep 4.
- In de vierde deelstudie is het effect nagegaan van de benoemsnelheid en het fonemisch bewustzijn aan het begin en einde van zowel groep 2 als groep 3 op de nauwkeurigheid van woordspelling aan het begin en einde van groep 3 en het einde van groep 4.
Conclusie
- Benoemsnelheid
voorspelt in de deelstudies altijd de snelheid en de nauwkeurigheid van
woordherkenning. Fonemisch bewustzijn voorspelt nooit de snelheid van
woordherkenning en slechts op enkele meetmomenten de nauwkeurigheid van
woordherkenning.
Fonemisch bewustzijn voorspelt, net als benoemsnelheid, wel altijd de nauwkeurigheid van woordspelling en domineert benoemsnelheid aan het begin van groep 3.
Benoemsnelheid blijkt een zeer stabiele factor te zijn in de periode van het begin van groep 2 tot en met het begin van groep 3. Dit geldt in wat mindere mate voor fonemische analyse en synthese.
De resultaten van de deelstudies bevestigen en benadrukken het belang van benoemsnelheid voor het voorspellen van woordherkenning in groep 3 en 4 in relatief consistente orthografieën (woorden met redelijk eenduidige spellingswijzen). Fonologische vaardigheden (fonemisch bewustzijn, fonemische analyse en synthese) spelen een iets kleinere rol in het voorspellen van woordherkenning in groep 3 en 4.
- De
benoemsnelheid van letters en cijfers neemt significant en even snel toe in de
perioden 1 en 2. Meer ervaring in het benoemen van letters en cijfers in de
laatste twee maanden van periode 2 verhoogt de toename van benoemsnelheid niet in
vergelijking met die in periode 1. Nadat kinderen de drie tot vijf meest
bekende letters (o, s, m, p, k) en cijfers (1, 2, 3, 4, 5) leren benoemen, lijkt de toename van
benoemsnelheid van letters en cijfers daarna vooral een kwestie van rijping.
De benoemsnelheid van kleuren en plaatjes ontwikkelt zich niet in periode 1 maar wel in periode 2. De auteur suggereert dat het automatiseren van het benoemen van enkelvoudige letters en cijfers mogelijk eerder begint dan het automatiseren van kleuren en plaatjes van objecten, omdat de eerste deel uitmaken van kleinere groepen eenduidigere tekens.
De onderzoeksresultaten hebben geleid tot de ontwikkeling van het diagnostisch programma 'Toetspakket voor beginnende geletterdheid' voor groep 1, 2 en begin groep 3. Hiermee kunnen leraren fonemisch bewustzijn, benoemsnelheid, letterkennis en woordenschat herhaaldelijk toetsen of het effect van remediëring evalueren.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit 2010 zijn geschreven door Goedele Verhaeghe, Hilde Van Keer en Johan van Braak. De eindredactie is uitgevoerd door Hilde Van Keer en Johan van Braak.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties