taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2005 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
literatuuronderwijs
» poëzie
» andere vormen van fictie
» kinderboeken
» jeugdliteratuur

Doelgroep
NT1-leerlingen

Thema
onderwijsleeractiviteiten
» descriptief onderzoek

Land
Nederland

Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» mavo
» vmbo
» havo
» vwo

Leeftijd
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)
13-14 jaar (2e voortgezet/secundair)
14-15 jaar (3e voortgezet/secundair)

Tekstsoort
verhalende teksten

Respondenten
leerkrachten

Aantal respondenten
61-100

Methode van dataverzameling
schriftelijke enquête

Fictieonderwijs en basisvorming

Attitudes van docenten en vormgeving van het onderwijs
Van Schooten, E. & R. Oostdam
1997b
p. 31-67
Spiegel, 1997 , 1

Achtergrond

Dit is een onderzoek naar de wijze waarop het fictieonderwijs in de basisvorming gestalte krijgt. Het domein fictie is nader gespecificeerd: er is een onderscheid gemaakt tussen schriftelijke en niet-schriftelijke fictie (speelfilms, theater, series, cabaret) en tussen literaire (bijvoorbeeld Jan Terlouw, Mulisch) en niet-literaire fictie (bijvoorbeeld Kameleon-reeks, strips). Binnen de schriftelijke fictie is onderscheid gemaakt tussen lectuur (niet-literair) en jeugdliteratuur (literair) en volwassenenliteratuur (literair).

Vraagstelling

Hoofdvraag: -Op welke wijze krijgt het fictieonderwijs in de basisvorming gestalte? Subvragen: -Welk deel van de lestijd Nederlands in de basisvorming wordt besteed aan fictie-onderwijs? -Hoe is de vormgeving van het huidige fictieonderwijs (nagestreefde doelstellingen, gebruikte leermiddelen)? -In welke opzichten hebben docenten Nederlands hun fictie-onderwijs in de eerste drie leerjaren door de invoering van de basisvorming gewijzigd? -Wat is de attitude van docenten ten opzichte van: ·schriftelijke literaire fictie (jeugdliteratuur, volwassenenliteratuur) ·schriftelijke niet-literaire fictie (lectuur) ·niet-schriftelijke literaire fictie ·niet schriftelijke niet-literaire fictie -In welke mate voldoet het fictie-onderwijs aan de algemene doelen van de basisvorming?

Methode

In het schooljaar 1995/1996 is een vragenlijst verstuurd naar een steekproef van 175 scholen. 91 docenten van 62 scholen hebben gereageerd (35% van de scholen). Ook zijn leerlingen bevraagd via vragenlijsten en logboeken (wat lezen ze graag?). Over het 'leerling-onderzoek' wordt gerapporteerd in Van Schooten & Oostdam (1998). Een schema met een onderscheid tussen verschillende domeinen van fictie gaf sturing aan de constructie van de vragenlijsten. Er werden vragen gesteld over de attitude ten aanzien van elk van de onderscheiden domeinen fictie. Ook waren er vragen over vormgeving van het huidige fictieonderwijs (nagestreefde doelstellingen, gebruikte leermiddelen). De attitudevragen waren onderverdeeld in vier categorieën: cognitief (persoonsgebonden ideeën of kennis, bijvoorbeeld: "Jeugdliteratuur doet in kwaliteit soms nauwelijks onder voor volwassenenliteratuur"), affectief (persoonlijke gevoelens, bijvoorbeeld: "Ik vind het leuk om jeugdliteratuur te lezen"), normatief (eigen normen en waarden, bijvoorbeeld: "Een docent Nederlands die lesgeeft in de basisvorming hoort veel jeugdliteratuur te lezen") en facilitatie (mogelijkheden voor realisatie van gedrag, bijvoorbeeld: "Ik heb geen tijd voor het lezen van jeugdliteratuur").

Resultaten

Uren Nederlands en tijdsbesteding fictie Er worden gemiddeld drie tot vier lesuren Nederlands per week gegeven. Gemiddeld een half tot een heel lesuur hiervan wordt besteed aan fictieonderwijs. Grote verschillen tussen leerjaren en schooltypen doen zich niet voor. Vormgeving: nagestreefde doelstellingen De doelstellingen waren ingedeeld in vijf categorieën: literatuurgeschiedenis (bijbrengen van kennis over de literatuurgeschiedenis), leesplezier, structuuranalyse (gereedschapkist voor analyseren van literaire werken), maatschappelijke vorming en individuele ontplooiing. Voor alledrie de leerjaren zijn de doelstellingen betreffende het leesplezier gemiddeld het belangrijkst en daarna in aflopende volgorde van belangrijkheid de individuele ontplooiing, de maatschappelijke vorming, structuuranalyse en de literatuurgeschiedenis. Alleen in het tweede leerjaar is er geen verschil tussen maatschappelijke vorming en individuele ontplooiing. Als er gekeken wordt naar de verschillen tussen de drie leerjaren dan valt op dat alle doelstellingen gemiddeld genomen in de hogere leerjaren steeds belangrijker worden gevonden met uitzondering van leesplezier. Deze toename in belangrijkheid treedt het sterkst op bij literatuurgeschiedenis en structuuranalyse. Vormgeving: gebruikte leermiddelen 29% gebruikt geen speciale methode voor (jeugd)literatuuronderwijs. 67% gebruikt een taalmethode waarin ook aandacht wordt geschonken aan fictie en/of jeugdliteratuur (meest gebruikte methoden zijn Op niveau en Nieuw Nederlands). Slechts een docent geeft aan een speciale fictiemethode te gebruiken (Net echt en toch verzonnen). Veranderingen ten opzichte van de basisvorming Uit het onderzoek bleek gemiddeld een neutrale houding ten opzichte van de basisvorming. Aan bepaalde onderwerpen werd meer aandacht besteed sinds de invoering van de basisvorming. Het betreft vooral: vragen naar de eigen mening van leerlingen, het leerlingen bijbrengen van de karakteristieke eigenschappen van verschillende vormen van fictie, en het werken met een leesdossier. Bij dit laatste werd overigens een grote variatie gevonden: naast grote voorstanders zijn er ook veel tegenstanders. De attitude van docenten ten opzichte van fictie en fictieonderwijs Er is een vrij positieve attitude ten opzichte van volwassenenliteratuur, jeugdliteratuur en literaire niet-schriftelijke vormen van fictie. Ten aanzien van lectuur moet er een onderscheid gemaakt worden tussen lectuur en strips. De houding ten opzichte van strips is neutraal, die ten aanzien van de overige lectuur en populaire niet-schriftelijke fictie is negatief. Bij de attitude ten aanzien van onderwijs in de verschillende domeinen valt op dat men heel positief staat ten opzichte van onderwijs in jeugdliteratuur. De attitudes ten opzichte van onderwijs in lectuur, populaire en literaire niet-schriftelijke fictie zijn iets lager dan die ten opzichte van jeugdliteratuur, maar het gaat hier nog steeds om vrij positieve houdingen. Men staat niet erg positief tegenover het geven van onderwijs met volwassenenliteratuur in de basisvorming. Doelstellingen en basisvorming De doelstellingen die docenten nastreven passen bij de kerndoelen voor de basisvorming.

Conclusies

Docenten staan positief tegenover het geven van onderwijs met lectuur & strips, jeugdliteratuur en populaire en literaire niet-schriftelijke fictie. Men staat niet erg positief tegenover het geven van onderwijs met volwassenenliteratuur in de basisvorming (ondanks een gemiddeld positieve houding ten opzichte van volwassenenliteratuur in het algemeen). Wel doen zich problemen voor met de realisatie van het fictieonderwijs, niet met het onderwijzen van jeugdliteratuur, maar wel bij het gebruik van lectuur & strips en populaire en literaire niet-schriftelijke fictie. De doelstellingen die docenten nastreven passen bij de kerndoelen voor de basisvorming. Er is voldoende steun voor het nieuwe fictieonderwijs in de basisvorming. Men denkt positief over vormen van onderwijs in lectuur & strips, jeugdliteratuur en populaire en literaire niet-schriftelijke fictie, men geeft dit soort onderwijs graag en men vindt ook dat dit soort onderwijs moet (hoge scores op cognitieve, affectieve en normatieve attitudevragen). Maar docenten vinden het nog wel moeilijk het een en ander te realiseren.

Aanbevelingen

-

Opmerkingen

De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties