Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
leesonderwijs
» technisch lezen
Doelgroep
leerlingen met dyslexie
NT1-leerlingen
Thema
evaluatie van onderwijsopbrengsten
Land
Nederland
Onderwijstype
basisonderwijs
Leeftijd
7-8 jaar (groep 4 / 2e leerjaar)
8-9 jaar (groep 5 / 3e leerjaar)
9-10 jaar (groep 6 / 4e leerjaar)
Respondenten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
61-100
Methode van dataverzameling
toetsen/tests
Effects of letter length, phoneme length and digraph presence
Marinus, E. & P.F. de Jong
2010
p. 1259-1271
in: Cortex, jrg. 46 , nr. 10
» De volledige tekst van deze publicatie: na te lezen in het online archief (voor abonnementshouders)
Vraagstelling
In dit onderzoek zijn de leesprestaties van drie groepen kinderen nagegaan (dyslectische kinderen uit
groep 6 en kinderen zonder leesproblemen uit groep 6 en uit groep 4). Daarbij
zijn verschillen onderzocht in de correctheid en de reactietijd bij het lezen van
woorden en pseudowoorden (betekenisloze klankreeksen die in
meerdere of mindere mate op echte woorden lijken) met en zonder digrafen (een digraaf is een combinatie van
twee letters die samen één klank vormen, zoals ch, oe, ie...).
De volgende zaken zijn onderzocht:
- de invloed van woordlengte en digrafen op het lezen van (pseudo)woorden door dyslectische, normale en jonge lezers.
- (verschillen in) de spreiding van scores binnen de groepen van dyslectische, normale en jonge lezers.
Daarmee tracht dit onderzoek inzicht te geven in het leesproces van kinderen. In het leesproces moet de lezer verschillende afzonderlijke letters samenvoegen tot een geheel. In deze studie is gekeken in welke mate volgende kenmerken hierbij een rol spelen:
- de woordlengte (het aantal letters in een woord),
- de foneemlengte (het aantal klanken in een woord; een woord met vijf letters en een digraaf kan dezelfde foneemlengte hebben als een woord van drie letters zonder digraaf),
- de aanwezigheid van digrafen.
Conclusie
- Dyslectische en jonge
lezers ondervinden een grotere invloed van de woordlengte dan normale lezers en
doen er dus langer over om de verschillende letters als één woord te lezen. Dit
wijst erop dat deze lezers meer letter-per-letter lezen.
Deze kinderen zijn wel sneller in het lezen van (pseudo)woorden met een digraaf dan (pseudo)woorden zonder digraaf met hetzelfde aantal letters. Dit resultaat gaat tegen de verwachtingen in, aangezien digrafen tot nog meer vertraging zouden leiden door het moeten samenvoegen van afzonderlijke letters.
Bij normale lezers is geen verschil vastgesteld als gevolg van het al dan niet opnemen van digrafen bij (pseudo)woorden van een zelfde lengte.
Bij het lezen van pseudowoorden blijkt er voor alle groepen een effect te zijn van zowel de foneemlengte (hoe langer het pseudowoord, hoe trager het lezen) als de aanwezigheid van digrafen.
- De verschillen binnen de groep van de dyslectische kinderen waren groter dan de verschillen binnen de groepen normale en jonge lezers. Vooral de verschillen in variatie voor het lezen van korte woorden waren opvallend: dyslectische lezers hebben moeite met het lezen van lange én korte woorden (grote spreiding in scores); daarentegen hebben jonge lezers deze vaardigheid in het lezen van korte woorden wel al verworven (kleine spreiding), maar nog niet voor lange woorden (grote spreiding).
Methode
Drie groepen van 24 kinderen
tussen 7 en 10 jaar zijn in deze studie bevraagd. Daarbij werden dyslectische
lezers uit groep 6 en normale lezers uit groep 6 en 4 gevraagd om 210 woorden
en pseudowoorden hardop te lezen. Deze woorden verschilden in woordlengte (3
tot 5 letters) en in het al dan niet bevatten van digrafen.
De ene helft van de kinderen kreeg eerst een blok van 105 woorden en vervolgens van 105 pseudowoorden voorgelegd. Bij de andere helft was dit omgekeerd. Korte pauzes werden voorzien. De woorden werden op een computerscherm getoond. De reactietijd van ieder antwoord werd gemeten en alle uitspraken werden opgenomen.
Om zicht te krijgen op de achtergrondkenmerken van de kinderen werd gepeild naar hun leesvaardigheid (Een-Minuut-Test), hun woordenschat (subtest uit de intelligentietest RAKIT) en hun non-verbaal redeneervermogen (Raven-test).
Meerniveau-analyses werden uitgevoerd
om de data te analyseren. In de modellen werd steeds gecontroleerd voor de
invloed van de woordfrequentie (het
aantal keren dat een woord in een taal voorkomt) en de klankverwantschap (de mate waarin woorden met andere woorden in klank verwant zijn;
bv. 'kat' is nauwer verwant dan 'wolf' vermits er meer woorden zijn die
gelijkaardig klinken als 'kat', zoals 'rat, pad, mat'...).
De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit 2010 zijn geschreven door Goedele Verhaeghe, Hilde Van Keer en Johan van Braak. De eindredactie is uitgevoerd door Hilde Van Keer en Johan van Braak.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties