taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2005 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
literatuuronderwijs
» poëzie
» jeugdliteratuur
» volwassenenliteratuur

Doelgroep
NT1-leerlingen

Thema
onderwijsleeractiviteiten
» descriptief onderzoek

Land
Nederland

Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» vwo
» havo

Leeftijd
15-16 jaar (4e voortgezet/secundair)
16-17 jaar (5e voortgezet/secundair)
17-18 jaar (6e voortgezet/secundair)

Tekstsoort
verhalende teksten

Respondenten
leerkrachten

Aantal respondenten
0-10

Methode van dataverzameling
interviews

Het leesdossier bij literatuur

Een onderzoek naar problemen en oplossingen in de praktijk.
Hamel, J.
SLO, 1997

Achtergrond

Hamel verrichtte haar onderzoek (1995-1996, dus nog voor de invoering van de Tweede Fase) om inzicht te krijgen welke invullingen er aan het leesdossier in de praktijk gegeven worden. Het onderzoek is gericht op problemen en knelpunten (en oplossingen daarvoor) die bestaan met betrekking tot het leesdossier, in welke categorieën die problemen zijn onder te brengen en op welke opvattingen over het leesdossier ze zijn terug te voeren.

Vraagstelling

Welke problemen doen en deden zich in de praktijk voor met het leesdossier en hoe werden die problemen opgelost, welke categorieën zijn daarin te onderscheiden, en tot welke opvattingen over het leesdossier zijn de problemen terug te voeren?

Methode

Hamel heeft contact gezocht met vijf scholen die ervaring hebben op het gebied van het leesdossier. De scholen verschilden onderling in hun werkwijze met het leesdossier. Hamel heeft zich een beeld gevormd van het instructiemateriaal voor leerlingen met betrekking tot het leesdossier en heeft de deelnemende docenten geïnterviewd. Een interviewschema met vragen over onder andere de invoering, begeleiding, beoordeling en toetsing van het leesdossier vormde de basis voor de gesprekken.

Resultaten

Er wordt op de bevraagde scholen nogal verschillend met het leesdossier gewerkt. De werkwijze met het leesdossier wordt hieronder voor het vak Nederlands weergegeven, tenzij anders is vermeld. School A: -In 4-vwo 4/5-HAVO: van elk boek een leesverslag. Daarin komt aan de orde: ·tekstbeleving ·tekstbestudering ·achtergronden -In 5/6-vwo moeten de leerlingen van elk boek een essay schrijven met aandacht voor formele kenmerken, maar vooral voor wat de leerlingen belangrijk vinden in het boek en hoe het boek volgens hen in elkaar zit. -In vwo 5 en 6 mogen leerlingen ook naar toneelvoorstellingen. Ze moeten vervolgens een recensie over de voorstelling schrijven. -Leerlingen in een toneelgroep mogen voor hun leesdossier een logboek bijhouden en het proces in toneelgroep bespreken. School B: Inhoud leesdossier: -Leesautobiografie. -Inhoudsopgave van de boekenlijst met daarin aangegeven wanneer leerlingen begonnen met het boek en wanneer ze klaar waren. -Boekverslag met daarin een samenvatting (uittrekselboek mag), analyse (opbouw, titel, thema etc.) en eigen mening. Vwo moet ook nog de plaatsing van het boek in historisch perspectief weergeven en het gebruik van secundaire literatuur en een uitgebreidere en beter onderbouwde mening. School C: -Al in de brugklas wordt gewerkt met een leesdossier: leerlingen moeten van vier jeugdboeken leesverslagen maken (vooral eigen mening). -Vakoverstijgend: twintig opdrachten waaruit de leerlingen er één of meer moeten kiezen. Over elke periode (bijv. middeleeuwen) moeten leerlingen opdrachten maken. -Opdrachten zijn gericht op eigen verwerking. Bijvoorbeeld: ‘Interview enkele schrijvers uit de romantiek, de antwoorden die je bedenkt moeten typerend zijn voor de schrijver'. -Leesverslagen (volgens Op Niveau Literair) van tien moderne boeken waarbij van elk boek twee recensies gezocht en samengevat moeten worden. School D (vak Frans): Inhoud leesdossier: -Leesautobiografie en samenvatting van het lievelingsboek. -Van één boek een volledig verslag (analyse van tijd, ruimte, titel etc., maar ook persoonlijke vragen als ‘Welk personage sprak je het meeste aan, welk fragment vond je karakteristiek voor het boek?'). -Van de andere boeken wisselende opdrachten, bijvoorbeeld ‘Schrijf ander verhaaleinde, maak een illustratie, maak een gedicht naar aanleiding van het verhaal'. -Einde schooljaar: kort persoonlijk verslag over negatieve en positieve aspecten leesdossier en wat leerlingen ervan geleerd hebben. School E: -In de brugklas schrijven leerlingen over hun beginsituatie (‘Lees je graag? Mooiste boek etc'.). -Onderbouw: elk jaar zes boeken waarvan verslag wordt gemaakt (zakelijke gegevens, mening en per boek één verwerkingsopdracht). Aan het einde van het jaar wordt een balansverslag gemaakt met top-3 van titels en verhaalfiguren, tevens een verslag van omgang met en veranderingen in het omgaan met literatuur. -Bovenbouw: leesverslag van acht boeken per jaar. De nadruk ligt in het verslag op een beargumenteerde beoordeling van het boek. Ook maken ze weer een balansverslag aan het einde van het jaar. -Examenklas: leerlingen kiezen een thema en lezen daarvan acht boeken. Ze maken leesverslagen van deze boeken. Ze formuleren daarin de vraagstelling over het aspect van dat thema en beantwoorden die m.b.v. achtergrondmateriaal van die vraagstelling. -Einde examenjaar: leerlingen maken een leesautobiografie. De problemen van de scholen met het leesdossier zijn onder te brengen in zes categorieën: organisatie op sectieniveau, inhoud en kwaliteit, motivatie en wekhouding van leerlingen, fraude, begeleiding, en beoordeling en toetsing. Een aantal oplossingen voor de problemen zijn: zorg voor overeenstemming in de sectie over de doelstelling van het leesdossier en zorg voor een geïntegreerd leesdossier voor MVT, CKV en Nederlands (organisatie op sectieniveau). Laat leerlingen opdrachten maken waarvan de antwoorden niet in uittrekselboeken staan. Oefen alvast vanaf de brugklas (inhoud en kwaliteit). Geef niet steeds dezelfde opdrachten, maar varieer in soort en laat leerlingen zelf uit opdrachten kiezen (motivatie en werkhouding van leerlingen). Wissel per jaar van opdrachten en geef vooral tekstervarende opdrachten (fraude). Kijk niet alles na en laat leerlingen op elkaars werk reflecteren (begeleiding). Beoordeel door middel van reflectieopdrachten en laat het leesdossier de basis zijn voor het mondeling (beoordeling en toetsing). Er bestaat vaak een verband tussen de problemen die men ervaart en de doelstelling die men heeft. Docenten die de meeste problemen hebben, werken ongeveer op dezelfde manier met het leesdossier en hebben ook dezelfde doelstelling. De nadruk ligt bij hen op tekstbestudering. Leerlingen moeten boekverslagen maken, die voor het grootste deel betrekking hebben op de formele analyse van boeken. Daarnaast moeten leerlingen wel hun eigen mening geven, maar hier worden ze niet echt in getraind. Deze docenten noemen dit aspect ook niet in hun doelstellingen. Hun doelstelling kan samengevat worden als ‘controle- en verzamelmiddel bij het lezen voor de lijst'. Deze docenten zouden hun problemen kunnen oplossen door zich te bezinnen op hun doelstelling van het literatuuronderwijs.

Conclusies

Het leesdossier werkt niet als het wordt gebruikt als controlemiddel bij het traditionele, cognitieve, reproductieve en op tekstbestudering gerichte literatuuronderwijs. Het leesdossier werkt wel en goed als het wordt gebruikt als een hulpmiddel bij een vorm van literatuuronderwijs waarin aandacht is voor tekstervaringsprocedures en ruimte voor verschillende leerlingen met hun individuele voorkeuren en leerstijlen. .

Aanbevelingen

Omdat reflectie zo belangrijk is in het leesdossier, zou er lesmateriaal voor het leesdossier ontwikkeld moeten worden waarin leerlingen leren reflecteren (in een longitudinale lijn). Zo'n longitudinale lijn zou ook ontwikkeld moeten worden voor hetgeen leerlingen moeten doen en leren voor hun leesdossier. Ook de didactiek van het leesdossier in de Tweede Fase moet nader worden uitgewerkt. Vraag hierbij is: 'Hoe moeten leerlingen leren om met hun leesdossier te werken?'. Ten slotte is het zinvol om onderzoek te doen naar de mening van leerlingen over het leesdossier

Opmerkingen

Achtergrond

Hamel verrichtte haar onderzoek (1995-1996, dus nog voor de invoering van de Tweede Fase) om inzicht te krijgen welke invullingen er aan het leesdossier in de praktijk gegeven worden. Het onderzoek is gericht op problemen en knelpunten (en oplossingen daarvoor) die bestaan met betrekking tot het leesdossier, in welke categorieën die problemen zijn onder te brengen en op welke opvattingen over het leesdossier ze zijn terug te voeren.

Vraagstelling

Welke problemen doen en deden zich in de praktijk voor met het leesdossier en hoe werden die problemen opgelost, welke categorieën zijn daarin te onderscheiden, en tot welke opvattingen over het leesdossier zijn de problemen terug te voeren?

Methode

Hamel heeft contact gezocht met vijf scholen die ervaring hebben op het gebied van het leesdossier. De scholen verschilden onderling in hun werkwijze met het leesdossier. Hamel heeft zich een beeld gevormd van het instructiemateriaal voor leerlingen met betrekking tot het leesdossier en heeft de deelnemende docenten geïnterviewd. Een interviewschema met vragen over onder andere de invoering, begeleiding, beoordeling en toetsing van het leesdossier vormde de basis voor de gesprekken.

Resultaten

Er wordt op de bevraagde scholen nogal verschillend met het leesdossier gewerkt. De werkwijze met het leesdossier wordt hieronder voor het vak Nederlands weergegeven, tenzij anders is vermeld. School A: -In 4-vwo 4/5-HAVO: van elk boek een leesverslag. Daarin komt aan de orde: ·tekstbeleving ·tekstbestudering ·achtergronden -In 5/6-vwo moeten de leerlingen van elk boek een essay schrijven met aandacht voor formele kenmerken, maar vooral voor wat de leerlingen belangrijk vinden in het boek en hoe het boek volgens hen in elkaar zit. -In vwo 5 en 6 mogen leerlingen ook naar toneelvoorstellingen. Ze moeten vervolgens een recensie over de voorstelling schrijven. -Leerlingen in een toneelgroep mogen voor hun leesdossier een logboek bijhouden en het proces in toneelgroep bespreken. School B: Inhoud leesdossier: -Leesautobiografie. -Inhoudsopgave van de boekenlijst met daarin aangegeven wanneer leerlingen begonnen met het boek en wanneer ze klaar waren. -Boekverslag met daarin een samenvatting (uittrekselboek mag), analyse (opbouw, titel, thema etc.) en eigen mening. Vwo moet ook nog de plaatsing van het boek in historisch perspectief weergeven en het gebruik van secundaire literatuur en een uitgebreidere en beter onderbouwde mening. School C: -Al in de brugklas wordt gewerkt met een leesdossier: leerlingen moeten van vier jeugdboeken leesverslagen maken (vooral eigen mening). -Vakoverstijgend: twintig opdrachten waaruit de leerlingen er één of meer moeten kiezen. Over elke periode (bijv. middeleeuwen) moeten leerlingen opdrachten maken. -Opdrachten zijn gericht op eigen verwerking. Bijvoorbeeld: ‘Interview enkele schrijvers uit de romantiek, de antwoorden die je bedenkt moeten typerend zijn voor de schrijver'. -Leesverslagen (volgens Op Niveau Literair) van tien moderne boeken waarbij van elk boek twee recensies gezocht en samengevat moeten worden. School D (vak Frans): Inhoud leesdossier: -Leesautobiografie en samenvatting van het lievelingsboek. -Van één boek een volledig verslag (analyse van tijd, ruimte, titel etc., maar ook persoonlijke vragen als ‘Welk personage sprak je het meeste aan, welk fragment vond je karakteristiek voor het boek?'). -Van de andere boeken wisselende opdrachten, bijvoorbeeld ‘Schrijf ander verhaaleinde, maak een illustratie, maak een gedicht naar aanleiding van het verhaal'. -Einde schooljaar: kort persoonlijk verslag over negatieve en positieve aspecten leesdossier en wat leerlingen ervan geleerd hebben. School E: -In de brugklas schrijven leerlingen over hun beginsituatie (‘Lees je graag? Mooiste boek etc'.). -Onderbouw: elk jaar zes boeken waarvan verslag wordt gemaakt (zakelijke gegevens, mening en per boek één verwerkingsopdracht). Aan het einde van het jaar wordt een balansverslag gemaakt met top-3 van titels en verhaalfiguren, tevens een verslag van omgang met en veranderingen in het omgaan met literatuur. -Bovenbouw: leesverslag van acht boeken per jaar. De nadruk ligt in het verslag op een beargumenteerde beoordeling van het boek. Ook maken ze weer een balansverslag aan het einde van het jaar. -Examenklas: leerlingen kiezen een thema en lezen daarvan acht boeken. Ze maken leesverslagen van deze boeken. Ze formuleren daarin de vraagstelling over het aspect van dat thema en beantwoorden die m.b.v. achtergrondmateriaal van die vraagstelling. -Einde examenjaar: leerlingen maken een leesautobiografie. De problemen van de scholen met het leesdossier zijn onder te brengen in zes categorieën: organisatie op sectieniveau, inhoud en kwaliteit, motivatie en wekhouding van leerlingen, fraude, begeleiding, en beoordeling en toetsing. Een aantal oplossingen voor de problemen zijn: zorg voor overeenstemming in de sectie over de doelstelling van het leesdossier en zorg voor een geïntegreerd leesdossier voor MVT, CKV en Nederlands (organisatie op sectieniveau). Laat leerlingen opdrachten maken waarvan de antwoorden niet in uittrekselboeken staan. Oefen alvast vanaf de brugklas (inhoud en kwaliteit). Geef niet steeds dezelfde opdrachten, maar varieer in soort en laat leerlingen zelf uit opdrachten kiezen (motivatie en werkhouding van leerlingen). Wissel per jaar van opdrachten en geef vooral tekstervarende opdrachten (fraude). Kijk niet alles na en laat leerlingen op elkaars werk reflecteren (begeleiding). Beoordeel door middel van reflectieopdrachten en laat het leesdossier de basis zijn voor het mondeling (beoordeling en toetsing). Er bestaat vaak een verband tussen de problemen die men ervaart en de doelstelling die men heeft. Docenten die de meeste problemen hebben, werken ongeveer op dezelfde manier met het leesdossier en hebben ook dezelfde doelstelling. De nadruk ligt bij hen op tekstbestudering. Leerlingen moeten boekverslagen maken, die voor het grootste deel betrekking hebben op de formele analyse van boeken. Daarnaast moeten leerlingen wel hun eigen mening geven, maar hier worden ze niet echt in getraind. Deze docenten noemen dit aspect ook niet in hun doelstellingen. Hun doelstelling kan samengevat worden als ‘controle- en verzamelmiddel bij het lezen voor de lijst'. Deze docenten zouden hun problemen kunnen oplossen door zich te bezinnen op hun doelstelling van het literatuuronderwijs.

Conclusies

Het leesdossier werkt niet als het wordt gebruikt als controlemiddel bij het traditionele, cognitieve, reproductieve en op tekstbestudering gerichte literatuuronderwijs. Het leesdossier werkt wel en goed als het wordt gebruikt als een hulpmiddel bij een vorm van literatuuronderwijs waarin aandacht is voor tekstervaringsprocedures en ruimte voor verschillende leerlingen met hun individuele voorkeuren en leerstijlen. .

Aanbevelingen

Omdat reflectie zo belangrijk is in het leesdossier, zou er lesmateriaal voor het leesdossier ontwikkeld moeten worden waarin leerlingen leren reflecteren (in een longitudinale lijn). Zo'n longitudinale lijn zou ook ontwikkeld moeten worden voor hetgeen leerlingen moeten doen en leren voor hun leesdossier. Ook de didactiek van het leesdossier in de Tweede Fase moet nader worden uitgewerkt. Vraag hierbij is: 'Hoe moeten leerlingen leren om met hun leesdossier te werken?'. Ten slotte is het zinvol om onderzoek te doen naar de mening van leerlingen over het leesdossier

Opmerkingen

De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties