Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
literatuuronderwijs
» volwassenenliteratuur
» jeugdliteratuur
Doelgroep
NT2-leerlingen/cursisten
NT1-leerlingen
Thema
beginsituatie
Land
Nederland
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
Tekstsoort
verhalende teksten
Respondenten
leerkrachten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
101-200
Methode van dataverzameling
schriftelijke enquête
toetsen/tests
Literatuuronderwijs in een multiculturele samenleving
Geljon, C. & D. Schram
1997
p. 131-138
Het Schoolvak Nederlands. Verslag van de tiende conferentie
Achtergrond
Een groeiend aantal leerlingen heeft een van oorsprong niet-Nederlandse achtergrond. In de steden komt het voor dat meer dan de helft van de leerlingen afkomstig is uit een andere cultuur. De onderzoekers zijn van mening dat het literatuuronderwijs van nu en morgen een interculturele component moet hebben. Empirisch onderzoek is een van de mogelijkheden om dat onderwijs gestalte te geven.
Vraagstelling
1.Wat is de houding van leerlingen ten opzichte van cultureel literatuuronderwijs? 2.Wat is de houding van leraren ten opzichte van het literatuuronderwijs? 3.Hoe reageren leerlingen op een verhaal uit een andere cultuur?
Methode
1. Aan 110 leerlingen is een enquête voorgelegd. 48 Leerlingen hebben een niet-Nederlandse achtergrond, verdeeld over 22 nationaliteiten; 62 leerlingen hebben Nederlandse ouders. In de enquête werd naar de houding t.o.v. het literatuuronderwijs gevraagd. 2. Een vragenlijst is aan docenten van secties Nederlands in het westen van het land gestuurd. Ook hier werd naar de houding t.o.v. het literatuuronderwijs gevraagd. 3a. Met vragenlijsten is de receptie van een Nederlands verhaal (Fraude van Jan Siebelink) onderzocht en de receptie van een verhaal uit de migrantenliteratuur (Gülbahar van Halil Gür). In totaal deden 112 leerlingen van niet-Nederlandse achtergrond mee en 89 met een Nederlandse achtergrond. De vragenlijsten bevatten vragen naar de waardering van het verhaal, de beoordeling van en de identificatie met de personages, de betekenis van de meerduidige elementen in het verhaal en de bedoeling van het verhaal. 3b. Het verhaal uit de migrantenliteratuur is aangeboden met weglating van de laatste bladzijde. De leerlingen werd gevraagd een slot te schrijven.
Resultaten
Kanttekening van de onderzoekers bij de resultaten: het onderzoek was kleinschalig en de variatie in de culturele achtergrond groot. 1. Van de allochtone leerlingen zegt 58% wel eens een boek uit de eigen literatuur te lezen, soms in een Nederlandse vertaling. Hun mening over Nederlandse romans loopt vrijwel parallel aan die van autochtone klasgenoten. Het merendeel van de allochtone leerlingen heeft geen bezwaar tegen klassikale behandeling van een boek uit de eigen literatuur. Maar hoe kleiner het aantal allochtone leerlingen uit een bepaalde achtergrond, hoe groter de aarzelingen. Ze zijn bang dat de leraar er te weinig van afweet en dat de andere leerlingen het toch niet zullen snappen. De leerlingen uit een typisch Nederlands milieu weten weinig of niets van de literatuur uit andere culturen. De migrantenliteratuur is hen nauwelijks bekend. Een kleine meerderheid vindt de behandeling van een verhaal in de les Nederlands een goed idee. Maar er zijn ook tegenstanders die vinden dat het in de les Nederlands om Nederlandse literatuur gaat. 2. 75% Van de leraren heeft ervaring met lesgeven aan gemengde klassen. Vrijwel alle leraren vinden dat intercultureel literatuuronderwijs voor alle leerlingen belangrijk is en dus niet beperkt moet blijven tot gemengde klassen. Ze kiezen daarbij vooral voor een instrumenteel doel: het begrip krijgen voor mensen uit andere culturen' en als middel in de vorming van een multiculturele samenleving'. Als belangrijke problemen bij een interculturele aanpak noemt men: taal, normen en waarden, identificatie en het begrijpen van cultuurgebonden betekenissen, maar vooral een combinatie van al deze factoren. 3a. Leerlingen met een niet-Nederlandse achtergrond als geheel verschillen in hun esthetische ervaring niet noemenswaardig van de leerlingen met een Nederlandse achtergrond. De verschillen van de groepen liggen vooral op het gebied van de identificatie en de morele reflectie. 3b. Het grootste deel van de leerlingen met een Nederlandse achtergrond schreef een inhoudelijk overeenkomende slotvariant. Deze variant verschilde van de slotvariant die het grootste deel van de Turkse en Marokkaanse leerlingen schreven.
Conclusies
1. De mening van allochtone leerlingen over Nederlandse romans loopt vrijwel parallel aan die van autochtone klasgenoten. Het merendeel van de allochtone leerlingen heeft geen bezwaar tegen klassikale behandeling van een boek uit de eigen literatuur. 2. Intercultureel onderwijs is voor allochtone en autochtone leerlingen bestemd, het liefst voor hen samen. 3. Normen en waarden in de familiekring spelen bij de receptie van een verhaal een rol.
Aanbevelingen
Bij de receptie van het Nederlandse verhaal bleek dat de Surinaamse groep leerlingen op enkele gebieden totaal anders scoorden dan de Nederlandse, maar ook dan de Turkse en Marokkaanse leerlingen. Dit punt verdient bij later onderzoek extra aandacht. Wie intercultureel literatuuronderwijs wil geven, zal zich terdege moeten afvragen hoe zo'n les opgebouwd moet worden. Wat is het doel van de les? Ligt de nadruk op het literaire of het vormingsaspect? En wat zouden de ongewilde consequenties kunnen zijn? Doelstelling, vorm en inhoud van intercultureel literatuuronderwijs zijn afhankelijk van de beginsituatie. De docent moet zich goed realiseren hoe de klas is samengesteld en wat er in de klas leeft aan meningen en aan vooroordelen.
Opmerkingen
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
