taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2009 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
schrijfonderwijs
» spelling
leesonderwijs

Doelgroep
overige doelgroepen
NT1-leerlingen

Thema
evaluatie van onderwijsopbrengsten
onderwijsleermateriaal

Land
Nederland

Onderwijstype
basisonderwijs

Leeftijd
6-7 jaar (groep 3 / 1e leerjaar)
7-8 jaar (groep 4 / 2e leerjaar)
8-9 jaar (groep 5 / 3e leerjaar)
9-10 jaar (groep 6 / 4e leerjaar)
10-11 jaar (groep 7 / 5e leerjaar)
11-12 jaar (groep 8 / 6e leerjaar)

Respondenten
leerlingen/cursisten

Aantal respondenten
501 en meer

Methode van dataverzameling
taalvaardigheidstaken
toetsen/tests

Cognitive dynamics of fluent reading and spelling development
(Proefschrift)
Vaessen, A.
Maastricht: 2010


» Download de volledige tekst van deze publicatie.


Zie ook Vaessen & Blomert (2010) en Vaessen, Bertrand, Tóth, Csépe, Faísca, Reis & Blomert (2010) voor andere publicaties over dit onderzoek.

Vraagstelling
In dit proefschrift zijn verschillende studies opgezet rond de ontwikkeling van lees- en spellingvaardigheden. In de huidige samenleving zijn het vloeiend kunnen lezen en spellen bepalende factoren voor een goede economische en sociale toekomst. Daarom is het van groot belang te onderzoeken hoe lezen en spellen zich ontwikkelen en waar het bij dyslectische lezers fout gaat.

  1. In de eerste studie is de cognitieve ontwikkeling van het lezen bestudeerd. Men is ervan uitgegaan dat er bij normale lezers tijdens de ontwikkeling een verschuiving plaatsvindt van langzaam letter-per-letter decoderen van woorden naar het snel herkennen van hele woordvormen. Twee belangrijke cognitieve vaardigheden die sterk met lezen samenhangen worden onderzocht: klankbewustzijn (PA) en snel benoemen (RAN). PA-taken meten de vaardigheid om spraakklanken binnen een woord te kunnen herkennen, segmenteren en manipuleren. Bij RAN-taken moeten kinderen zo snel mogelijk bekende visuele informatie benoemen (bv. prenten, letters en cijfers).

  2. In de tweede en derde studie is onderzocht in hoeverre de cognitieve ontwikkeling van lezen en spellen wordt beïnvloed door de moeilijkheidsgraad van het spellingsysteem van een taal (mate waarin de letters en klanken samenhangen). Het Fins bijvoorbeeld heeft een zeer doorzichtig spellingsysteem: een letter wordt altijd door één spraakklank gerepresenteerd en andersom.

  3. In de vierde studie is de cognitieve ontwikkeling van het spellen onderzocht. Daarbij is nagegaan in hoeverre drie cognitieve processen die een rol spelen bij de leesontwikkeling (PA, RAN en schrift-klankkoppeling) ook een rol spelen bij de spellingontwikkeling.

  4. Ten slotte is in de laatste studie onderzocht welke cognitieve processen verstoord zijn bij kinderen met dyslexie. Men heeft onderzocht of moeilijkheden op de PA-taken en RAN-taken onafhankelijk van elkaar voorkomen, wat zou wijzen op twee afzonderlijke tekorten bij dyslectische kinderen.

Conclusie

  1. De resultaten van dit proefschrift duiden op het bestaan van een interactief netwerk voor lezen, waarbij het type van verwerking (letter-per-letter decoderen of automatische herkenning van complete woorden) afhankelijk is van zowel leeservaring als van de bekendheid met een woord. Sommige processen (bv. het letter-per-letter decoderen) spelen vooral een belangrijke rol bij beginnende lezers en onbekende woorden. Andere processen, zoals het snel kunnen koppelen van visuele woordvormen aan hun fonologische code of klank, worden vooral gebruikt door ervaren lezers en bij bekende woorden.

  2. Verder tonen de resultaten aan dat de mate van transparantie of doorzichtigheid van een spellingsysteem enkel de snelheid waarmee men leert lezen beïnvloedt, maar niet de manier waarop men leert lezen. De onderzoekers leiden hieruit af dat de ontwikkeling van lezen een zelfde patroon vertoont in talen met verschillende transparantie. Dat zou volgens de auteurs betekenen dat de onregelmatige letter-klankrelaties in ondoorzichtige talen waarschijnlijk een struikelblok vormen voor het begrijpen van de klankstructuur van een taal en dat in die talen meer uitgebreide fonologische decoderingsstrategieën nodig zijn voor het leren lezen.

  3. De resultaten uit de vierde studie geven aan dat lezen en spellen slechts gedeeltelijk een gezamenlijke cognitieve basis hebben (bv. schrift-klankkoppeling). Naarmate kinderen meer ervaren lezers en spellers zijn, neemt het belang van de gezamenlijke cognitieve factoren af en worden cognitieve processen die uniek zijn voor lezen of spellen van groter belang (bv. snelle automatische herkenning van woorden bij lezen).

  4. Hoewel RAN en PA inderdaad een onafhankelijke bijdrage leveren aan de leessnelheid van dyslectici, blijkt het lees- en spellingspatroon van kinderen met een RAN-problematiek en/of een PA-problematiek niet sterk te verschillen. De onderzoekers besluiten dan ook dat bij dyslexie één onderliggende stoornis (i.e. een fonologisch tekort of een probleem bij het aanleren en het bewustzijn van de klankstructuur van een taal) de problemen met zowel PA als RAN kan verklaren.


Methode
Voor studie 1 verwijzen we naar Vaessen & Blomert (2010) voor een uitgebreide beschrijving van de methodologie.

In studie 2 hebben 1263 kinderen uit groep 4 deelgenomen, verspreid over vijf verschillende Europese landen (Finland, Frankrijk, Hongarije, Nederland en Portugal). Deze kinderen werden eenmaal getest voor technisch lezen, fonologisch decoderen, klankbewustzijn, snel benoemen, het functioneren van het verbale werkgeheugen, woordenschat en intelligentie.

Voor studie 3 verwijzen we naar Vaessen, Bertrand, Tóth, Csépe, Faísca, Reis & Blomert (2010) voor een uitgebreide beschrijving van de methodologie.

Studie 4 werd uitgevoerd bij 1284 kinderen uit het basisonderwijs (groepen 3 tot 8). Ook hier werden de kinderen onderworpen aan een batterij tests, bestaande uit een leestaak, een spellingtaak, en taken die klankbewustzijn, snel benoemen en schrift-klankkoppeling nagaan.

In de laatste studie werden 162 kinderen met dyslexie betrokken tussen 6 en 13 jaar oud. Zij kregen leestaken voorgelegd (snelheid en correctheid van lezen), een spellingtaak, en taken die klankbewustzijn, snel benoemen en intelligentie meten.

In de verschillende studies werden verscheidene analysetechnieken gebruikt: regressieanalyses werden uitgevoerd en correlaties werden berekend. Scores werden gestandaardiseerd om onderling te kunnen vergelijken. Daarnaast werden exploratieve factoranalyses uitgevoerd om cognitieve variabelen te beschouwen als indicatoren voor een latente variabele.

De beschrijvingen van de onderzoeken in het basisonderwijs uit 2010 zijn geschreven door Goedele Verhaeghe, Hilde Van Keer en Johan van Braak. De eindredactie is uitgevoerd door Hilde Van Keer en Johan van Braak.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties