Databank doorzoeken

Taal op klompen. Uitkomsten van een onderzoek naar taalfouten aan het einde van het voortgezet onderwijs

Van de Gein, J.
2012
p. 13-30
in: Levende Talen Tijdschrift, jrg. 4


» De volledige tekst van deze publicatie: alle artikelen uit Levende Talen Tijdschrift kunnen gedownload worden in het online archief (vanaf jaargang 11 - 2010).


1. Achtergrond
Er is een tekort aan empirische gegevens over taalfouten die leerlingen aan het einde van het voortgezet onderwijs in hun teksten maken.


2. Vraagstelling
Welke fouten in taalgebruik en taalverzorging maken eindexamenkandidaten havo en vwo in geschreven teksten?


3. Methode
Van een middelbare school zijn 44 examenteksten uit 2008 en 65 examenteksten uit 2009 geanalyseerd op fouten in taalgebruik en taalverzorging. Het zijn teksten die meetellen voor het eindcijfer van het schoolexamen, waarvoor leerlingen zowel een cijfer voor inhoud als voor taal hebben gekregen. Het zijn betogen en beschouwingen over vijf onderwerpen geschreven door 65 havisten en 35 vwo'ers: 54 jongens, 46 meisjes. Bij het tellen en classificeren van taalfouten is gebruik gemaakt van een handboek dat ook gebruikt wordt in het periodiek onderzoek naar taalkwaliteit op de basisschool. Er worden dertien fouten onderscheiden, onderverdeeld in fouten in taalgebruik en taalverzorging. Bij fouten in taalgebruik gaat er iets fout in de wijze waarop de kandidaat zich uitdrukt. Dat kan gaan om verkeerd gebruik van voegwoorden, lidwoorden en voorzetsels, maar ook om verkeerde formuleringen en verbasteringen et cetera. Bij fouten in taalverzorging gaat het om spelfouten en fouten in de grammatica en interpunctie.


4. Resultaten
De 109 teksten bevatten samen 3268 fouten. Geen van de teksten is foutloos. Havisten maken gemiddeld meer fouten dan vwo'ers. Er zijn 1396 fouten in taalgebruik geteld, hoofdzakelijk fouten in woordcombinaties en -betekenissen en verkeerde formuleringen. In de havoteksten staan verhoudingsgewijs iets vaker fouten in voegwoorden en lidwoorden, maar in ongeveer net zo veel havo- als vwo-teksten staan foute voorzetsels, verkeerde formuleringen en fouten in woordcombinaties en woordbetekenissen. Er zijn wel aanwijzingen dat het vocabulaire van vwo'ers groter is dan dat van havisten en dat hun werk in bepaalde opzichten grammaticaal complexer is. Havisten brengen hun standpunten veel directer dan vwo’ers, die hun standpunten markeren met woorden als 'gelukkig', 'hopelijk', 'helaas'.

Er zijn 1872 fouten in taalverzorging geteld: 654 grammaticale fouten, 567 fouten op het snijvlak van grammatica en spelling, 466 interpunctiefouten en 185 zuivere spelfouten. In vrijwel alle havoteksten staan verwijsfouten en interpunctiefouten. In een ruime meerderheid staan aaneenschrijffouten, fout gespelde werkwoorduitgangen en zuivere spelfouten. In ongeveer de helft van de teksten staan congruentiefouten. De vwo'ers brengen het er in vergelijking met de havisten op een aantal onderdelen aanzienlijk beter vanaf. Echter, ook bij hen komen veel verwijs-, interpunctie- en aaneenschrijffouten voor en in om en nabij de helft van de teksten staan congruentiefouten en zuivere spelfouten. De verwijsfouten, de grootste bron van fouten in taalverzorging, zijn bijna uitsluitend incongruenties in getal en geslacht. Verder valt bij de fouten in voornaamwoord op dat er vooral fouten gemaakt worden met jou en jouw, me/mijn, ze/zijn.


5. Conclusies en aanbevelingen
Afgemeten naar de nu geldende scholingsnormen is het taalgebruik en de taalverzorging in het schrijfwerk van leerlingen aan het einde van het middelbaar onderwijs onder de maat. Havo- en vwo-eindexamenkandidaten, die scholingsniveau 3F en 4F bereikt zouden moeten hebben, maken nog volop fouten in voorzetsels en idiomatische uitdrukkingen, hun woordkeuze is verre van adequaat en ze maken veel fouten. Ook het niveau van taalverzorging laat veel te wensen over. Over de grootste bron van fouten in dit onderzoek, verwijsfouten, is het Referentiekader onduidelijk. Vier andere onderdelen van taalverzorging werkt het Referentiekader wel uit: interpunctie, het schrijven van woorden volgens het Nederlandse spellingsysteem, het schrijven van samengestelde woorden en het spellen van werkwoorduitgangen. Hier mogen leerlingen aan het einde van de middelbare school geen problemen meer mee hebben. Het niveau komt op drie van de vier onderdelen echter overeen met dat van de basisschool of is zelfs slechter. De werkwoordspelling is aan het einde van het voortgezet onderwijs niet het grootste talige struikelblok. Woordkeuze, formuleren, interpunctie en verwijzen gaan veel vaker fout. Er is een enorme discrepantie tussen de nu geldende scholingscriteria en het feitelijke niveau. De grote vraag is dan ook: hoe krijgen we het niveau van schrijven omhoog?


De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 2011-2013 zijn gemaakt door Martine Braaksma.