taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2009 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
leesonderwijs

Doelgroep
lln. met leer- en opvoedingsmoeilijkheden
NT1-leerlingen

Thema
beginsituatie
» leerlingkenmerken

Land
Nederland

Onderwijstype
basisonderwijs

Leeftijd
6-7 jaar (groep 3 / 1e leerjaar)

Respondenten
leerlingen/cursisten

Aantal respondenten
11-20

Methode van dataverzameling
toetsen/tests

Reading fluency and speech perception speed of beginning readers with persistent reading problems
The perception of initial stop consonants and consonant clusters
Snellings, P., A. van der Leij, H. Blok & P.F. de Jong
2010
p. 151-174
in: Annals of Dyslexia, jrg. 60 , nr. 2


» De volledige tekst van deze publicatie: na te lezen in het online archief (voor abonnementshouders)


Vraagstelling
In dit onderzoek is nagegaan welke rol spraakperceptie (de manier waarop gesproken taal wordt waargenomen) speelt bij kinderen met een leesstoornis. Dit onderzoek naar de correctheid en snelheid in spraakperceptie is van belang om beter de moeilijkheden van kinderen met ernstige leesproblemen te kunnen duiden.

Volgende onderzoeksvragen zijn gesteld:

  1. Vertonen kinderen met een leesstoornis tekorten in het identificeren en onderscheiden van klankcontrasten (vb. /prar/ en /tar/)? Daarbij wordt gekeken naar klankcontrasten tussen:
    •  'stopmedeklinkers' (gekenmerkt door een niet-continue luchtstroom in de mond bij uitspraak ervan, bv. /p/, /t/, /k/) en 'niet-stoppende medeklinkers' (bv. /f/, /s/, /x/, /l/, /r/, /v/);
    • clusters van medeklinkers (bv. /st/, /sk/) en ongeclusterde medeklinkers.
  2. Vertonen kinderen met een leesstoornis tekorten in spraakperceptie door 'snelle klankovergangen' en/of door 'klankovereenkomst'? Snelle klankovergangen komen voor bij stopmedeklinkers: de klankovergang met de volgende klinkers gebeurt plots door de niet-continue luchtstroom. Overeenkomsten in klanken van verschillende woorden (bv./aba/ en /ada/) kunnen eveneens moeilijkheden opleveren in het onderscheiden van gesproken taal.

Conclusie

  1. Kinderen met een leesstoornis zijn trager in het herkennen van identieke klanken dan leeftijdsgenootjes zonder leesstoornis. Clusters van medeklinkers worden niet trager of minder correct waargenomen dan niet-geclusterde medeklinkers. Ook blijkt dat stopmedeklinkers niet trager worden waargenomen.

  2. Het probleem in spraakperceptie te wijten aan snelle klankovergangen blijkt niet typisch te zijn voor kinderen met een leesstoornis, aangezien ook de normaal vorderende kinderen hiermee moeilijkheden ervaren. Daarnaast blijkt ook klankovereenkomst van woordparen de spraakperceptie in beide groepen te bemoeilijken.

Methode
Aan deze studie namen 11 kinderen met en 11 kinderen zonder een leesstoornis deel uit groep 3. De Drie Minuten Toets werd tweemaal afgenomen om deze twee groepen van elkaar te onderscheiden. Daarnaast werden enkele intelligentietesten afgenomen (Revised Amsterdam Child Intelligence test, Peabody Picture Vocabulary Test en de Raven Standard Progressive Matrices) om de kinderen voor de twee groepen te selecteren.

De spraakperceptietest bestond uit een taak waarbij fonemen of klanken onderscheiden moesten worden. Daarvoor werden paren van pseudowoorden samengesteld die hardop voorgelezen werden via een audio-opname. De kinderen kregen de woordparen te horen via een laptop en moesten zo snel mogelijk aangeven of deze woorden identiek of verschillend waren. Zowel de reactietijd als de correctheid van de antwoorden werd bijgehouden.

De resultaten werden geanalyseerd door middel van variantieanalyses.

De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit 2010 zijn geschreven door Goedele Verhaeghe, Hilde Van Keer en Johan van Braak. De eindredactie is uitgevoerd door Hilde Van Keer en Johan van Braak.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties