Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
leesonderwijs
» technisch lezen
» begrijpend lezen
woordenschat
» receptief
Doelgroep
NT1-leerlingen
Thema
beginsituatie
» leerlingkenmerken
Land
Nederland
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» vmbo
» vwo
Leeftijd
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)
14-15 jaar (3e voortgezet/secundair)
Respondenten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
61-100
Methode van dataverzameling
toetsen/tests
taalvaardigheidstaken
Metalinguïstisch inzicht in de vroege adolescentie.
Milliano, I.I.C., de, & J.J.H. Kurvers
2010
p. 334-350
in: Pedagogische Studiën, jrg. 87 , nr. 5
1. Achtergrond
Beleidsmakers en
onderwijskundigen maken zich zorgen over het niveau van de geletterdheid
van groepen jongeren. In dit
onderzoek werd het metalinguïstisch inzicht, een belangrijk deelaspect van
geletterdheid, bij jongeren onderzocht. Om directe onderwijseffecten te
vermijden werd metalinguïstisch inzicht niet onderzocht met typisch schoolse
taaltaken, maar werd het begrip van zogenaamde raadselgrappen, taal van 'de straat',
onderzocht.
2. Vraagstelling
- Is er een effect van raadseltype, en dus van cognitieve en linguïstische kennis en vaardigheid die nodig is om een grap te doorzien?
- Is er een effect van leerjaar op het raadselbegrip van jonge adolescenten?
- Is er een effect van opleidingstype op raadselbegrip?
- Is er een relatie tussen begrip van raadsels en woordenschat?
Dezelfde vragen werden ook
gesteld voor waardering en de verhouding tussen raadselwaardering en
raadselbegrip.
3. Methode
Aan het onderzoek namen 91
leerlingen deel van drie middelbare scholen in Zeeland en Noord-Brabant. Van
alle leerlingen gaven er 81 aan het Nederlands als moedertaal te hebben, 8
leerlingen gaven aan een andere taal dan het Nederlands te spreken. In totaal
deden 46 vmbo-leerlingen
(basisberoeps- en kaderberoepsgerichte leerweg), en 45 vwo-leerlingen mee aan het onderzoek. De
verdeling tussen eerste- en derdeklassers was voor beide opleidingstypen gelijk
verdeeld.
Om het metalinguïstisch inzicht te meten is een Raadseltest ontwikkeld. Er werd onderscheid gemaakt tussen linguïstische en conceptuele raadsels. Bij linguïstische raadsels schuilt de humor in de taal, bij conceptuele in kennis van de wereld. Na elk raadsel moesten de leerlingen het raadsel uitleggen en hun waardering voor de grap uitspreken. Om de relatie tussen raadselbegrip (metalinguïstisch inzicht) en woordenschat te onderzoeken is een verkorte versie van een woordenschattest afgenomen.
4. Resultaten
De conceptuele raadsels werden over het algemeen het best
uitgelegd, gevolgd door lexicale raadsels. De raadsels werden beter uitgelegd
door derdeklassers dan door eersteklassers; dat gold voor het totaalgemiddelde
en voor elk raadseltype afzonderlijk. De raadsels werden ook beter uitgelegd door vwo-leerlingen dan door
vmbo-leerlingen; dat gold voor zowel het totaalgemiddelde als voor elk raadseltype afzonderlijk. De
verschillen tussen de opleidingstypen zijn steeds groter dan de verschillen
tussen de eerste en de derde klas.
Voor alle raadseltypen gold een positieve samenhang met leeswoordenschat: leerlingen met een grotere woordenschat hebben betere metalinguïstische vaardigheden. Verder bleek er weinig samenhang tussen raadselbegrip en raadselwaardering: leerlingen bleken ook andere criteria zoals het onderwerp te hanteren om een grap al dan niet te waarderen. Ten slotte was het opvallend dat op het vwo het metalinguïstisch inzicht en de woordenschat van derdeklassers hoger was dan van eersteklassers, maar dat dit niet gold voor het vmbo.
5. Conclusies
Vanwege de gevonden samenhang
met woordenschat, leerjaar (leeftijd) en opleiding, mag geconcludeerd worden
dat begrip van linguïstische raadselgrappen voor jonge adolescenten (ouder dan
12 jaar) een valide en geschikte operationalisatie is van metalinguïstisch
inzicht.
6. Aanbevelingen
Eerst moet volgens de
onderzoekers nagegaan worden of de voorzichtige conclusies die hier getrokken zijn,
op basis van een grootschaliger en/of longitudinaal onderzoek bevestigd worden.
Mocht dat zo zijn, dan dringt zich volgens hen de vervolgvraag op hoe het komt
dat vmbo-leerlingen lijken te
stageneren in hun taalontwikkeling.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 2007-2009 zijn geschreven door Monique Oechies en Martine Braaksma.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties