Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
schrijfonderwijs
» spelling
leesonderwijs
Doelgroep
overige doelgroepen
NT1-leerlingen
Thema
evaluatie van onderwijsopbrengsten
onderwijsleermateriaal
Land
Nederland
Onderwijstype
basisonderwijs
Leeftijd
6-7 jaar (groep 3 / 1e leerjaar)
7-8 jaar (groep 4 / 2e leerjaar)
8-9 jaar (groep 5 / 3e leerjaar)
9-10 jaar (groep 6 / 4e leerjaar)
10-11 jaar (groep 7 / 5e leerjaar)
11-12 jaar (groep 8 / 6e leerjaar)
Respondenten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
501 en meer
Methode van dataverzameling
taalvaardigheidstaken
toetsen/tests
(Proefschrift)
Vaessen, A.
Maastricht: 2010
» Download de volledige tekst van deze publicatie.
Zie ook Vaessen & Blomert (2010) en Vaessen, Bertrand, Tóth, Csépe, Faísca, Reis & Blomert (2010) voor andere publicaties over dit onderzoek.
Vraagstelling
In dit proefschrift zijn
verschillende studies opgezet rond de ontwikkeling van lees- en
spellingvaardigheden. In de huidige samenleving zijn het vloeiend kunnen lezen
en spellen bepalende factoren voor een goede economische en sociale toekomst.
Daarom is het van groot belang te onderzoeken hoe lezen en spellen zich
ontwikkelen en waar het bij dyslectische lezers fout gaat.
- In de eerste studie is de
cognitieve ontwikkeling van het lezen bestudeerd. Men is ervan uitgegaan dat er
bij normale lezers tijdens de ontwikkeling een verschuiving plaatsvindt van
langzaam letter-per-letter decoderen van woorden naar het snel herkennen
van hele woordvormen. Twee belangrijke cognitieve vaardigheden die sterk met
lezen samenhangen worden onderzocht: klankbewustzijn
(PA) en snel benoemen (RAN). PA-taken
meten de vaardigheid om spraakklanken binnen een woord te kunnen herkennen,
segmenteren en manipuleren. Bij RAN-taken moeten kinderen zo snel mogelijk
bekende visuele informatie benoemen (bv. prenten, letters en cijfers).
- In de tweede en derde studie
is onderzocht in hoeverre de cognitieve ontwikkeling van lezen en spellen wordt
beïnvloed door de moeilijkheidsgraad van het
spellingsysteem van een taal (mate waarin de letters en klanken
samenhangen). Het Fins bijvoorbeeld heeft een zeer doorzichtig spellingsysteem:
een letter wordt altijd door één spraakklank gerepresenteerd en andersom.
- In de vierde studie is de
cognitieve ontwikkeling van het spellen onderzocht. Daarbij is nagegaan in
hoeverre drie cognitieve processen die een rol spelen bij de leesontwikkeling
(PA, RAN en schrift-klankkoppeling) ook een rol spelen bij de spellingontwikkeling.
- Ten slotte is in de laatste studie onderzocht welke cognitieve processen verstoord zijn bij kinderen met dyslexie. Men heeft onderzocht of moeilijkheden op de PA-taken en RAN-taken onafhankelijk van elkaar voorkomen, wat zou wijzen op twee afzonderlijke tekorten bij dyslectische kinderen.
Conclusie
- De resultaten van dit
proefschrift duiden op het bestaan van een interactief netwerk voor lezen,
waarbij het type van verwerking (letter-per-letter decoderen of automatische
herkenning van complete woorden) afhankelijk is van zowel leeservaring als van de
bekendheid met een woord. Sommige processen (bv. het letter-per-letter
decoderen) spelen vooral een belangrijke rol bij beginnende lezers en onbekende
woorden. Andere processen, zoals het snel kunnen koppelen van visuele
woordvormen aan hun fonologische code of klank, worden vooral gebruikt door ervaren
lezers en bij bekende woorden.
- Verder tonen de
resultaten aan dat de mate van transparantie of doorzichtigheid van een spellingsysteem enkel de
snelheid waarmee men leert lezen beïnvloedt, maar niet de manier waarop men
leert lezen. De onderzoekers leiden hieruit af dat de ontwikkeling van lezen
een zelfde patroon vertoont in talen met verschillende transparantie. Dat zou volgens de auteurs
betekenen dat de onregelmatige letter-klankrelaties in
ondoorzichtige talen waarschijnlijk een struikelblok vormen voor het begrijpen
van de klankstructuur van een taal en dat in die talen meer uitgebreide fonologische
decoderingsstrategieën nodig zijn voor het leren lezen.
- De resultaten uit de
vierde studie geven aan dat lezen en spellen slechts gedeeltelijk een
gezamenlijke cognitieve basis hebben (bv. schrift-klankkoppeling). Naarmate
kinderen meer ervaren lezers en spellers zijn, neemt het belang van de gezamenlijke
cognitieve factoren af en worden cognitieve processen die uniek zijn voor lezen
of spellen van groter belang (bv. snelle automatische herkenning van woorden
bij lezen).
- Hoewel RAN en PA inderdaad een onafhankelijke bijdrage leveren aan de leessnelheid van dyslectici, blijkt het lees- en spellingspatroon van kinderen met een RAN-problematiek en/of een PA-problematiek niet sterk te verschillen. De onderzoekers besluiten dan ook dat bij dyslexie één onderliggende stoornis (i.e. een fonologisch tekort of een probleem bij het aanleren en het bewustzijn van de klankstructuur van een taal) de problemen met zowel PA als RAN kan verklaren.
Methode
Voor studie 1 verwijzen we naar Vaessen & Blomert (2010) voor
een uitgebreide beschrijving van de methodologie.
In studie 2 hebben 1263 kinderen uit groep 4 deelgenomen, verspreid over vijf verschillende Europese landen (Finland, Frankrijk, Hongarije, Nederland en Portugal). Deze kinderen werden eenmaal getest voor technisch lezen, fonologisch decoderen, klankbewustzijn, snel benoemen, het functioneren van het verbale werkgeheugen, woordenschat en intelligentie.
Voor studie 3 verwijzen we naar Vaessen, Bertrand, Tóth, Csépe, Faísca, Reis & Blomert (2010) voor een uitgebreide beschrijving van de methodologie.
Studie 4 werd uitgevoerd bij 1284 kinderen uit het basisonderwijs (groepen 3 tot 8). Ook hier werden de kinderen onderworpen aan een batterij tests, bestaande uit een leestaak, een spellingtaak, en taken die klankbewustzijn, snel benoemen en schrift-klankkoppeling nagaan.
In de laatste studie werden 162 kinderen met dyslexie betrokken tussen 6 en 13 jaar oud. Zij kregen leestaken voorgelegd (snelheid en correctheid van lezen), een spellingtaak, en taken die klankbewustzijn, snel benoemen en intelligentie meten.
In de verschillende studies werden
verscheidene analysetechnieken gebruikt: regressieanalyses werden uitgevoerd en
correlaties werden berekend. Scores werden gestandaardiseerd om onderling te
kunnen vergelijken. Daarnaast werden exploratieve factoranalyses uitgevoerd om
cognitieve variabelen te beschouwen als indicatoren voor een latente variabele.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit 2010 zijn geschreven door Goedele Verhaeghe, Hilde Van Keer en Johan van Braak. De eindredactie is uitgevoerd door Hilde Van Keer en Johan van Braak.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties