Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
leesonderwijs
» technisch lezen
Thema
onderwijsleeractiviteiten
» effectonderzoek
Land
Nederland
Onderwijstype
basisonderwijs
Leeftijd
6-7 jaar (groep 3 / 1e leerjaar)
7-8 jaar (groep 4 / 2e leerjaar)
8-9 jaar (groep 5 / 3e leerjaar)
9-10 jaar (groep 6 / 4e leerjaar)
Respondenten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
501 en meer
Methode van dataverzameling
toetsen/tests
Vaessen, A., D. Bertrand, D. Tóth, V. Csépe, L. Faísca, A. Reis & L. Blomert
2010
p. 827-842
in: Journal of Educational Psychology, jrg. 102 , nr. 4
Zie ook Vaessen & Blomert (2010) en Vaessen (2010) voor andere publicaties over dit onderzoek.
Vraagstelling
In dit onderzoek is beschreven in
welke mate de 'regelmatigheid' van een spellingsysteem
van een taal een invloed uitoefent op het vlot leren lezen. Bij een
onregelmatig spellingsysteem wordt een zelfde letter in het ene woord anders
uitgesproken dan in het andere, wat het leren lezen moeilijker maakt. In de
onderzoeksliteratuur zijn tegenstrijdige resultaten gevonden over de invloed van
spellingsystemen op het vlot leren lezen. Ook ontbreekt informatie over de vraag of de
invloed van het spellingssysteem verandert wanneer de leesvaardigheid van kinderen zich ontwikkelt.
In deze studie is een antwoord gezocht op de vraag hoe de cognitieve vaardigheden evolueren die nodig zijn om vlot te kunnen lezen in drie spellingsystemen (Hongaars, Nederlands en Portugees). De vier onderzochte vaardigheden omvatten:
- het klankbewustzijn (het besef dat een woord uit klanken bestaat),
- het snel kunnen benoemen van letters,
- het kunnen verbinden van letters aan klanken,
- het functioneren van het verbale werkgeheugen (het kunnen onthouden van klanken).
Conclusie
De resultaten tonen een verandering
aan van de impact van klankbewustzijn (deze impact neemt af) en het snel kunnen
benoemen van letters (deze impact neemt toe), wanneer de leesvlotheid toeneemt.
Verder stellen de auteurs op basis van deze studie dat de cognitieve
ontwikkeling van leesvaardigheden universeel is. Verschillen in spellingsystemen
leiden niet tot andere cognitieve processen, maar wel tot een andere snelheid
waarmee het vlot leren lezen verworven wordt.
Methode
In Hongarije, Nederland en Portugal
zijn nationaal gestandaardiseerde testen afgenomen van 2244 leerlingen uit
groep 3 tot 6.
Al deze kinderen legden individueel een leestest af waarbij ze woorden hardop moesten voorlezen (vaak voorkomende en weinig voorkomende woorden en pseudowoorden). Zowel de accuraatheid als de leessnelheid werden gemeten. De vier cognitieve variabelen werden als volgt gemeten:
- Klankbewustzijn:
een pseudowoord met extra letters werd getoond. Het kind kreeg het pseudowoord te horen en moest de overtollige letters schrappen.
- Het
snel kunnen benoemen van letters:
letters, cijfers en afbeeldingen werden getoond en het kind moest die zo snel mogelijk benoemen.
- Het
kunnen linken van letters en klanken:
een klank werd afgespeeld en het kind moest uit vier letters de juiste kiezen. Daarnaast werd een klank afgespeeld en een letterreeks getoond en moest het kind aangeven of deze overeenkwamen.
- Het
functioneren van het verbale werkgeheugen:
een reeks klanken en lettergrepen werd afgespeeld en het kind moest dit in dezelfde volgorde herhalen.
Regressieanalyses werden uitgevoerd
en scores werden gestandaardiseerd om onderling te kunnen vergelijken.
Daarnaast werd een exploratieve factoranalyse uitgevoerd om de cognitieve
variabelen te beschouwen als indicatoren voor de latente variabele
'leesvlotheid'.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit 2010 zijn geschreven door Goedele Verhaeghe, Hilde Van Keer en Johan van Braak. De eindredactie is uitgevoerd door Hilde Van Keer en Johan van Braak.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties