Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
literatuuronderwijs
Doelgroep
NT1-leerlingen
Thema
onderwijsleeractiviteiten
» descriptief onderzoek
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
Leeftijd
15-16 jaar (4e voortgezet/secundair)
16-17 jaar (5e voortgezet/secundair)
17-18 jaar (6e voortgezet/secundair)
Canons in context
Canonvorming in het literatuuronderwijs in Nederland en Vlaanderen.
Moerbeek, J.L.M.
Proefschrift Universiteit Utrecht, 1998
Achtergrond
In het literatuuronderwijs komen diverse canons samen: die van docenten, leerlingen en schoolboeksamenstellers. In dit promotieonderzoek is onderzocht in hoeverre er verschillende canons zijn te onderscheiden binnen het literatuuronderwijs in Nederland en Vlaanderen, hoe die canons zijn samengesteld, waarin ze overeenkomen en afwijken, en hoe ze interfereren. Het empirische deel van het onderzoek is uitgevoerd in het schooljaar 1992-1993.
Vraagstelling
1. In hoeverre komen de selecties van docenten, leerlingen en schoolboeksamenstellers overeen? 2. Hoe is de culturele relatie tussen Nederland en Vlaanderen? Vormen de Vlaamse en Noord-Nederlandse literatuur twee aparte grootheden of zijn zij samen een groot systeem? Hoe interfereren beide (deel)systemen in het literatuuronderwijs? Welke plaats nemen Vlaamse schrijvers in binnen het Nederlandse literatuuronderwijs en andersom? In hoeverre vertonen de selecties in Nederland en Vlaanderen overeenkomsten en verschillen?
Methode
Aan de hand van een enquête onder docenten Nederlands die lesgeven aan de drie hoogste klassen van het secundair onderwijs in Nederland en Vlaanderen is onderzocht welke schoolboeken in het schooljaar 1992/1993 het meest gebruikt zijn voor de literatuurles en welke tekst- en auteurskeuzes zijn gemaakt in de lespraktijk. Deze selecties zijn vergeleken met de keuzes van de samenstellers van de meest gebruikte schoolboeken. Om de selecties van de afzonderlijke groepen in kaart te brengen, is een beschrijvingsmodel ontworpen op basis van frequentie en similariteit. Daardoor werd de regionale gebondenheid van tekstkeuzes beschrijfbaar plus de hiërarchieverdeling en overlappingen in tekstkeuzes. In totaal zijn er 900 scholen aangeschreven, 600 in Nederland en 300 in Vlaanderen (in verschillende regio's). In principe is er per school één enquêteformulier verstuurd. Uiteindelijk zijn er 300 formulieren geretourneerd, aan bruikbare formulieren bleven uiteindelijk 138 Nederlandse en 140 Vlaamse over. In de enquête werd onder andere gevraagd naar het gebruikte lesmateriaal, de eisen die de docenten stelden aan de door de leerlingen te lezen teksten in het kader van de zelfstandige lectuur en welke boeken en auteurs de leerlingen het meeste lazen. Ook werd de docenten gevraagd volgens welke methode zij zelf les hadden gekregen in het voortgezet onderwijs. De schoolboeken (leerlingboeken) die uit de enquête kwamen als meest gebruikt of gewenst zijn geanalyseerd. Deze boeken moesten wel goed vergelijkbaar zijn met de andere schoolboeken, anders werden ze buiten beschouwing gelaten. De volgende boeken werden geselecteerd: Onze literatuur (Calis), Nederlandse literatuur (Dautzenberg), Literatuur; geschiedenis en bloemlezing (Lodewick), Script (Smulders), De gouden poort (Kuypers e.a.), Wild van de inkt (De Schutter), Melopee (Bousset e.a.).
Resultaten
De enquête Er is nauwelijks een gemeenschappelijk kader van waaruit onderwezen wordt en waarop het vervolgonderwijs kan aansluiten. Er is weinig overeenstemming met betrekking tot de selectie van auteurs en teksten, noch in Nederland noch in Vlaanderen, niet bij de docenten en al helemaal niet bij de leerlingen. Kennelijk is het keuzereservoir te groot om een eenduidige keuze te maken. Op te merken valt dat de teksten uit de Middeleeuwen en de Renaissance de stevigste positie hebben. Zij behaalden het hoogste aantal vermeldingen in diverse frequentietabellen. De grens voor consensus lag op vijf vermeldingen. Slechts twee namen staan steeds hoog genoteerd, zowel in Nederland en Vlaanderen, als bij leraren en leerlingen en bij de gebruikers van de tien meest genoemde schoolboeken: Multatuli met Max Havelaar en Mulisch met De aanslag. Met betrekking tot de periode- en genreverdeling van de verschillende teksten die in de praktijk aan de orde komen, kan gesteld worden dat hoe verder we terug gaan in de tijd, hoe stereotieper de keus wordt. Docenten bieden teksten aan van alle periodes en alle genres, alhoewel drama en essay ondervertegenwoordigd zijn; leerlingen lezen vrijwel uitsluitend een genre, proza, uit één periode: na 1960. Er valt een duidelijke regionale gebondenheid waar te nemen in de tekst- en auteurskeuze, zodat men niet zonder meer kan spreken van een gedeelde culturele achtergrond in Nederland en Vlaanderen. Meer dan hun Nederlandse collega's staan Vlaamse docenten echter ook open voor andere culturen (inclusief Nederland) en hoewel de leerplannen in Vlaanderen strakker geformuleerd zijn dan in Nederland nemen de Vlaamse docenten meer vrijheid. De selectie in schoolboeken Veel schoolboeken lopen over van informatie. Docenten blijken dan ook keuzes te maken uit het totale aanbod van hun schoolboek, waarbij ze zich veelal wel houden aan de volgorde van het boek. Ook wordt het boek niet altijd voor 100% gebruikt in de lespraktijk. Alleen Onze literatuur, Nederlandse literatuur en Melopee kenden een gebruikspercentage van meer dan 50%. Het merendeel van de schoolboeken is chronologisch geordend, met hier en daar de mogelijkheid tot thematisch gebruik. In dat opzicht sluiten de boeken goed aan bij de behoefte van docenten. Veruit de meerderheid van docenten (zowel in Nederland als in Vlaanderen) kiest voor een chronologische ordening. Op de tweede plaats staat in Nederland een ordening naar thema's en in Vlaanderen een ordening naar genres. Vrijwel alle schoolboeksamenstellers willen een overzicht geven van de belangrijkste literaire werken maar ze hebben allemaal hun eigen belangrijkste werken. Er is weinig consensus, gezien de grote variatie in titels en fragmenten, zelfs voor wat de Middeleeuwen betreft. Toch valt er wel een aantal titels en schrijvers aan te wijzen die, zowel in Nederland als Vlaanderen, in de meerderheid van de schoolboeken terugkeren, bijvoorbeeld: Beatrijs, Karel ende Elegast, Van den vos Reynaerde, Een bruid in de morgen (Claus), De donkere kamer van Damocles (Hermans) en De aanslag (Mulisch). Over het algemeen wordt in de schoolboeken de Nederlandse en de Vlaamse literatuur gescheiden behandeld. Zowel de Nederlandse als de Vlaamse schoolboeken gaan uit van de dominante positie van de Nederlandse literatuur, al wordt de eigen literatuur niet uit het oog verloren in Vlaanderen.
Conclusies
Vraag 1. Het blijkt dat schoolboekauteurs er niet op uit zijn om elkaar na te praten. Op grond van literatuurhistorische, didactische en pragmatische overwegingen, maar ook onder invloed van ideologische en geografische factoren brengt eenieder zijn accenten aan. Eenzelfde tendens werd gezien bij de tekstkeuzes in de lespraktijk, zodat er geconcludeerd wordt dat canonvorming het resultaat is van menselijk handelen, afhankelijk van tijd, plaats en doel. Vraag 2. Over het algemeen kan men stellen dat de Vlaamse en Nederlandse cultuur binnen het literatuuronderwijs als twee gescheiden circuits functioneren, met hier en daar overlappingen. Deze scheiding is historisch bepaald en het is de vraag of de invoering van de onderwijs-vernieuwing in de jaren negentig, met de toegenomen aandacht voor grensoverschrijdend literatuuronderwijs hieraan iets heeft kunnen veranderen.
Aanbevelingen
Het huidige onderzoek heeft in kaart gebracht wat behandeld is, zowel in de schoolboeken als in de lespraktijk. In een volgende fase zou onderzocht moeten worden hoe Nederlandse schrijvers in het Vlaamse literatuuronderwijs gepresenteerd worden en andersom. Door middel van een zorgvuldige inhoudsanalyse van de schoolboeken kunnen de normen en verwachtingen die aan de selecties ten grondslag liggen beschreven worden. Eveneens kunnen de achtergronden van de kwaliteitsoordelen blootgelegd worden, evenals de wijze waarop die waarde-oordelen geformuleerd worden. Wanneer een dergelijk onderzoek om de tien jaar herhaald zou worden, zou er inzicht verkregen kunnen worden hoe normen en verwachtingen zich in de loop van de tijd gewijzigd hebben en wat voor invloed dit heeft op de tekstkeuzes. In haar publicatie in de bundel onder redactie van Schram en Geljon (1998) geeft Moerbeek een aantal concrete leerlingopdrachten die als functie hebben de leerlingen duidelijk te maken dat selecties van boeken tot stand komen op basis van verschillende criteria, bijvoorbeeld persoonlijke voorkeur, literatuuropvatting, confessionele en regionale gebondenheid etc.
Opmerkingen
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
