Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
schrijfonderwijs
» spelling
leesonderwijs
» technisch lezen
Doelgroep
leerlingen met dyslexie
NT1-leerlingen
Thema
beginsituatie
» leerlingkenmerken
Land
België
Onderwijstype
basisonderwijs
Leeftijd
4-5 jaar (groep 1 / 2e kleuterklas)
5-6 jaar (groep 2 / 3e kleuterklas)
6-7 jaar (groep 3 / 1e leerjaar)
Respondenten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
21-40
Methode van dataverzameling
toetsen/tests
Phonological processing in five-to seven-year-old Dutch-speaking children with SLI
Vandewalle, E., B. Boets, P. Ghesquière & I. Zink
2010
p. 58-84
in: Scientific Studies of Reading, jrg. 14 , nr. 1
» De volledige tekst van deze publicatie: na te lezen in het online archief (voor abonnementshouders)
Zie ook Vandewalle, Boets, Ghesquière & Zink (2009) voor een andere publicatie over dit onderzoek (zelfde samenvatting).
Vraagstelling
In dit onderzoek is
nagegaan welke factoren ervoor zorgen dat dat kinderen met specifieke
taalontwikkelingsstoornissen (SLI) dyslexie ontwikkelen. Er is sprake van specifieke taalontwikkelingsstoornissen wanneer een kind problemen heeft met de mondelinge
taalontwikkeling ondanks een gemiddelde of bovengemiddelde intelligentie, een
adequaat gehoor en gezichtsvermogen, en wanneer het geen neurologische, fysieke, emotionele of
sociale problemen ondervindt en voldoende taalaanbod krijgt. Veel kinderen met SLI ontwikkelen
dyslexie, maar het blijft moeilijk te voorspellen welke kinderen met SLI het meeste risico lopen.
In dit longitudinaal onderzoek zijn kinderen uit de derde kleuterklas en het eerste leerjaar met SLI vergeleken met zich normaal ontwikkelende kinderen (controlegroep) voor fonologische vaardigheden, mondelinge taalvaardigheden en (voorbereidende) lees- en spellingvaardigheden.
Volgende onderzoeksvragen zijn gesteld:
- Hebben
kinderen met SLI in de derde kleuterklas meer problemen met fonologisch
bewustzijn, verbaal kortetermijngeheugen en snel benoemen van gekende items dan
normaal ontwikkelende kinderen?
- Hebben
kinderen met SLI op het einde van het eerste leerjaar meer lees- en
spellingproblemen dan normaal ontwikkelende kinderen?
- Wat zijn
de relaties tussen fonologisch bewustzijn, verbaal kortetermijngeheugen,
snel benoemen, mondelinge taalvaardigheden en lees- en spellingvaardigheden bij
kinderen met SLI versus normaal ontwikkelende kinderen?
- Hebben zwakke lezers met SLI meer problemen met fonologisch bewustzijn, verbaal kortetermijngeheugen, snel benoemen en mondelinge taalvaardigheden dan normale lezers met SLI en/of dan normale lezers van de controlegroep?
Conclusie
- Zowel in
de derde kleuterklas als in het eerste leerjaar scoort de SLI-groep lager dan
de controlegroep voor fonologisch bewustzijn, verbaal kortetermijngeheugen en
mondelinge taalvaardigheid. Voor snel benoemen zijn geen significante
verschillen tussen de twee groepen vastgesteld.
- In deze studie zijn er op het einde van het eerste
leerjaar
meer kinderen met SLI die lees- en spellingproblemen hebben, maar niet alle kinderen met SLI
krijgen te kampen met technische lees- en spellingmoeilijkheden.
- De samenhang tussen de gemeten
taalvaardigheden en lees- en spellingscores verschilt voor de SLI-groep van de
normaal ontwikkelende kinderen. Snel benoemen is in beide groepen sterk
gerelateerd aan lezen en spellen.
- De resultaten tonen aan dat in de derde kleuterklas de SLI-groep met lees- en spellingachterstand lager scoort voor snel benoemen dan de SLI-groep met normale lees- en spellingontwikkeling. Hieruit leiden de auteurs af dat snel benoemen, gemeten op kleuterleeftijd, een goede voorspeller is voor dyslexie bij kinderen met SLI. Fonologisch bewustzijn en verbaal kortetermijngeheugen zijn geen goede voorspellers van dyslexie bij kinderen met SLI.
Methode
Aan de studie namen 36
kinderen deel die tussen vier en vijf jaar oud waren op het moment van de
eerste testafnames. De helft waren kinderen met SLI die reeds therapie volgden.
Voor elk kind van de SLI-groep werd een controlekind geselecteerd dat zo goed mogelijk
overeenkwam wat betreft volgende vijf kenmerken: zelfde klas, geslacht,
leeftijd, niet-verbaal IQ en opleidingsniveau van beide ouders.
De testafnames werden gespreid over een periode van twee jaar. Ieder duo van aan elkaar gekoppelde kinderen werd op dezelfde zes dagen (drie in de derde kleuterklas en drie in het eerste leerjaar) op school getest onder dezelfde omstandigheden. De tests werden afgenomen door getrainde logopedisten.
Om het overzicht te bewaren, werden de scores van verschillende variabelen die een zelfde onderliggende vaardigheid meten, samengenomen in één samengestelde score.
- Fonologisch bewustzijn
- Verbaal kortetermijngeheugen
- Snel benoemen: door middel van Rapid Automized Naming (RAN) tasks waarbij kinderen letters, kleuren en afbeeldingen zo snel en correct mogelijk moeten benoemen
- Productieve mondelinge taaltests (productieve woordenschat, woordomschrijving, productieve morfologie en woordvloeiendheid)
- Receptieve mondelinge taaltests (receptieve woordenschat, zins- en tekstbegrip)
- Totale mondelinge taal (een combinatie van productieve en receptieve samengestelde scores)
- Grafeemkennis (grafeemsnelheid en grafeemaccuraatheid)
- Spelling (1 spellingtest)
- Lezen (6 leestesten)
- Samengestelde lees- en spellingscore berekend op basis van alle lees- en spellingtests
Data werden geclusterd
geanalyseerd, waarbij de SLI-groep en de controlegroep op het niveau van de
aan elkaar gekoppelde kinderen met elkaar vergeleken werden. Voor de groepsvergelijkingen
werd gebruik gemaakt van Mixed Model Analyses (MMA). Alle scores werden
gestandaardiseerd ten opzichte van de controlegroep om te kunnen vergelijken.
Correlatiecoëfficiënten werden berekend om de relatie tussen de verschillende
variabelen en de samengestelde scores na te gaan.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit 2010 zijn geschreven door Goedele Verhaeghe, Hilde Van Keer en Johan van Braak. De eindredactie is uitgevoerd door Hilde Van Keer en Johan van Braak.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties