Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
woordenschat
» productief
» receptief
leesonderwijs
» leesbevordering
Doelgroep
NT2-leerlingen/cursisten
Thema
onderwijsleermateriaal
» ICT
onderwijsleeractiviteiten
» effectonderzoek
Land
Nederland
Onderwijstype
basisonderwijs
Leeftijd
5-6 jaar (groep 2 / 3e kleuterklas)
6-7 jaar (groep 3 / 1e leerjaar)
Tekstsoort
verhalende teksten
Respondenten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
61-100
Methode van dataverzameling
toetsen/tests
Verhallen, M.J.A.J. & A.G. Bus
2010
p. 54-61
in: Journal of Educational Psychology, jrg. 102 , nr. 1
Vraagstelling
In dit onderzoek is nagegaan of
verschillende manieren om een verhaal te vertellen een effect hebben op de receptieve woordenschat (begrijpen) en expressieve woordenschat (spreken) van jonge migrantenkinderen.
Een experiment is uitgevoerd waarbij kinderen in drie groepen zijn opgedeeld. In de eerste groep is een verhaal verteld met behulp van een digitaal voorleesboek. De illustraties op het computerscherm zijn daarbij statisch weergegeven zoals in een prentenboek. In de tweede groep zijn de illustraties geanimeerd weergegeven, om zo beter aan te sluiten bij wat op welk moment verteld wordt. In de controlegroep is een computerspel gespeeld.
Volgende onderzoeksvragen zijn nagegaan:
- Heeft de representatiewijze van een digitaal voorleesboek een invloed op de ontwikkeling van de woordenschat van jonge migrantenkinderen?
- Heeft de representatiewijze een verschillende invloed op de receptieve en expressieve woordenschat?
- Is het taalgebruik in een verhaal, waarvan de moeilijkheidsgraad afgestemd is op de leeftijd, te moeilijk voor deze groep kinderen?
- Is er enkel sprake van een toename in de expressieve woordenschat voor woorden die reeds receptief gekend zijn?
Conclusie
Dit experiment levert volgende
resultaten op:
- De experimentele
condities leiden tot een betere receptieve en expressieve woordenschat dan de
controlegroep.
- Het voorlezen van
verhalen met videoanimaties leidt tot hogere scores voor de expressieve
woordenschat in vergelijking met verhalen met statische prenten. Voor de
receptieve woordenschat worden geen verschillen gevonden.
- De taal in prentenboeken
die afgestemd zijn op de leeftijd van de kinderen blijkt te moeilijk te zijn
voor de kinderen in deze studie. Veel woorden uit deze verhalen zijn onbekend
voor deze kinderen die Nederlands als tweede taal hebben.
- Bij de kinderen in deze studie is de expressieve woordenschat minder toegenomen dan de receptieve. Zelden worden woorden die receptief nog niet gekend zijn expressief geleerd, ondanks de ondersteunende representaties.
Methode
Aan deze tweejarige studie
namen 92 kinderen deel. Deze kinderen kwamen uit migrantengezinnen met
een laag inkomen voor wie Nederlands de tweede taal is en Turks, Marokkaans-Arabisch of
Berbers de eerste taal.
De interventies werden opgezet in vier sessies gespreid over negen dagen. De kinderen zaten individueel aan een computer, met enkel een testleider in de buurt.
In de twee interventiegroepen werd het zelfde verhaal verteld aan de hand van de zelfde ingesproken tekst en afbeeldingen. De kinderen konden met een muisklik naar de volgende pagina gaan.
Verschillende toetsen werden afgenomen.
- Een intelligentie- en taaltoets werden gebruikt om de leerlingen in deze studie te selecteren.
- Receptieve woordenschat werd gemeten met een test waarbij een juiste afbeelding aan een woord moest gelinkt worden.
- Expressieve woordenschat werd gemeten met een test waarbij een zin aangevuld moest worden (aan de hand van afbeeldingen uit het verhaal).
Resultaten werden geanalyseerd door
middel van covariantieanalyses.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit 2010 zijn geschreven door Goedele Verhaeghe, Hilde Van Keer en Johan van Braak. De eindredactie is uitgevoerd door Hilde Van Keer en Johan van Braak.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties