Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
literatuuronderwijs
» poëzie
» andere vormen van fictie
» kinderboeken
» jeugdliteratuur
Doelgroep
NT1-leerlingen
Thema
onderwijsleeractiviteiten
» descriptief onderzoek
Land
Nederland
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» mavo
» vmbo
» havo
» vwo
Leeftijd
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)
13-14 jaar (2e voortgezet/secundair)
14-15 jaar (3e voortgezet/secundair)
Tekstsoort
verhalende teksten
Respondenten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
501 en meer
Methode van dataverzameling
schriftelijke enquête
logboek
Leerlingen in de basisvorming over fictie en fictieonderwijs
Van Schooten, E. & R. Oostdam
1998
p. 47-82
Spiegel, 1
Achtergrond
Doel van het onderzoek is het beschrijven van het fictie-onderwijs in de basisvorming en het bepalen van de mate waarin het aansluit op de algemene doelen van de basisvorming en op de kerndoelen van het fictie-onderwijs voor het vak Nederlands. In Oostdam & Van Schooten (1996) en Van Schooten & Oostdam (1997, 1997) zijn de resultaten van een vragenlijstonderzoek gerapporteerd over de houding van docenten ten aanzien van fictie en fictie-onderwijs, de vormgeving van het onderwijs en de nagestreefde onderwijsdoelstellingen. In deze publicatie wordt ingegaan op de houding van leerlingen ten opzichte van fictie en fictie-onderwijs.
Vraagstelling
1.Hoe waarderen leerlingen in de basisvorming fictie en fictie-onderwijs? 2.Welke fictionele en niet-fictionele teksten worden door leerlingen in de basisvorming gelezen en met welke frequentie en tijdbesteding? 3.Op welke andere wijzen (televisie, film, theater, e.d.) komen leerlingen in de basisvorming in aanraking met fictie en met welke frequentie en tijdbesteding? 4.Welke motieven hebben leerlingen in de basisvorming voor het lezen van fictionele teksten? 5.Hoe waarderen leerlingen in de basisvorming verschillende kenmerken van fictionele teksten? 6.Hoe waarderen leerlingen in de basisvorming verschillende bronnen van fictie en non-fictie? 7.Hoe waarderen leerlingen in de basisvorming verschillende onderwerpen van fictie en non-fictie? 8.In hoeverre verschillen de attitudes ten aanzien van fictie en fictie-onderwijs voor leerlingen van de verschillende leerjaren van de basisvorming? 9.Welke school- en leerlingkenmerken hangen samen met de attitude ten aanzien van fictie en fictie-onderwijs van leerlingen in de basisvorming?
Methode
Er zijn vragenlijsten afgenomen bij 600 leerlingen in de basisvorming. Daarnaast hebben de leerlingen gedurende vijf opeenvolgende weken een logboek bijgehouden over hun leesgedrag, theaterbezoek, etc. Ook hebben de leerlingen op school onder toezicht van de docent een woordkennistoets gemaakt als operationalisatie van verbale intelligentie (voor vraag 9).
Resultaten
1.Hoe waarderen leerlingen in de basisvorming fictie en fictie-onderwijs? Leerlingen staan positief tegenover de verbreding van het fictie-onderwijs (ook aandacht voor lectuur en niet-schriftelijke vormen van fictie), maar hebben een duidelijke negatieve houding tegenover literaire fictie en het onderwijs erin. Tegenover het lezen van jeugdliteratuur staan de leerlingen gematigd positief. Ze zeggen voldoende gelegenheid te hebben voor het vinden en lezen van jeugdboeken, maar gemiddeld genomen zijn leerlingen niet van plan veel jeugdliteratuur te gaan lezen en zijn ze ook niet van mening dat ze dat moeten. 2.Welke fictionele en niet-fictionele teksten worden door leerlingen in de basisvorming gelezen en met welke frequentie en tijdbesteding? Leerlingen lezen gemiddeld drie keer per week een krant of tijdschrift (drie kwartier) en lezen gemiddeld twee keer per week iets voor zichzelf in een boek (anderhalf uur). Strips lezen gebeurt gemiddeld iets minder dan twee keer per week (een half uur). Voor de boekenlijsten lezen de leerlingen gemiddeld eens in de drie (vreemde talen) of twee (Nederlands) weken. De tijdsbesteding voor het lezen voor de lijst is gemiddeld acht minuten (vreemde talen) en dertien minuten (Nederlands) per week. 3.Op welke andere wijzen (televisie, film, theater, e.d.) komen leerlingen in de basisvorming in aanraking met fictie en met welke frequentie en tijdbesteding? De bibliotheek wordt gemiddeld eens per twee weken bezocht. Van de culturele activiteiten zoals een bezoek aan het theater, de bioscoop of een concert, is het bioscoopbezoek het meest voorkomend (gemiddeld eens per zes weken). Museum- of concertbezoek vindt gemiddeld eens in de tien weken plaats en theaterbezoek eens in de twintig weken. 4.Welke motieven hebben leerlingen in de basisvorming voor het lezen van fictionele teksten? Verreweg het belangrijkste motief voor leerlingen om te lezen is leesplezier. Wel blijken leerlingen een duidelijke voorkeur te hebben voor het populaire genre. 5.Hoe waarderen leerlingen in de basisvorming verschillende kenmerken van fictionele teksten? Leerlingen lezen bij voorkeur spannende humoristische verhalen waar veel in gebeurt, liefst met een 'happy end' en een sympathieke hoofdpersoon. Verder lezen leerlingen graag over de liefde en over zaken die met het eigen leven te maken hebben. Niet erg populair zijn moeilijke verhalen (qua taalgebruik en inhoud), verhalen met weinig actie of veel beschrijvingen van de omgeving, met een onsympathieke hoofdpersoon, met een afwijkende vorm (dierenverhalen, brievenboeken) of een verhaal dat slecht afloopt. Daarbij zijn er enige verschillen tussen jongens en meisjes. Jongens waarderen science fiction, seks en geweld gemiddeld positief terwijl meisjes deze negatief waarderen. In tegenstelling tot jongens denken meisjes daarentegen positief over mooi geformuleerde zinnen, interessante ideeën over het leven en dikke boeken. Veder blijken meisjes meer waarde te hechten aan romantiek, liefde, een verhaal dat nu speelt, een onderwerp dat met je eigen leven te maken heeft, een 'happy end' een sympathieke hoofdpersoon en dat de leraar het boek goed vindt. Jongens scoren hoger op waardering voor plaatjes en humor en vinden ingewikkelde zinnen iets minder bezwaarlijk. 6.Hoe waarderen leerlingen in de basisvorming verschillende bronnen van fictie en non-fictie? Van de verschillende bronnen van fictie en non-fictie zijn speelfilms, popmuziek op televisie en strips gemiddeld genomen het meest in trek bij leerlingen. Strips, dunne of dikke boeken met een echt gebeurd verhaal en studieboeken worden het meest gewaardeerd. Ook gedichten (humoristisch en niet te moeilijk) worden gemiddeld positief gewaardeerd. Negatief denken de leerlingen over klassieke muziek en politiek in de krant of op televisie, moeilijke gedichten, culturele of wetenschappelijke bijlagen van de krant, toneel op televisie of in een boek en dans of ballet. Jongens en meisjes verschillen niet erg qua waardering voor de verschillende bronnen. 7.Hoe waarderen leerlingen in de basisvorming verschillende onderwerpen van fictie en non-fictie? Leerlingen lezen graag over de wat 'lichtere' onderwerpen als humor, avonturen, griezelverhalen, mysteries, liefde, etc. Zwaardere onderwerpen zoals politiek, economie, klassieke muziek, kunst, etc. zijn duidelijk minder in trek. Meisjes staan gemiddeld positief en jongens negatief tegenover levensbeschrijvingen en ideeën en gedachten van mensen. In tegenstelling tot meisjes houden jongens van geschiedenis, computers, science fiction en reizen en ontdekkingen. 8.In hoeverre verschillen de attitudes ten aanzien van fictie en fictie-onderwijs voor leerlingen van de verschillende leerjaren van de basisvorming? Het nieuwe fictie-onderwijs is niet het wondermiddel voor het bevorderen van leesattitude en het leesgedrag. Er is over de leerjaren heen een duidelijke tendens dat leerlingen in hogere leerjaren een steeds negatievere houding vertonen ten opzichte van het lezen van (jeugd)literatuur en dat ze ook steeds minder lezen. Een verschil tussen jongens en meisjes is dat jongens het lezen minder nuttig vinden dan meisjes en ook minder leuk of gewenst. Jongens lezen ook minder lang en minder vaak dan meisjes. De overgang van het lezen van jeugdliteratuur naar volwassenenliteratuur wordt niet waarneembaar bevorderd door het nieuwe fictie-onderwijs. 9.Welke school- en leerlingkenmerken hangen samen met de attitude ten aanzien van fictie en fictie-onderwijs van leerlingen in de basisvorming? Er is een zeer sterke samenhang tussen het cultureel gehalte van het thuismilieu en de houding ten opzichte van de verschillende fictiedomeinen: leerlingen die positief staan tegenover de literaire en negatief tegenover populaire schriftelijke en niet-schriftelijke fictie, komen uit een cultureler milieu. Bovendien lezen leerlingen met een positieve houding ten aanzien van jeugdliteratuur en literaire niet-schriftelijke fictie vaker en langer voor zichzelf, hebben ze een grotere woordenschat, maken ze vaker muziek, bezoeken ze vaker de bibliotheek en hebben ze een grotere wens tot presteren op school dan leerlingen met een negatieve houding.
Conclusies
Het nieuwe fictie-onderwijs sluit aan bij de interesses van zowel docenten als leerlingen. Ze staan positief tegenover de verbreding van het onderwijs met aandacht voor lectuur en niet-schriftelijke vormen van fictie. Wel is er een duidelijke discrepantie tussen docenten en leerlingen: docenten houden vooral van literaire fictie en leerlingen van populaire.
Aanbevelingen
Al met al lijkt de verbreding van het fictie-onderwijs een goede zet voor wat betreft het inspelen op de interesses van leerlingen, ook al wil dat niet zeggen dat dergelijk fictie-onderwijs de leerlingen gemiddeld genomen stimuleert tot het lezen van literatuur. Gezien de sterke invloed van het culturele gehalte van het thuismilieu is het de vraag of het onderwijs veel invloed kan hebben op leesgedrag en leesattitudes van leerlingen.
Opmerkingen
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
