taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2009 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
schrijfonderwijs
» spelling
leesonderwijs
» technisch lezen

Doelgroep
leerlingen met dyslexie
NT1-leerlingen

Thema
beginsituatie
» leerlingkenmerken

Land
België

Onderwijstype
basisonderwijs

Leeftijd
4-5 jaar (groep 1 / 2e kleuterklas)
5-6 jaar (groep 2 / 3e kleuterklas)
6-7 jaar (groep 3 / 1e leerjaar)

Respondenten
leerlingen/cursisten

Aantal respondenten
21-40

Methode van dataverzameling
toetsen/tests

Who is at risk for dyslexia?
Phonological processing in five-to seven-year-old Dutch-speaking children with SLI
Vandewalle, E., B. Boets, P. Ghesquière & I. Zink
2010
p. 58-84
in: Scientific Studies of Reading, jrg. 14 , nr. 1


» De volledige tekst van deze publicatie: na te lezen in het online archief (voor abonnementshouders)


Zie ook Vandewalle, Boets, Ghesquière & Zink (2009) voor een andere publicatie over dit onderzoek (zelfde samenvatting).

Vraagstelling
In dit onderzoek is nagegaan welke factoren ervoor zorgen dat dat kinderen met specifieke taalontwikkelingsstoornissen (SLI) dyslexie ontwikkelen. Er is sprake van specifieke taalontwikkelingsstoornissen wanneer een kind problemen heeft met de mondelinge taalontwikkeling ondanks een gemiddelde of bovengemiddelde intelligentie, een adequaat gehoor en gezichtsvermogen, en wanneer het geen neurologische, fysieke, emotionele of sociale problemen ondervindt en voldoende taalaanbod krijgt. Veel kinderen met SLI ontwikkelen dyslexie, maar het blijft moeilijk te voorspellen welke kinderen met SLI het meeste risico lopen.

In dit longitudinaal onderzoek zijn kinderen uit de derde kleuterklas en het eerste leerjaar met SLI vergeleken met zich normaal ontwikkelende kinderen (controlegroep) voor fonologische vaardigheden, mondelinge taalvaardigheden en (voorbereidende) lees- en spellingvaardigheden.

Volgende onderzoeksvragen zijn gesteld:

  1. Hebben kinderen met SLI in de derde kleuterklas meer problemen met fonologisch bewustzijn, verbaal kortetermijngeheugen en snel benoemen van gekende items dan normaal ontwikkelende kinderen?

  2. Hebben kinderen met SLI op het einde van het eerste leerjaar meer lees- en spellingproblemen dan normaal ontwikkelende kinderen?

  3. Wat zijn de relaties tussen fonologisch bewustzijn, verbaal kortetermijngeheugen, snel benoemen, mondelinge taalvaardigheden en lees- en spellingvaardigheden bij kinderen met SLI versus normaal ontwikkelende kinderen?

  4. Hebben zwakke lezers met SLI meer problemen met fonologisch bewustzijn, verbaal kortetermijngeheugen, snel benoemen en mondelinge taalvaardigheden dan normale lezers met SLI en/of dan normale lezers van de controlegroep?


Conclusie

  1. Zowel in de derde kleuterklas als in het eerste leerjaar scoort de SLI-groep lager dan de controlegroep voor fonologisch bewustzijn, verbaal kortetermijngeheugen en mondelinge taalvaardigheid. Voor snel benoemen zijn geen significante verschillen tussen de twee groepen vastgesteld.

  2. In deze studie zijn er op het einde van het eerste leerjaar meer kinderen met SLI die lees- en spellingproblemen hebben, maar niet alle kinderen met SLI krijgen te kampen met technische lees- en spellingmoeilijkheden.

  3. De samenhang tussen de gemeten taalvaardigheden en lees- en spellingscores verschilt voor de SLI-groep van de normaal ontwikkelende kinderen. Snel benoemen is in beide groepen sterk gerelateerd aan lezen en spellen.

  4. De resultaten tonen aan dat in de derde kleuterklas de SLI-groep met lees- en spellingachterstand lager scoort voor snel benoemen dan de SLI-groep met normale lees- en spellingontwikkeling. Hieruit leiden de auteurs af dat snel benoemen, gemeten op kleuterleeftijd, een goede voorspeller is voor dyslexie bij kinderen met SLI. Fonologisch bewustzijn en verbaal kortetermijngeheugen zijn geen goede voorspellers van dyslexie bij kinderen met SLI.


Methode
Aan de studie namen 36 kinderen deel die tussen vier en vijf jaar oud waren op het moment van de eerste testafnames. De helft waren kinderen met SLI die reeds therapie volgden. Voor elk kind van de SLI-groep werd een controlekind geselecteerd dat zo goed mogelijk overeenkwam wat betreft volgende vijf kenmerken: zelfde klas, geslacht, leeftijd, niet-verbaal IQ en opleidingsniveau van beide ouders.

De testafnames werden gespreid over een periode van twee jaar. Ieder duo van aan elkaar gekoppelde kinderen werd op dezelfde zes dagen (drie in de derde kleuterklas en drie in het eerste leerjaar) op school getest onder dezelfde omstandigheden. De tests werden afgenomen door getrainde logopedisten.

Om het overzicht te bewaren, werden de scores van verschillende variabelen die een zelfde onderliggende vaardigheid meten, samengenomen in één samengestelde score.

Data werden geclusterd geanalyseerd, waarbij de SLI-groep en de controlegroep op het niveau van de aan elkaar gekoppelde kinderen met elkaar vergeleken werden. Voor de groepsvergelijkingen werd gebruik gemaakt van Mixed Model Analyses (MMA). Alle scores werden gestandaardiseerd ten opzichte van de controlegroep om te kunnen vergelijken. Correlatiecoëfficiënten werden berekend om de relatie tussen de verschillende variabelen en de samengestelde scores na te gaan.

De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit 2010 zijn geschreven door Goedele Verhaeghe, Hilde Van Keer en Johan van Braak. De eindredactie is uitgevoerd door Hilde Van Keer en Johan van Braak.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties