Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
literatuuronderwijs
» proza
» adolescentenliteratuur
» volwassenenliteratuur
Doelgroep
NT1-leerlingen
Thema
beoordelingsinstrumenten
onderwijsleeractiviteiten
» descriptief onderzoek
Land
Nederland
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» havo
» vwo
Leeftijd
16-17 jaar (5e voortgezet/secundair)
17-18 jaar (6e voortgezet/secundair)
Tekstsoort
verhalende teksten
Respondenten
leerkrachten/lesgevers
Aantal respondenten
0-10
Methode van dataverzameling
interviews
schriftelijke enquête
documentanalyse
Witte, T.C.H., Rijlaarsdam, G.C.W., & Schram, D.
2010
p. 375-394
in: Pedagogische Studiën, jrg. 87 , nr. 6
1. Achtergrond
Er is weinig theoretische
kennis over de literaire ontwikkeling in de Tweede Fase en het
literatuuronderwijs kent geen goed doordachte, gestructureerde opbouw. Docenten
ondervinden veel problemen met differentiatie en het vaststellen van het niveau
en de vooruitgang bij hun leerlingen. Dit onderzoek maakt deel uit van een
promotieonderzoek (Witte, 2009) en gaat over de totstandkoming van een
didactische instrumentarium dat ontleend is aan de 'pedagogische inhoudskennis'
van docenten.
2. Vraagstelling
Welke niveaus van literaire
competentie onderscheiden docenten in de bovenbouw van het havo en vwo,
gerelateerd aan:
- literaire teksten
- opdrachten?
3. Methode
Met vragenlijsten en
paneldiscussies op werkconferenties met docenten is data verzameld over de
leesniveaus van hun leerlingen en de indicaties van die leesniveaus. Zes
docenten die verschillen in onderwijservaring, geslacht, werkomgeving en visie
op het onderwijs vormden een docentenpanel. Het docentenpanel ontwierp een
competentieschaal waarmee verschillende niveaus van literaire competentie in de
Tweede Fase kunnen worden onderscheiden, beginnend met de zwakste leerling uit
havo 4 en eindigend met de meest excellente leerling uit gymnasium 6.
Op de
zes scholen van de docenten werden vervolgens boekenlijsten en opdrachtensets
geïnventariseerd. Dit resulteerde in een lijst met 170 boeken en een lijst met
60 verwerkings- of verdiepingsopdrachten. Vervolgens is met behulp van
vragenlijsten nagegaan welke boeken volgens het panel indicatief zijn voor een
bepaald niveau. Het docentenpanel heeft tevens via vragenlijsten zestig
leesdossieropdrachten beoordeeld op zes niveaus. Het docentenpanel is ook
ondervraagd over welke literaire competenties de docenten op elk niveau
veronderstellen en over de moeilijkheid van boeken en opdrachten.
4. Resultaten
Het docentenpanel kiest voor
zes niveaus. Deze zijn voorzien van cijfernormeringen voor het beginniveau
(vier havo en vier vwo), het eindniveau havo en het eindniveau van vwo. Elk
niveau is getypeerd als een bepaalde manier van lezen:
- belevend lezen
- herkennend lezen
- reflecterend lezen
- interpreterend lezen
- letterkundig lezen
- academisch lezen
141 boeken zijn volgens het panel indicatief voor een bepaald niveau. De bandbreedte van de meeste boeken is drie niveaus: het optimale niveau, een niveau lager en een niveau hoger.
De opdrachten uit de leesdossiers differentiëren niet naar de niveaus. Eigenlijk worden maar twee niveaus door de docenten onderscheiden: passend voor een betrekkelijk lage competentie (N1, N2, N3) of passend bij een betrekkelijk hoge competentie (N4, N5, N6). De opdrachten voor de lagere niveaus refereren meestal aan de lezer en de opdrachten voor de hoge niveaus zijn meestal gerelateerd aan letterkundige leerstof.
Uiteindelijk is er een tabel gemaakt met alle zes niveaus, waarbij
manier van lezen, tekst en opdracht worden omschreven.
5. Conclusies
Er is in dit onderzoek een instrumentarium
ontwikkeld dat volgens de onderzoekers een belangrijke bijdrage kan leveren aan
de verbetering van het literatuuronderwijs. Met dit instrumentarium kan het literatuurcurriculum
worden voorzien van een structuur waarin verschillende niveaus worden
onderscheiden, waarbij het aanleren van een manier van lezen centraal staat.
Daarnaast biedt het instrumentarium leerlingen een oriënteringsbasis voor de
boekkeuze.
6. Aanbevelingen
Het instrumentarium biedt
docenten een referentiekader voor de normering van de prestaties van hun
leerlingen. Daarnaast leveren de competentieprofielen en de lijstjes met naar
niveau ingedeelde boeken en opdrachten een gefundeerde literatuurdidactische
kennisbasis voor niveaudifferentiatie. Onderzoekers krijgen met het
instrumentarium een meetlat in handen waarmee zij de literaire ontwikkeling van
diverse groepen leerlingen in kaart kunnen brengen. In principe impliceert dit
volgens de onderzoekers dat de opbrengsten van het literatuuronderwijs met dit
instrument kunnen worden geëvalueerd en uitspraken over bijvoorbeeld de achter-
of vooruitgang van het niveau van havo en vwo-leerlingen met empirische
argumenten kunnen worden gestaafd. De onderzoekers bevelen daarnaast replicerend
onderzoek aan in andere domeinen bij het schoolvak Nederlands en bij andere
schoolvakken om te onderzoeken in hoeverre de onderzoeksmethode overdraagbaar
is naar andere vakgebieden.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 2007-2009 zijn geschreven door Monique Oechies en Martine Braaksma.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties