taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2005 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
literatuuronderwijs
» jeugdliteratuur

Doelgroep
NT1-leerlingen

Thema
onderwijsleeractiviteiten
» descriptief onderzoek

Land
Nederland
België

Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» bso
» tso

Leeftijd
13-14 jaar (2e voortgezet/secundair)

Tekstsoort
verhalende teksten

Respondenten
leerlingen/cursisten

Aantal respondenten
21-40

Methode van dataverzameling
schriftelijke enquête

Identificatiemogelijkheden en emotionele spanning in jeugdliteraire teksten

Een brug naar leesbevordering?
Jansen-Guldemond, I.
2000
p. 14-19
Tsjip/Letteren, 2

Achtergrond

Leesplezier wordt als absolute voorwaarde gezien om het lezen van fictie te bevorderen. In veel publicaties wordt verondersteld dat de mogelijkheid tot identificatie met een personage voor een jongere noodzakelijk is om plezier aan een tekst te beleven; bovendien zouden alleen teksten die door de jeugd als spannend worden bestempeld de aandacht kunnen vasthouden. Er is nog maar weinig onderzoek gedaan naar de leesbevordering voor ± 14-jarigen in het tweede jaar van de eerste graad op scholen met een bovenbouw voor BSO/tso in Vlaanderen en op scholen voor VBO/mavo in Nederland en voor deze leerlingen is bevordering van leesvaardigheid van belang. Het gaat erom de cirkel te doorbreken van ‘slecht lezen bevordert hekel aan lezen, wat weer vaardigheid in lezen tegenwerkt, enz'.

Vraagstelling

Hieronder staan de doelstellingen van het gehele doctoraatsonderzoek. 1.In hoeverre speelt de mogelijkheid tot identificatie met een romanpersonage een rol bij het leesplezier van ± 14-jarigen in het tweede jaar van de eerste graad op scholen met een bovenbouw voor bso/tso in Vlaanderen en van scholen voor vbo/mavo in Nederland? Subvraag: Welke referentiele verwijzingen moet een tekst bevatten om een emotioneel boeiende werking uit te oefenen op de bovengenoemde leerlingen? 2.Geeft eventuele vergroting van leesplezier bij bovengenoemde leerlingen aanleiding tot meer lezen in de vrije tijd? Met andere woorden: is er sprake van een zekere mate van leesbevordering? In de publicatie wordt echter uitsluitend over de eerste test van een pilotstudie gerapporteerd.

Methode

Om tot een lijst met criteria te komen waaraan een tekst moet voldoen opdat een leerling zich met een romanpersonage kan identificeren, zijn diepte-interviews afgenomen bij zes leerlingen uit het tweede leerjaar van de eerste graad van het Vrij Technisch Instituut Spijker te Hoogstraten en zes leerlingen uit de tweede klas vbo van de Michael Scholengemeenschap te Tilburg. Iedere groep bestond uit drie jongens en drie meisjes. Onder de Tilburgse jongeren bevonden zich een Turks meisje, een Turkse jongen en een Marokkaanse jongen. Na inleidende vragen over leesgewoonten en leesvoorkeuren kregen de leerlingen vier boeken voorgelegd, met als eerste vraag of de leerlingen de kaft aantrekkelijk vonden en of ze mogelijkheden tot identificatie zagen. Vervolgens kregen ze twee fragmenten voorgelegd. Het eerste fragment bestond uit de eerste regels van het boek: nodigde dit fragment uit tot verder lezen of juist niet? Het tweede fragment was gekozen op basis van een van onderstaande criteria: ·Identificatie (op basis van herkenning, bewondering of medelijden) ·Perspectief (ik-verteller, hij-perspectief, zij-perspectief, auctoriële verteller) ·Randvoorwaardenonderzoek Deze randvoorwaarden waren: a Twee Vlaamse en twee Nederlandse auteurs b Mannelijke en vrouwelijke auteurs c Verscheidenheid in moeilijkheidsgraad wat stijl en woordkeus betreft d Een fragment met een gesloten eind e Een fragment uit een andere cultuur f Een fragment waarin verliefdheid ter sprake komt (voor meisjes?) g Een fragment waarin actie gesuggereerd wordt (voor jongens?) Zo viel de keuze op deze boeken: G. van Puyenbroek: We redden het wel. K Seynaeve: Een wolk als afscheid. A. van der Veer: Zwart op wit. G. Wanders: Spoorloos verdwenen. Aan het eind van het interview vergeleken de leerlingen de vier boeken met elkaar en moesten zij een beeld schetsen van de meest ideale hoofdfiguur over wie zij zouden willen lezen. Op basis van de gegevens uit deze twaalf interviews is het boek Lefgozers van V. Kalwij gekozen om een pilotstudie uit te voeren in 1998-99. Deze studie is in twee klassen uitgevoerd. Een jaar lang worden 26 leerlingen in het tweede jaar van een vbo/mavo-school in Tilburg gevolgd. Verdeeld over het jaar krijgen de leerlingen ongeveer zesmaal een tekstfragment te lezen. Daar maken zij tekstervarende opdrachten bij en/of zij vullen er vragenlijsten bij in. De mogelijkheid tot identificatie en de emotionele spanning staan centraal om de waardering van tekstfragmenten te weten te komen. Voor de eerste van de zes tests kregen de leerlingen eerst een enquête naar leesgewoonten. Daarna kregen ze vragen bij het tekstfragment uit Lefgozers. Op basis van de pilotstudie zal een pakket lesmateriaal worden samengesteld dat in 1999-2000 in meerdere tweede klassen zal worden gebruikt (zie 6. Aanbevelingen).

Resultaten

Het meest opvallende gegeven dat de interviews opgeleverd hebben is dat er maar weinig punten zijn waar alle leerlingen hetzelfde over dachten. Enkele in het oog lopende zaken: Geen van de leerlingen kon direct na het lezen van een fragment antwoord geven op een vraag als ‘Wat voor gevoel kreeg je bij het lezen van het fragment?' Elf van de twaalf leerlingen voelt in We redden het wel mee met de hoofdpersoon die gepest wordt. De kaft van Zwart op wit spreekt niemand aan. Alle meisjes willen verder lezen na de eerste regels waaruit blijkt dat het om een dagboek van een meisje gaat. Geen van de jongens heeft interesse voor het vervolg. In Een wolk als afscheid haken na de eerste regels al zes leerlingen af als ze begrijpen dat het om een begrafenis gaat. Elf leerlingen hebben bewondering voor Mark, de hoofdpersoon van Spoorloos verdwenen. Acht leerlingen willen het hele boek lezen omdat ze vermoeden dat het spannend is. Twee leerlingen willen niet verder lezen omdat ze niet over geweld willen lezen. We redden het wel kiezen twee jongens en twee meisjes uit als mooiste fragment, en twee meisjes als lelijkste fragment. Zes jongens en twee meisjes kiezen Spoorloos verdwenen uit als mooiste fragment, maar ook hier twee meisjes als lelijkste. Tien leerlingen zeggen dat hun meest ideale hoofdpersoon van hun eigen leeftijd moet zijn. Twee vinden dat hij iets ouder mag zijn. Negen leerlingen vinden dat hij van zijn eigen sekse moet zijn, drie maakt het niet uit of hij jongen of meisje is. Zes leerlingen zien het liefst dat het verhaal zich in hun eigen land afspeelt, vijf leerlingen vinden dat niet belangrijk en een geeft aan dat het verhaal zich niet in België moet afspelen. De opvallende punten uit de pilotstudie zijn: Van de 50 leerlingen gaven slechts 8 aan dat zij het verhaal spannend vonden, 28 leerlingen vonden het een beetje spannend en 14 niet spannend. De meeste leerlingen konden zich verplaatsen in de hoofdpersonen, maar bewonderden hen niet, dus wel empathie, geen sympathie. Van de 22 meisjes zeggen er 14 dat de ‘ik' in de tekst een jongen is en 8 een meisje. Van de 28 jongens zeggen er 18 dat de ‘ik' een jongen is en 10 een meisje. De meisjes in Tilburg waarderen het verhaal gemiddeld met een 6,4; de jongens ook. De meisjes in Hoogstraten waarderen het verhaal gemiddeld met een 6,9 en de jongens met een 7,2. Deze gegevens zullen samen met de gegevens uit vijf vervolgtests de basis vormen voor de derde fase in het onderzoek.

Conclusies

Zowel met de gegevens van de interviews als de uitkomsten van het pilotonderzoek is het mogelijk sterk van elkaar verschillende lezers aan te wijzen.

Aanbevelingen

Voor de derde fase van het onderzoek zal een pakket lesmateriaal worden samengesteld dat in studiejaar 1999-200 in verscheidene klassen van de doelgroep wordt gebruikt. Gestreefd wordt naar ±200 leerlingen zowel in Vlaanderen als Nederland. Een groep leerlingen van dezelfde samenstelling en grootte zal fungeren als controlegroep. Zij zullen het reguliere fictie-onderwijs ontvangen, maar wel de enquêtes naar leesgewoonte en leesbelangstelling invullen. De docenten van de controlegroep zullen een dossier aanleggen waarin zij opnemen hoe en wanneer zij jeugdliteraire teksten aan hun leerlingen aanbieden. Vervolgonderzoek (Jansen-Guldemond, 2000) Op basis van de resultaten die hierboven beschreven worden, zijn vragenlijsten opgesteld. In het studiejaar 1998-1999 vond het verkennend onderzoek plaats. Een jaar lang werden 26 leerlingen van dezelfde scholen gevolgd. Ze kregen verdeeld over het jaar acht tekstfragmenten of korte verhalen te lezen, waarover ze de vragenlijsten invulden. Het was de bedoeling de waardering van teksten te weten te komen. Daarbij stonden de mogelijkheid tot identificatie met een romanpersonage en de emotionele spanning in de tekst centraal. In het artikel (Jansen-Guldemond, 2000) worden de fragmenten beschreven en de reacties van de leerlingen daarop. Voor die beschrijving wordt verwezen naar het artikel. Een antwoord op de onderzoeksvragen kan de onderzoeker nog niet geven. Vervolgonderzoek is absoluut noodzakelijk. De resultaten wijzen sterk in de richting van een relatie tussen empathie, referentiele verwijzing en waardering.

Opmerkingen

De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties