Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
domeinoverschrijdend
leesonderwijs
Doelgroep
overige doelgroepen
NT1-leerlingen
Thema
beginsituatie
» leerlingkenmerken
evaluatie van onderwijsopbrengsten
Land
Nederland
Onderwijstype
basisonderwijs
Leeftijd
7-8 jaar (groep 4 / 2e leerjaar)
8-9 jaar (groep 5 / 3e leerjaar)
9-10 jaar (groep 6 / 4e leerjaar)
10-11 jaar (groep 7 / 5e leerjaar)
11-12 jaar (groep 8 / 6e leerjaar)
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)
Respondenten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
101-200
Methode van dataverzameling
taalvaardigheidstaken
toetsen/tests
A comparison between deaf and hearing children
Ormel, E.A., M.A.R. Gijsel, D. Hermans, A.M.T. Bosman, H. Knoors & L. Verhoeven
2010
p. 347-360
in: Journal of Communication Disorders, jrg. 43
» De volledige tekst van deze publicatie: na te lezen in het online archief (voor abonnementshouders)
Vraagstelling
In deze studie is de rol van semantische kennis (kennis van de betekenis
van woorden) nagegaan bij dove en horende kinderen die leren lezen. Dove
kinderen kunnen minder goed lezen omdat ze tijdens het lezen slechts in
beperkte mate een beroep kunnen doen op kennis van de klanken van woorden. Wel
kunnen zij terugvallen op hun semantische kennis. Een belangrijk aspect van
deze semantische kennis is de mate waarin kinderen betekenissen kunnen
categoriseren.
In dit onderzoek is het niveau van het categoriseren van betekenissen bij dove en horende kinderen onderzocht bij geschreven woorden en afbeeldingen. In een eerste experiment is gekeken naar de vaardigheid in het categoriseren van eenheden van een zelfde niveau (bv. bijen en vliegen zijn insecten), terwijl in het tweede experiment gevraagd is te categoriseren volgens ondergeschikte en bovengeschikte relaties (bv. een bij is een insect). In de experimenten werd een woord of een afbeelding (enkel in experiment 1) getoond en moest de bijbehorende afbeelding uit een reeks gekozen worden.
Volgende onderzoeksvragen zijn nagegaan in experiment 1:
- Verschillen de dove kinderen van de horende kinderen in het categoriseren van betekenissen? Deze vraag is onderzocht voor de verschillende leeftijdsgroepen (groep 5/6 en groep 7/8) en de verschillende condities (met geschreven woorden of afbeeldingen).
- Zijn er binnen de groep van dove kinderen verschillen in de vaardigheid om betekenissen te categoriseren? Hierbij is gekeken naar verschillen tussen de leeftijdsgroepen (groep 5/6 en groep 7/8) en tussen de verschillende condities (geschreven woorden of afbeeldingen).
Vervolgens zijn de zelfde onderzoeksvragen nagegaan in experiment 2, maar dan met betrekking tot ondergeschikte en bovengeschikte relaties:
- Verschillen dove en horende kinderen in het categoriseren van betekenissen van geschreven woorden?
- Zijn er verschillen tussen dove kinderen uit verschillende leeftijdsgroepen in het categoriseren van betekenissen?
Conclusie
Uit de resultaten kunnen volgende
conclusies getrokken worden:
- Horende kinderen scoren hoger dan dove kinderen voor zowel de test met geschreven woorden als de test met afbeeldingen. Vooral bij de geschreven tekst zijn de scores van de horende kinderen hoger dan die van de dove kinderen.
- De dove kinderen scoren beter in de conditie met afbeeldingen dan in de conditie met geschreven woorden. De groei in het categoriseren van betekenissen over de verschillende groepen in de lagere school is beperkt.
- Ook bij het tweede experiment ondervinden dove kinderen meer moeilijkheden dan horende kinderen bij het categoriseren van geschreven woorden.
- Er zijn bijna geen verschillen tussen leeftijdsgroepen bij dove kinderen in het categoriseren van betekenissen.
Deze bevindingen tonen aan dat het categoriseren van betekenissen bij dove kinderen minder ontwikkeld is dan bij horende kinderen. Verder leiden de auteurs hieruit af dat het semantisch niveau van dove kinderen onderschat kan worden wanneer enkel testen met geschreven woorden worden gebruikt, aangezien hun scores bij testen met afbeeldingen hoger liggen.
Verder is er bij de dove kinderen in de conditie met geschreven woorden een samenhang merkbaar tussen het niveau van categoriseren en het niveau in gebarentaal (woordenschat en begrip). Dit pleit voor het bevorderen van woordenschat in gebarentaal en voor expliciete instructie in betekenisrelaties tussen begrippen.
Methode
In deze studie namen 59 dove en 88
horende kinderen deel uit de groepen 5 tot 8. De dove kinderen volgden allen
les in scholen waar tweetalig onderwijs gegeven werd: Nederlandse gebarentaal en geschreven
Nederlands.
In de experimenten werden de kinderen afzonderlijk getest aan de computer. Daarbij werd een woord of een afbeelding getoond en werden de kinderen gevraagd om uit een reeks afbeeldingen het bijpassende begrip te kiezen. In experiment 1 werd bijvoorbeeld een appel getoond en moest de leerling daarna de kers kiezen, omdat beide tot de categorie van fruit behoren. In het tweede experiment werden enkel woorden van categorieën getoond en moesten de kinderen erna de juiste afbeelding kiezen. Wanneer bijvoorbeeld het woord "speelgoed" verscheen, moesten ze de bal aanduiden.
In de test voor gebarentaal werd eerst een gebaar getoond en moest het kind de afbeelding zoeken met de overeenkomstige betekenis. Daarnaast werd hen een verhaal getoond in gebarentaal en werd hen gevraagd om te antwoorden op vragen over dit verhaal.
Door middel van variantieanalyses
werden verschillen nagegaan tussen de verschillende groepen in het correct
antwoorden op de vragen.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit 2010 zijn geschreven door Goedele Verhaeghe, Hilde Van Keer en Johan van Braak. De eindredactie is uitgevoerd door Hilde Van Keer en Johan van Braak.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties