Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
literatuuronderwijs
» jeugdliteratuur
» volwassenenliteratuur
Doelgroep
NT1-leerlingen
Thema
onderwijsleeractiviteiten
» descriptief onderzoek
beoordelingsinstrumenten
Land
Nederland
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» vwo
» havo
Leeftijd
16-17 jaar (5e voortgezet/secundair)
Tekstsoort
verhalende teksten
Respondenten
leerlingen/cursisten
leerkrachten
Aantal respondenten
0-10
Methode van dataverzameling
interviews
documentanalyse
Een zoeklicht voor de begeleiding van de literaire ontwikkeling
Verslag van een oriënterend onderzoek naar een kennisbasis voor het literatuuronderwijs in het studiehuis.
Witte, T.
2000
p. 31-54
Spiegel, 17/18 , 3/4
Achtergrond
Met de invoering van het studiehuis in 1999 is het examenprogramma voor literatuur ingrijpend vernieuwd. Het probleem is echter dat niemand weet hoe het nieuwe examenprogramma op een effectieve wijze kan worden geoperationaliseerd. Met name de verplichtstelling van het leesdossier zorgt in de praktijk voor onzekerheid. Het onderzoeksproject waarover gerapporteerd wordt in de publicatie heeft als doel een empirisch gefundeerde kennisbasis te ontwikkelen voor het literatuuronderwijs. Deze kennisbasis moet gaan fungeren als zoeklicht dat de docent helpt bij de individuele begeleiding van leerlingen in het studiehuis. In de publicatie doet de onderzoeker verslag van een oriënterend onderzoek naar een dergelijke kennisbasis. Bij een kennisbasis wordt gedacht aan een soort van oefeningstypologie waarin twee dimensies kunnen worden onderscheiden: een aantal fasen of niveaus van literaire ontwikkeling (competentie) en het leergedrag dat de leerling in een ontwikkelingsfase vertoont. Aan de hand van de twee dimensie zoekt de docent naar een passende 'interventie' waarmee de literaire ontwikkeling van de leerling kan worden gestimuleerd. Een interventie bestaat uit een opdracht (lezen van een literair werk en een verwerkingsopdracht) en een begeleidingsstrategie.
Vraagstelling
-Welke leerlingkenmerken onderscheiden docenten bij de evaluatie van het literaire ontwikkelingsproces? -Welke typen leergedrag kunnen worden onderscheiden? -Welke begeleidingsstrategieën sluiten aan bij de verschillende typen?
Methode
Vier docenten zijn benaderd. Een belangrijke eis was dat hij 'expert' is op het gebied van literatuuronderwijs en met name ervaring heeft met het leesdossier. Drie docenten hebben hun medewerking verleend, de vierde had wel toegezegd maar moest door ziekte afhaken. De docenten kozen drie leesdossiers/leerlingen uit hun HAVO-5 of vwo-5-klas. Ze moesten qua literaire ontwikkeling een bovengemiddeld, gemiddeld en ondergemiddeld leesdossier selecteren en zowel meisjes als jongens in het onderzoek betrekken. Als evaluatiemoment is de overgang van de vierde naar de vijfde klas gekozen. De leerlingen hebben dan één jaar aan hun leesdossier gewerkt en er zou dus een ontwikkeling zichtbaar moeten zijn. De docenten moesten de leesdossier schriftelijk evalueren en werden daarover geïnterviewd met behulp van een interviewschema. Ook leerresultaten van de leerlingen werden bij het onderzoek betrokken. De onderzoeker was met name geïnteresseerd in de persoonlijke onderdelen van het leesdossier zoals leesautobiografie en het balansverslag. De leerlingen werden geïnterviewd over hun leesgedrag en het literatuuronderwijs dat ze tot dan toe genoten hebben.
Resultaten
Leerlingkenmerken De analyse van de schriftelijke evaluaties van en interviews met docenten leverde drie hoofdcategorieën van variabelen op: -Persoonlijke kenmerken (geslacht, milieufactoren, intelligentie etc.) -Vakspecifiek leergedrag (leesgedrag, bereidheid, keuzegedrag, leesproblemen etc.) -Algemeen leergedrag (niet alleen zichtbaar bij literatuur maar ook bij andere vakken zoals discipline, verzorging, streefniveau en zelfstandigheid). Leergedrag Om tot een typologie van leergedrag te komen, werden de evaluatieve uitspraken van de docenten op een dieper niveau geanalyseerd. De analyse was gericht op de categorieën vakspecifiek en algemeen leergedrag en twee criteria speelden een rol: mate van bekwaamheid en mate van gemotiveerdheid. Vier basistypen konden worden onderscheiden: -Type A ('ideale leerling': bekwaam en gemotiveerd) -Type B ('slimme luilak': bekwaam en ongemotiveerd) -Type C ('zwoeger': onbekwaam en gemotiveerd) -Type D ('lastige leerling': onbekwaam en ongemotiveerd) Het bleek heel goed mogelijk te zijn om met deze typologie het leergedrag van de negen leerlingen te beschrijven: zes van de negen leerlingen konden heel gemakkelijk met één van de vier basistypen worden geïdentificeerd. Bij drie leerlingen was er sprake van een mengvorm, waarbij overigens wel een bepaald type dominant bleek te zijn. Begeleidingsstrategieën De drie docenten sloten in hun begeleidingsvoornemens naadloos aan bij vier stijlen van Hersey & Blanchard (1982): -Directief gedrag (sterk taak- en zwak relatiegericht leiderschap bij lage zelfstandigheid) -Aanbevelen (zowel taak- als relatiegericht leiderschap bij lage tot middelmatige zelfstandigheid) -Participeren (zwak taak- en sterk relatiegericht leiderschap bij middelmatige tot hoge zelfstandigheid) -Delegeren (zwak taak- en zwak relatiegericht leiderschap bij hoge zelfstandigheid) Bovendien hadden de docenten (onbewust) oog voor de taakgerichte en relatiegerichte begeleidingsrol. Daardoor is volgens de onderzoeker een theorie opgespoord waarmee de docent richting kan geven aan het ontwikkelingsproces van de leerling.
Conclusies
De literaire ontwikkeling van leerlingen kan aan de hand van de twee dimensies gemotiveerd-ongemotiveerd en bekwaam-onbekwaam worden getypeerd. De docenten refereerden bij de motivatie van hun beslissingen en evaluatieve uitspraken aan verschillende informatiebronnen, namelijk de leesdossiers, individuele gesprekken met de leerling, het gedrag van de leerling in de klas en gesprekken met derden over de leerling. Bij presentaties van de typologie tijdens workshops e.d. blijkt dat literatuurdocenten de verschillende typen duidelijk herkennen.
Aanbevelingen
De resultaten van dit onderzoek dienen als vertrekpunt voor verder onderzoek dat op grotere schaal gaat plaatsvinden. Naast uitdieping vindt er een verbreding plaats naar de onderdelen die nu nog niet belicht zijn, namelijk de ontwikkelingsniveaus en de relevante kenmerken van literaire werken en verwerkingsopdrachten.
Opmerkingen
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
