Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
literatuuronderwijs
» poëzie
Doelgroep
NT2-leerlingen/cursisten
NT1-leerlingen
Thema
beginsituatie
Land
Nederland
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» vwo
» havo
Leeftijd
15-16 jaar (4e voortgezet/secundair)
Tekstsoort
verhalende teksten
Respondenten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
41-60
Methode van dataverzameling
toetsen/tests
Lezen met het vaderland in je achterhoofd
Een onderzoek naar invloed van culturele achtergrond op verwerking van poëzie van allochtone jongeren.
Platteel, T.
2001
p. 45-51
Tsjip/Letteren, 2
Achtergrond
Een goed begrip van metaforen hangt af van de hoeveelheid kennis van een bepaald onderwerp: het kennisdomein. Naarmate de kennis toeneemt, is er een patroon van begrip te zien. Kennis is afhankelijk van de ervaringen en persoonlijke kenmerken van een persoon. In dit onderzoek is de metafoor een hulpmiddel bij het vaststellen van de rol van de cultuur in het leesgedrag van jongeren.
Vraagstelling
-Heeft culturele achtergrond invloed op de receptie van poëzie?
Methode
De proefpersonen waren 50 leerlingen in 4-HAVO en 4-vwo. De havo-groep bestond uit 32 leerlingen: zestien jongens en zestien meisjes. De vwo-groep bestond uit achttien personen: twaalf jongens en zes meisjes. De klassen bestonden uit Nederlanders, Turken, Marokkanen, Surinamers, Hindoestanen, Kroaten, Javanen, Macedoniërs en Antilianen. Van alle jongeren gaf 44% als antwoord zowel Nederlands als een andere taal te spreken. Het gezin werd dan ook gezien als combinatie van twee culturen. In de havo-groep spreken meer leerlingen naast het Nederlands een andere taal. In totaal spreekt 67% van de vwo-ers thuis Nederlands, terwijl dat bij de havo slechts 35% is. Van alle leerlingen is 66% in Nederland geboren; 35% van de havo-leerlingen en 23 % van de vwo-leerlingen is geboren in een land buiten Nederland. Voorafgaand aan het onderzoek is klassikaal een korte inleiding/herhaling gegeven over metaforen. De inleiding/herhaling en een test werden klassikaal afgenomen in een lesuur van 50 minuten. Alle leerlingen vulden vooraf in wat hun geboorteland was, welke taal thuis gesproken werd en hoe de jongeren zelf hun gezin zouden omschrijven. De test bevatte vier gedichten: twee gedichten van de Marokkaans-Berberse dichter Mimoun Elwalid, 'Reikend naar het licht' en 'Mist', vertaald door Roel Otten. En twee gedichten van Vasalis: 'Voorjaar' en 'Avond aan zee'. De leerlingen moesten de passages onderstrepen die volgens hen metaforisch waren. Daarnaast moesten ze achterhalen waar de metafoor voor stond en de metafoor herformuleren. Verder werd de leerlingen gevraagd een interpretatie van de gedichten te geven en een waardering.
Resultaten
Vwo-leerlingen waren veel nauwkeuriger in het aanstrepen van en het herformuleren van de metaforen dan havo-leerlingen. Dit verschil kwam met name tot uitdrukking bij de groep Nederlandse leerlingen in havo en vwo. Het verschil in culturele achtergrond kwam vooral tot uiting in de taalvaardigheid. Vaak hadden de leerlingen uit de allochtone groep meer moeite met het begrijpen van de woorden en dus met het herformuleren. Zowel Nederlandse als allochtone jongeren waren in staat de metaforen in de gedichten te identificeren.Wel streepten de Marokkaanse jongeren minder aan en waren ook minder nauwkeurig dan de overigen. Er is geen verschil tussen Marokkaans-Berberse jongeren en de andere jongeren bij het identificeren van metaforen die verwijzen naar de Marokkaans-Berberse cultuur. De interpretaties en manier van interpreteren liepen sterk uiteen. Vooral de vwo-leerlingen bleven dicht bij de tekst en hun antwoorden waren vaak uitgebreider. Van de vwo-leerlingen gaf 49% een uitgebreid antwoord bij de interpretatie, bij de havo-leerlingen was dit 38%. De interpretaties liepen van letterlijk herhalen tot volledig symbolisch interpreteren. De waardering bij allochtone jongeren voor de allochtone dichter was niet groter dan bij de andere leerlingen. Er waren onderling grote verschillen in waardering. Wel was er gemiddeld meer waardering voor een gedicht met een emotionele lading.
Conclusies
Bij het onderstrepen van de metaforen blijkt er geen significant verschil te bestaan tussen de Nederlandse en de allochtone jongeren met betrekking tot het onderstrepen van metaforen die naar hun eigen cultuur verwijzen. Het herformuleren levert, afgezien van verschillen in taalbeheersing, veel problemen op. Nederlandse jongeren kunnen niet beter met Nederlandse metaforen uit de voeten, net zo min als allochtone jongeren makkelijker de metaforen van de allochtone dichter kunnen herformuleren. Ook de waardering staat los van de culturele achtergrond.
Aanbevelingen
De jongeren die hebben meegedaan aan dit onderzoek bleken in staat om gedichten uit hun eigen cultuur en die van een andere cultuur te interpreteren en te waarderen. Uit de resultaten van de test bleek dat veel jongeren de gedichten meer waardeerden nadat ze de test hadden gedaan. Het parafraseren van de metaforen leidde vaak tot meer begrip van de metaforen en het gedicht in het geheel. Belangrijk blijft het gesprek over de gedichten en het meer doen dan alleen maar lezen.
Opmerkingen
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
