Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
literatuuronderwijs
» jeugdliteratuur
» kinderboeken
leesonderwijs
» leesbevordering
Doelgroep
NT1-leerlingen
Thema
beginsituatie
» leerlingkenmerken
evaluatie van onderwijsopbrengsten
Land
Nederland
Onderwijstype
basisonderwijs
Leeftijd
6-7 jaar (groep 3 / 1e leerjaar)
7-8 jaar (groep 4 / 2e leerjaar)
8-9 jaar (groep 5 / 3e leerjaar)
9-10 jaar (groep 6 / 4e leerjaar)
10-11 jaar (groep 7 / 5e leerjaar)
11-12 jaar (groep 8 / 6e leerjaar)
Tekstsoort
informatieve teksten
verhalende teksten
Respondenten
leerkrachten/lesgevers
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
501 en meer
Methode van dataverzameling
toetsen/tests
schriftelijke enquête
interviews
Verslag van een kwantitatief onderzoek naar leesvoorkeuren van leerlingen en leerkrachten in het basisonderwijs
Roi, T. La
2010
p. 1-114
in: Stichting Lezen
» De volledige tekst van deze publicatie: kan gedownload worden bij de uitgever
Vraagstelling
Dit onderzoek is uitgevoerd door de
Stichting Lezen (Nederland) met als doel inzicht te verwerven in de
leesvoorkeur van leerlingen en leerkrachten in het basisonderwijs. Dit inzicht
moet leiden tot maatregelen om de literaire competentie van leerlingen in groep
3 tot en met 8 van het basisonderwijs te bevorderen.
Volgende centrale onderzoeksvraag is nagegaan: "Welke leesvoorkeur hebben leerlingen en leerkrachten in het basisonderwijs?" Deze vraag is verder verfijnd tot volgende subvragen:
- Welke boeken lezen kinderen in welke groepen?
- Welke genrevoorkeuren hebben kinderen in welke groepen?
- Is er een verschil tussen de leesvoorkeuren van kinderen die goed lezen, kinderen die moeite hebben met lezen en kinderen die op gemiddeld niveau lezen (vastgesteld aan de hand van het AVI-niveau van de leerling)?
- Is er een verschil tussen de leesvoorkeuren van kinderen met een hoge, een gemiddelde en een lage score op leesattitude?
- Welke boeken worden door de leerkrachten in welke groepen voorgelezen?
- Hoe verhoudt de kwalitatieve moeilijkheidsgraad van de voorleesboeken zich tot de kwalitatieve moeilijkheidsgraad van de boeken die de kinderen zelf lezen?
Conclusie
- Naargelang de kinderen in
een andere groep zitten, verkiezen ze andere boeken en andere auteurs. Oudere
kinderen kunnen ook meer titels van boeken benoemen en meer werken van een
auteur opnoemen. Daarnaast neemt het lezen van serieboeken toe met de leeftijd
van de kinderen. Verder zijn verschillen waargenomen tussen jongens en meisjes
in hun voorkeur voor boeken en auteurs. Deze verschillen nemen toe met de
leeftijd.
- De onderwerpkeuze van de
leerlingen verschilt naar geslacht en naar groep. Bijvoorbeeld: jongens in
groep 3 en 4 kiezen vaker voor griezelen en voetbal, terwijl meisjes zich meer
met sprookjes en vriendinnenclubjes bezighouden. Jongens in groep 5 en 6 kiezen
vooral voor griezel- en avonturenboeken, voetbal en fantasie, terwijl meisjes
vaker boeken kiezen waarin dieren een hoofdrol spelen en voor realistische
verhalen over vriendschap en verliefdheid. Daarnaast neemt het lezen van strips
af naarmate de leerlingen ouder worden.
- In groep 3 en 4 komt het
AVI-niveau van de leerling overeen met het AVI-niveau van de gekozen boeken.
Vanaf groep 5 lijkt de keuze van boeken minder direct afhankelijk te zijn van
het AVI-niveau van de leerling. Bij bepaalde populaire boeken (bv. Harry
Potter), gericht op AVI-niveau M7, blijkt dat deze gelezen worden door
leerlingen met AVI-niveau M3 tot en met Plus. De auteurs leiden hieruit af dat
vanaf een bepaald niveau van technische leesvaardigheid het AVI-niveau minder
van belang is en dat persoonlijke interesses ervoor zorgen dat eventuele
technische moeilijkheden worden overwonnen.
- Uit de analyses blijkt
dat de score op leesattitude minder bepalend is voor de leesvoorkeur dan het
geslacht van de leerlingen of de groep waarvan zij deel uitmaken. Over het
algemeen zijn er geen grote onderlinge verschillen zichtbaar in de
leesattitudescore waar het de populairste auteurs betreft.
- Bij de leerkrachten van
de verschillende groepen zijn niet alleen verschillen merkbaar in auteurs en
titels, maar ook in het aantal, de variatie en de aard van de boeken. De
leerkrachten van groep 1 en 2 hebben bijvoorbeeld de meeste titels genoemd en
bij de leerkrachten van groep 3 en 4 is het aandeel prentenboeken duidelijk
lager dan bij de leerkrachten van de kleuters.
- Op deze vraag hebben de auteurs vooralsnog geen antwoord kunnen formuleren door beperkingen in de huidige gegevensverzameling.
Methode
In het onderzoek zijn de
leesvoorkeuren geïnventariseerd van 2035 leerlingen van groep 3 tot en met 8.
Daarnaast zijn de titels opgevraagd van boeken die door leerkrachten voorgelezen worden in groep 1 tot en met 8. Aanvullend hebben de leerlingen een
vragenlijst ingevuld over hun leesattitude en zijn aan de leerkrachten vragen
gesteld over hun kennis van het aanbod van kinder- en jeugdliteratuur. De
resultaten werden verzameld door studenten van vier pedagogische academies voor
het basisonderwijs in Nederland (pabo).
De vragenlijst voor de leerlingen bestond uit twintig vragen, aan de hand waarvan de leesattitude is bepaald. Hierbij is gebruik gemaakt van een gevalideerde vragenset, gericht op de dimensies 'affectie', 'gedrag' en 'cognitie'. De pabo-studenten hebben in het scoreformulier de opgetelde scores op de afzonderlijke dimensies en een totaalscore voor leesattitude opgenomen. Daarnaast is aan de leerlingen gevraagd drie boeken te noemen die zij het leukst vinden om te lezen. Ook werd per kind de groep, de leeftijd, het geslacht en het AVI-niveau geregistreerd.
Aan de leerkrachten is gevraagd welke (prenten)boeken zijn voorgelezen in groep 1 tot en met 8 in het schooljaar 2009-2010; er konden maximaal tien titels worden ingevuld. Ook is gevraagd naar het aantal tijdens de opleiding door hen gelezen jeugdboeken, naar het huidige aantal door hen gelezen jeugdboeken per jaar en naar hun kennis op het gebied van het huidige aanbod van jeugdliteratuur.
Een beschrijvende analyse van de
attitudescores is uitgevoerd om te komen tot een indeling in hoge attitude (25% hoogste scorers),
gemiddelde attitude (tussen 25% hoogste en 25% laagste scorers) en lage attitude (25%
laagste scorers). Daarnaast is een uitgebreide beschrijvende analyse gemaakt.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit 2010 zijn geschreven door Goedele Verhaeghe, Hilde Van Keer en Johan van Braak. De eindredactie is uitgevoerd door Hilde Van Keer en Johan van Braak.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties