taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2009 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
literatuuronderwijs
» proza
» adolescentenliteratuur
» volwassenenliteratuur

Doelgroep
NT1-leerlingen

Thema
beoordelingsinstrumenten
onderwijsleeractiviteiten
» descriptief onderzoek

Land
Nederland

Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» havo
» vwo

Leeftijd
16-17 jaar (5e voortgezet/secundair)
17-18 jaar (6e voortgezet/secundair)

Tekstsoort
verhalende teksten

Respondenten
leerkrachten/lesgevers

Aantal respondenten
0-10

Methode van dataverzameling
interviews
schriftelijke enquête
documentanalyse

Empirisch gefundeerde theorie voor literaire ontwikkeling en didactische differentiatie in de Tweede Fase.
Witte, T.C.H., Rijlaarsdam, G.C.W., & Schram, D.
2010
p. 375-394
in: Pedagogische Studiën, jrg. 87 , nr. 6


1. Achtergrond
Er is weinig theoretische kennis over de literaire ontwikkeling in de Tweede Fase en het literatuuronderwijs kent geen goed doordachte, gestructureerde opbouw. Docenten ondervinden veel problemen met differentiatie en het vaststellen van het niveau en de vooruitgang bij hun leerlingen. Dit onderzoek maakt deel uit van een promotieonderzoek (Witte, 2009) en gaat over de totstandkoming van een didactische instrumentarium dat ontleend is aan de 'pedagogische inhoudskennis' van docenten.

2. Vraagstelling
Welke niveaus van literaire competentie onderscheiden docenten in de bovenbouw van het havo en vwo, gerelateerd aan:

  1. literaire teksten
  2. opdrachten?

3. Methode
Met vragenlijsten en paneldiscussies op werkconferenties met docenten is data verzameld over de leesniveaus van hun leerlingen en de indicaties van die leesniveaus. Zes docenten die verschillen in onderwijservaring, geslacht, werkomgeving en visie op het onderwijs vormden een docentenpanel. Het docentenpanel ontwierp een competentieschaal waarmee verschillende niveaus van literaire competentie in de Tweede Fase kunnen worden onderscheiden, beginnend met de zwakste leerling uit havo 4 en eindigend met de meest excellente leerling uit gymnasium 6.

Op de  zes scholen van de docenten werden vervolgens boekenlijsten en opdrachtensets geïnventariseerd. Dit resulteerde in een lijst met 170 boeken en een lijst met 60 verwerkings- of verdiepingsopdrachten. Vervolgens is met behulp van vragenlijsten nagegaan welke boeken volgens het panel indicatief zijn voor een bepaald niveau. Het docentenpanel heeft tevens via vragenlijsten zestig leesdossieropdrachten beoordeeld op zes niveaus. Het docentenpanel is ook ondervraagd over welke literaire competenties de docenten op elk niveau veronderstellen en over de moeilijkheid van boeken en opdrachten.

4. Resultaten
Het docentenpanel kiest voor zes niveaus. Deze zijn voorzien van cijfernormeringen voor het beginniveau (vier havo en vier vwo), het eindniveau havo en het eindniveau van vwo. Elk niveau is getypeerd als een bepaalde manier van lezen:

  1. belevend lezen
  2. herkennend lezen
  3. reflecterend lezen
  4. interpreterend lezen
  5. letterkundig lezen
  6. academisch lezen

141 boeken zijn volgens het panel indicatief voor een bepaald niveau. De bandbreedte van de meeste boeken is drie niveaus: het optimale niveau, een niveau lager en een niveau hoger.

De opdrachten uit de leesdossiers differentiëren niet naar de niveaus. Eigenlijk worden maar twee niveaus door de docenten onderscheiden: passend voor een betrekkelijk lage competentie (N1, N2, N3) of passend bij een betrekkelijk hoge competentie (N4, N5, N6). De opdrachten voor de lagere niveaus refereren meestal aan de lezer en de opdrachten voor de hoge niveaus zijn meestal gerelateerd aan letterkundige leerstof.

Uiteindelijk is er een tabel gemaakt met alle zes niveaus, waarbij manier van lezen, tekst en opdracht worden omschreven.

5. Conclusies
Er is in dit onderzoek een instrumentarium ontwikkeld dat volgens de onderzoekers een belangrijke bijdrage kan leveren aan de verbetering van het literatuuronderwijs. Met dit instrumentarium kan het literatuurcurriculum worden voorzien van een structuur waarin verschillende niveaus worden onderscheiden, waarbij het aanleren van een manier van lezen centraal staat. Daarnaast biedt het instrumentarium leerlingen een oriënteringsbasis voor de boekkeuze.

6. Aanbevelingen
Het instrumentarium biedt docenten een referentiekader voor de normering van de prestaties van hun leerlingen. Daarnaast leveren de competentieprofielen en de lijstjes met naar niveau ingedeelde boeken en opdrachten een gefundeerde literatuurdidactische kennisbasis voor niveaudifferentiatie. Onderzoekers krijgen met het instrumentarium een meetlat in handen waarmee zij de literaire ontwikkeling van diverse groepen leerlingen in kaart kunnen brengen. In principe impliceert dit volgens de onderzoekers dat de opbrengsten van het literatuuronderwijs met dit instrument kunnen worden geëvalueerd en uitspraken over bijvoorbeeld de achter- of vooruitgang van het niveau van havo en vwo-leerlingen met empirische argumenten kunnen worden gestaafd. De onderzoekers bevelen daarnaast replicerend onderzoek aan in andere domeinen bij het schoolvak Nederlands en bij andere schoolvakken om te onderzoeken in hoeverre de onderzoeksmethode overdraagbaar is naar andere vakgebieden.

 

De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 2007-2009 zijn geschreven door Monique Oechies en Martine Braaksma.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties