taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2009 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
leesonderwijs
» technisch lezen
schrijfonderwijs
» spelling

Doelgroep
NT1-leerlingen

Thema
beginsituatie
» leerlingkenmerken

Land
Nederland

Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» vmbo
» havo
» vwo

Leeftijd
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)

Respondenten
leerlingen/cursisten

Aantal respondenten
501 en meer

Methode van dataverzameling
toetsen/tests
taalvaardigheidstaken

Spellingvaardigheid van brugklassers
Schijf, T., A. Van der Leij, A. van Berkel, J. Bekebrede & B. Zijlstra
2010
p. 3-12
in: Levende Talen Tijdschrift, jrg. 11 , nr. 2


» De volledige tekst van deze publicatie: alle artikelen uit Levende Talen Tijdschrift kunnen gedownload worden in het online archief (vanaf jaargang 11 - 2010).


1. Achtergrond
In de maatschappij worden aan de spelling meestal hoge eisen gesteld. Het blijkt echter dat leerlingen (van verschillende leeftijden en niveaus) veel spelfouten maken. In het brugklasproject (zie ook Schijf, 2009) is onder andere onderzocht welke soorten spelfouten brugklasleerlingen in verschillende opleidingniveaus maken. Ook is onderzocht hoe leerlingen spellen die zwak zijn in technisch lezen.

2. Vraagstelling

3. Methode
Aan het onderzoek deden bijna 700 leerlingen mee uit de brugklas van verschillende opleidingsniveaus (vmbo-gymnasium). Bij hen werd een digitale spellingtest afgenomen om de spelvaardigheid te meten. In deze test moeten de leerlingen 40 keer in een zin die op hun scherm verschijnt een ontbrekend woord typen. De hele zin - inclusief het in te typen woord - werd voorgelezen.

Op basis van de analyse van de spellingtaak is vervolgens een analyse gemaakt van de foutief gespelde woorden met vijf foutencategorieën:

  1. alfabetische fouten: verkeerde koppelingen tussen fonemen en grafemen
    bijvoorbeeld 'schuirdeur' (schuurdeur)

  2. Orthografische fouten: onjuiste toepassing van de spellingregels
    bijvoorbeeld 'programa' (programma)

  3. Lexicaal-morfologische fouten: afwijkingen van de vaste vorm van woorden en woorddelen die alleen lexicaal bepaald zijn
    bijvoorbeeld 'handoek' (handdoek)

  4. Grammaticaal-morfologische fouten: afwijkingen van de vaste vorm van woorden en woorddelen die grammaticaal bepaald zijn
    bijvoorbeeld 'vermeldde' (vermelde)

  5. Logografische fouten: incorrecte woordspecifieke schrijfwijzen die ingeprent hadden moeten zijn
    bijvoorbeeld 'apoteek' (apotheek)

Het technisch lezen van de leerlingen is gemeten met de Een-Minuut-Test. Bij deze test moesten de leerlingen gedurende een minuut zoveel mogelijk woorden hardop lezen. De gebruikte lijst bestaat uit 116 inheemse Nederlandse woorden in oplopende moeilijkheidsgraad.


4. Resultaten

Soorten spelfouten
De verschillen tussen brugklasleerlingen zijn groot. Meisjes zijn wat beter in spellen dan jongens. Er zijn geen verschillen gevonden tussen allochtone en autochtone leerlingen bij het spellen in de gebruikte test. Het verschil tussen leerlingen in het hoogste opleidingsniveau en het laagste opleidingsniveau is groot. Bijna 20% van de brugklassers hoort bij de zwakke spellers. Het percentage zwakke spellers loopt van 46% in vmbo-bbl naar 0% bij gymnasium. Dat 0% van de gymnasiumleerlingen in de zwakke groep valt, betekent echter niet dat zij foutloos spellen: bijna een kwart van de gymnasiumleerlingen (23%) schreef in tien of meer van de 40 woorden een of meer fouten.

Het blijkt dat de grammaticaal-morfologische spellingen voor brugklasleerlingen verreweg het moeilijkst zijn. De lexicaal-morfologische spellingen waarvoor morfologische kennis nodig is en de logografische spellingen waarvoor het woordbeeld correct ingeprent moet zijn, worden beter beheerst. De alfabetische spellingen leveren voor de meeste brugklassers geen probleem op.

Het spellen van zwakke lezers
In overeenstemming met de landelijke cijfers valt ongeveer 12% van de onderzochte brugklasleerlingen in de groep van zwakke lezers. Er is een tamelijk grote correlatie v (-.507) tussen de ruwe scores van technisch lezen en de foutenpercentage van het spellen. Toch gaat zwak lezen niet altijd samen met zwak spellen. Er zijn bijvoorbeeld leerlingen (12%) die alleen een ernstig probleem hebben met spellen of alleen een ernstig probleem met lezen (4%). 

5. Conclusies en aanbevelingen
Er zijn grote verschillen gevonden in spellingsvaardigheden tussen opleidingsniveaus. Volgens de onderzoekers heeft dat waarschijnlijk te maken met het gegeven dat spellingsvaardigheid aanwezig is in de selectiecriteria voor het voortgezet onderwijs en dus een rol speelt bij de keuze van een school. De analyse van de spellingtaak laat zien dat dat niet onterecht is. Meer dan technisch lezen doet spelling een beroep op intellectuele capaciteiten. Gevorderd spellen vereist kennis van regels en een strategische aanpak.

Technisch lezen en spellen hangen tamelijk sterk met elkaar samen. Deze relatie betekent dat leerlingen die niet zwak spellen bijna ook altijd redelijk kunnen lezen. Een spellingtest is dus ook een goede eerste stap voor het signaleren van leesproblemen.

 

De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 2007-2009 zijn geschreven door Monique Oechies en Martine Braaksma.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties