taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2009 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
literatuuronderwijs
» kinderboeken
leesonderwijs
» leesbevordering

Doelgroep
NT1-leerlingen

Thema
onderwijsleeractiviteiten
» effectonderzoek

Land
België

Onderwijstype
basisonderwijs

Leeftijd
4-5 jaar (groep 1 / 2e kleuterklas)
5-6 jaar (groep 2 / 3e kleuterklas)
11-12 jaar (groep 8 / 6e leerjaar)

Tekstsoort
verhalende teksten

Respondenten
leerlingen/cursisten

Aantal respondenten
301-500

Methode van dataverzameling
schriftelijke enquête

Voorleeskriebels
Of hoe prentenboeken leerlingen uit het zesde leerjaar liever doen lezen
Vylder, A. De
2010
p. 19-32
in: Vonk, jrg. 39 , nr. 3


Vraagstelling
In dit onderzoek zijn de resultaten beschreven van het voorleesprogramma 'Voorleeskriebels'. Met dit leesbevorderingsprogramma wil men het leesplezier en een positieve leesattitude stimuleren bij jonge kinderen. Dit is van belang omdat eerder onderzoek heeft aangetoond dat lezen en leesplezier een positieve invloed hebben op het schoolse succes van kinderen.

In dit onderzoek heeft men kinderen uit het zesde leerjaar prentenboeken laten voorlezen aan kleuters. De leesattitude van deze zesdeklassers zijn vergeleken met de attitudescores van kinderen die niet deelgenomen hebben aan de interventie (controlegroep).

Daarbij zijn volgende onderzoeksvragen nagegaan:

  1. Hoe is de leesattitude van leerlingen in het zesde leerjaar en hoe verandert die in de tijd?

  2. Welke invloed hebben het geslacht, de thuistaal, de sociaal-economische status, het culturele kapitaal en een positieve leescultuur op deze leesattitude? Welke invloed hebben deze kenmerken op de verandering in leesattitude in de tijd?

  3. Heeft een deelname aan het leesbevorderingprogramma een positieve invloed op de leesattitude van de leerlingen uit het zesde leerjaar?

Conclusie
Leesattitude wordt in dit onderzoek opgesplitst in drie componenten: leesplezier, lezen voor het nut en lezen voor de individuele ontwikkeling.

  1. Gemiddeld genomen is de leesattitude van de leerlingen positief voor de dimensies 'leesplezier' en 'lezen voor het nut'. Voor de dimensie 'lezen voor de individuele ontwikkeling' is ze licht negatief. Er is een daling in de leesattitude merkbaar over de tijd, die uitsluitend toe te schrijven is aan een daling in 'leesplezier'.

  2. De leerlingen verschillen voornamelijk voor hun score op 'leesplezier'. Deze verschillen zijn deels te verklaren door de sekse van de leerlingen (meisje scores hoger), een positieve leesomgeving en het culturele kapitaal. De thuistaal en de sociaal-economische status hangen niet samen met leesplezier. De daling in leesplezier is even groot bij jongens en meisjes en is minder groot bij kinderen met een stimulerende leesomgeving thuis.

  3. De auteurs besluiten dat voorlezen leidt tot een betere leesattitude, aangezien de achteruitgang in leesplezier bij de voorlezende kinderen minder groot is dan bij de kinderen uit de controlegroep.

Methode
Dit experiment werd opgezet in negen basisscholen. In totaal werden gedurende 10 weken 320 leerlingen betrokken (voorlezers en luisteraars) in het programma. De leerlingen uit het zesde leerjaar volgden eerst twee voorbereidende lessen en voerden een eerste voorleessessie uit. Daarna volgde een reeks voorleessessies waarbij deze leerlingen elk afzonderlijk op een interactieve manier een prentenboek voorlazen aan twee of drie kleuters. Deze voorleessessies werden vooraf voorbereid. Bij de voorleesactiviteiten lag het accent op het voorleesplezier.

De leesattitude werd gemeten aan de hand van een vragenlijst (Reading Attitude Scale). De schaal 'lezen voor de individuele ontwikkeling' ziet lezen als een manier om inzicht te krijgen in zichzelf. De schaal 'lezen voor het nut' ziet lezen als een manier om succes te behalen in de studies, het beroep of het leven. De schaal 'genietend lezen' geeft een waarde aan het leesplezier.

Om na te gaan in welke mate er thuis een positieve leescultuur was, werd een vragenlijst ingevuld door het kind. Het culturele kapitaal werd in kaart gebracht door de leerlingen te vragen naar de culturele uitstappen die ze maken met hun ouders, naar cultureel onderwijs buiten de schooluren en naar educatieve bronnen thuis.

Om de resultaten te analyseren werd gebruik gemaakt van covariantieanalyses.

De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit 2010 zijn geschreven door Goedele Verhaeghe, Hilde Van Keer en Johan van Braak. De eindredactie is uitgevoerd door Hilde Van Keer en Johan van Braak.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties