taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2009 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
literatuuronderwijs
» jeugdliteratuur
» kinderboeken
leesonderwijs
» leesbevordering

Doelgroep
NT1-leerlingen

Thema
beginsituatie
» leerlingkenmerken
evaluatie van onderwijsopbrengsten

Land
Nederland

Onderwijstype
basisonderwijs

Leeftijd
6-7 jaar (groep 3 / 1e leerjaar)
7-8 jaar (groep 4 / 2e leerjaar)
8-9 jaar (groep 5 / 3e leerjaar)
9-10 jaar (groep 6 / 4e leerjaar)
10-11 jaar (groep 7 / 5e leerjaar)
11-12 jaar (groep 8 / 6e leerjaar)

Tekstsoort
informatieve teksten
verhalende teksten

Respondenten
leerkrachten/lesgevers
leerlingen/cursisten

Aantal respondenten
501 en meer

Methode van dataverzameling
toetsen/tests
schriftelijke enquête
interviews

Mijn leukste, spannendste, coolste, vetste... boek!
Verslag van een kwantitatief onderzoek naar leesvoorkeuren van leerlingen en leerkrachten in het basisonderwijs
Roi, T. La
2010
p. 1-114
in: Stichting Lezen


» De volledige tekst van deze publicatie: kan gedownload worden bij de uitgever


Vraagstelling
Dit onderzoek is uitgevoerd door de Stichting Lezen (Nederland) met als doel inzicht te verwerven in de leesvoorkeur van leerlingen en leerkrachten in het basisonderwijs. Dit inzicht moet leiden tot maatregelen om de literaire competentie van leerlingen in groep 3 tot en met 8 van het basisonderwijs te bevorderen.

Volgende centrale onderzoeksvraag is nagegaan: "Welke leesvoorkeur hebben leerlingen en leerkrachten in het basisonderwijs?" Deze vraag is verder verfijnd tot volgende subvragen:

  1. Welke boeken lezen kinderen in welke groepen?
  2. Welke genrevoorkeuren hebben kinderen in welke groepen?
  3. Is er een verschil tussen de leesvoorkeuren van kinderen die goed lezen, kinderen die moeite hebben met lezen en kinderen die op gemiddeld niveau lezen (vastgesteld aan de hand van het AVI-niveau van de leerling)?
  4. Is er een verschil tussen de leesvoorkeuren van kinderen met een hoge, een gemiddelde en een lage score op leesattitude?
  5. Welke boeken worden door de leerkrachten in welke groepen voorgelezen?
  6. Hoe verhoudt de kwalitatieve moeilijkheidsgraad van de voorleesboeken zich tot de kwalitatieve moeilijkheidsgraad van de boeken die de kinderen zelf lezen?

Conclusie

  1. Naargelang de kinderen in een andere groep zitten, verkiezen ze andere boeken en andere auteurs. Oudere kinderen kunnen ook meer titels van boeken benoemen en meer werken van een auteur opnoemen. Daarnaast neemt het lezen van serieboeken toe met de leeftijd van de kinderen. Verder zijn verschillen waargenomen tussen jongens en meisjes in hun voorkeur voor boeken en auteurs. Deze verschillen nemen toe met de leeftijd.

  2. De onderwerpkeuze van de leerlingen verschilt naar geslacht en naar groep. Bijvoorbeeld: jongens in groep 3 en 4 kiezen vaker voor griezelen en voetbal, terwijl meisjes zich meer met sprookjes en vriendinnenclubjes bezighouden. Jongens in groep 5 en 6 kiezen vooral voor griezel- en avonturenboeken, voetbal en fantasie, terwijl meisjes vaker boeken kiezen waarin dieren een hoofdrol spelen en voor realistische verhalen over vriendschap en verliefdheid. Daarnaast neemt het lezen van strips af naarmate de leerlingen ouder worden.

  3. In groep 3 en 4 komt het AVI-niveau van de leerling overeen met het AVI-niveau van de gekozen boeken. Vanaf groep 5 lijkt de keuze van boeken minder direct afhankelijk te zijn van het AVI-niveau van de leerling. Bij bepaalde populaire boeken (bv. Harry Potter), gericht op AVI-niveau M7, blijkt dat deze gelezen worden door leerlingen met AVI-niveau M3 tot en met Plus. De auteurs leiden hieruit af dat vanaf een bepaald niveau van technische leesvaardigheid het AVI-niveau minder van belang is en dat persoonlijke interesses ervoor zorgen dat eventuele technische moeilijkheden worden overwonnen.

  4. Uit de analyses blijkt dat de score op leesattitude minder bepalend is voor de leesvoorkeur dan het geslacht van de leerlingen of de groep waarvan zij deel uitmaken. Over het algemeen zijn er geen grote onderlinge verschillen zichtbaar in de leesattitudescore waar het de populairste auteurs betreft.

  5. Bij de leerkrachten van de verschillende groepen zijn niet alleen verschillen merkbaar in auteurs en titels, maar ook in het aantal, de variatie en de aard van de boeken. De leerkrachten van groep 1 en 2 hebben bijvoorbeeld de meeste titels genoemd en bij de leerkrachten van groep 3 en 4 is het aandeel prentenboeken duidelijk lager dan bij de leerkrachten van de kleuters.

  6. Op deze vraag hebben de auteurs vooralsnog geen antwoord kunnen formuleren door beperkingen in de huidige gegevensverzameling.


Methode

In het onderzoek zijn de leesvoorkeuren geïnventariseerd van 2035 leerlingen van groep 3 tot en met 8. Daarnaast zijn de titels opgevraagd van boeken die door leerkrachten voorgelezen worden in groep 1 tot en met 8. Aanvullend hebben de leerlingen een vragenlijst ingevuld over hun leesattitude en zijn aan de leerkrachten vragen gesteld over hun kennis van het aanbod van kinder- en jeugdliteratuur. De resultaten werden verzameld door studenten van vier pedagogische academies voor het basisonderwijs in Nederland (pabo).

De vragenlijst voor de leerlingen bestond uit twintig vragen, aan de hand waarvan de leesattitude is bepaald. Hierbij is gebruik gemaakt van een gevalideerde vragenset, gericht op de dimensies 'affectie', 'gedrag' en 'cognitie'. De pabo-studenten hebben in het scoreformulier de opgetelde scores op de afzonderlijke dimensies en een totaalscore voor leesattitude opgenomen. Daarnaast is aan de leerlingen gevraagd drie boeken te noemen die zij het leukst vinden om te lezen. Ook werd per kind de groep, de leeftijd, het geslacht en het AVI-niveau geregistreerd.

Aan de leerkrachten is gevraagd welke (prenten)boeken zijn voorgelezen in groep 1 tot en met 8 in het schooljaar 2009-2010; er konden maximaal tien titels worden ingevuld. Ook is gevraagd naar het aantal tijdens de opleiding door hen gelezen jeugdboeken, naar het huidige aantal door hen gelezen jeugdboeken per jaar en naar hun kennis op het gebied van het huidige aanbod van jeugdliteratuur.

Een beschrijvende analyse van de attitudescores is uitgevoerd om te komen tot een indeling in hoge attitude (25% hoogste scorers), gemiddelde attitude (tussen 25% hoogste en 25% laagste scorers) en lage attitude (25% laagste scorers). Daarnaast is een uitgebreide beschrijvende analyse gemaakt.

De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit 2010 zijn geschreven door Goedele Verhaeghe, Hilde Van Keer en Johan van Braak. De eindredactie is uitgevoerd door Hilde Van Keer en Johan van Braak.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties