Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
leesonderwijs
» technisch lezen
Doelgroep
leerlingen met dyslexie
NT1-leerlingen
Thema
onderwijsleeractiviteiten
» effectonderzoek
Land
Nederland
Onderwijstype
basisonderwijs
Leeftijd
7-8 jaar (groep 4 / 2e leerjaar)
8-9 jaar (groep 5 / 3e leerjaar)
Respondenten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
101-200
Methode van dataverzameling
toetsen/tests
Scheltinga, F., A. van der Leij & C. Struiksma
2010
p. 212-228
in: Journal of Learning Disabilities, jrg. 43 , nr. 3
» De volledige tekst van deze publicatie: na te lezen in het online archief (voor abonnementshouders)
Vraagstelling
Deze studie vertrekt van het
belang van een vroegtijdige opvolging van leesvlotheid:
het accuraat, snel en moeiteloos herkennen en lezen van woorden. De onderzoekers gaan ervan uit dat kinderen met lage leesscores risico lopen op leer- en leesmoeilijkheden. Daarom hebben ze een interventie
opgezet bij deze subgroep van risicokinderen om leesmoeilijkheden te voorkomen
en aan te pakken en om kinderen met dyslexie of zware leermoeilijkheden op te
sporen.
Volgende onderzoeksvragen zijn nagegaan:
- Wat is de variatie in
uitkomsten van de interventie?
- In welke mate veroorzaken deelvaardigheden met betrekking tot lezen de variatie in uitkomsten van de interventie? De onderzochte deelvaardigheden zijn
- het snel kunnen benoemen van letters,
- het benoemen van letterklanken,
- het geheugen voor klanken,
- de kennis van spellen.
Conclusie
- De
kinderen zijn aan het begin en het einde van de interventie getest. Bij ruim
een derde van de kinderen is de leesscore opmerkelijk verbeterd na de
interventie. De auteurs geven aan dat de uitblijvende toename in leesscores bij
de andere kinderen aantoont dat het moeilijk is de leesvlotheid van zwakke
lezers aan te pakken.
- Enkel het snel kunnen benoemen van letters blijkt te voorspellen of de interventie een impact heeft op de leesvlotheid van zwakke lezers. Uit eerder onderzoek blijkt ook dat het snel kunnen benoemen van letters van belang is voor het automatiseren van leesprocessen, wat een voorwaarde is om vlot te kunnen lezen.
Methode
In deze studie namen drie cohorten
kinderen deel tijdens drie opeenvolgende jaren. Daarbij werden 122 kinderen
betrokken van gemiddeld acht jaar oud (uit groep 3 en 4). De kinderen die
volgens de Drie Minuten Toets tot de 10% zwakst scorenden behoorden, werden
geselecteerd voor een interventie van in totaal 40 uur die liep over 20 weken doorheen een
schooljaar.
De voor- en nameting bestonden uit een test in het lezen van losse woorden (Drie Minuten Test). Daarnaast werden verschillende testen afgenomen voor het snel kunnen benoemen van letters, het benoemen van letterklanken, het geheugen voor klanken en de kennis van spellen.
Het effect van de interventie werd
uitgedrukt als het verschil tussen de voor- en nameting. Correlaties werden
berekend en meerniveau-regressieanalyses werden uitgevoerd.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit 2010 zijn geschreven door Goedele Verhaeghe, Hilde Van Keer en Johan van Braak. De eindredactie is uitgevoerd door Hilde Van Keer en Johan van Braak.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties