taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2009 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
woordenschat
» productief
» receptief
leesonderwijs
» leesbevordering

Doelgroep
NT2-leerlingen/cursisten

Thema
onderwijsleermateriaal
» ICT
onderwijsleeractiviteiten
» effectonderzoek

Land
Nederland

Onderwijstype
basisonderwijs

Leeftijd
5-6 jaar (groep 2 / 3e kleuterklas)
6-7 jaar (groep 3 / 1e leerjaar)

Tekstsoort
verhalende teksten

Respondenten
leerlingen/cursisten

Aantal respondenten
61-100

Methode van dataverzameling
toetsen/tests

Low-income immigrant pupils learning vocabulary through digital picture storybooks
Verhallen, M.J.A.J. & A.G. Bus
2010
p. 54-61
in: Journal of Educational Psychology, jrg. 102 , nr. 1


Vraagstelling
In dit onderzoek is nagegaan of verschillende manieren om een verhaal te vertellen een effect hebben op de receptieve woordenschat (begrijpen) en expressieve woordenschat (spreken) van jonge migrantenkinderen.

Een experiment is uitgevoerd waarbij kinderen in drie groepen zijn opgedeeld. In de eerste groep is een verhaal verteld met behulp van een digitaal voorleesboek. De illustraties op het computerscherm zijn daarbij statisch weergegeven zoals in een prentenboek. In de tweede groep zijn de illustraties geanimeerd weergegeven, om zo beter aan te sluiten bij wat op welk moment verteld wordt. In de controlegroep is een computerspel gespeeld.

Volgende onderzoeksvragen zijn nagegaan:

  1. Heeft de representatiewijze van een digitaal voorleesboek een invloed op de ontwikkeling van de woordenschat van jonge migrantenkinderen?
  2. Heeft de representatiewijze een verschillende invloed op de receptieve en expressieve woordenschat?
  3. Is het taalgebruik in een verhaal, waarvan de moeilijkheidsgraad afgestemd is op de leeftijd, te moeilijk voor deze groep kinderen?
  4. Is er enkel sprake van een toename in de expressieve woordenschat voor woorden die reeds receptief gekend zijn?


Conclusie
Dit experiment levert volgende resultaten op:

  1. De experimentele condities leiden tot een betere receptieve en expressieve woordenschat dan de controlegroep.

  2. Het voorlezen van verhalen met videoanimaties leidt tot hogere scores voor de expressieve woordenschat in vergelijking met verhalen met statische prenten. Voor de receptieve woordenschat worden geen verschillen gevonden.

  3. De taal in prentenboeken die afgestemd zijn op de leeftijd van de kinderen blijkt te moeilijk te zijn voor de kinderen in deze studie. Veel woorden uit deze verhalen zijn onbekend voor deze kinderen die Nederlands als tweede taal hebben.

  4. Bij de kinderen in deze studie is de expressieve woordenschat minder toegenomen dan de receptieve. Zelden worden woorden die receptief nog niet gekend zijn expressief geleerd, ondanks de ondersteunende representaties.


Methode
Aan deze tweejarige studie namen 92 kinderen deel. Deze kinderen kwamen uit migrantengezinnen met een laag inkomen voor wie Nederlands de tweede taal is en Turks, Marokkaans-Arabisch of Berbers de eerste taal.

De interventies werden opgezet in vier sessies gespreid over negen dagen. De kinderen zaten individueel aan een computer, met enkel een testleider in de buurt.

In de twee interventiegroepen werd het zelfde verhaal verteld aan de hand van de zelfde ingesproken tekst en afbeeldingen. De kinderen konden met een muisklik naar de volgende pagina gaan.

Verschillende toetsen werden afgenomen.

Resultaten werden geanalyseerd door middel van covariantieanalyses.

De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit 2010 zijn geschreven door Goedele Verhaeghe, Hilde Van Keer en Johan van Braak. De eindredactie is uitgevoerd door Hilde Van Keer en Johan van Braak.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties