taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2005 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
literatuuronderwijs
» jeugdliteratuur

Doelgroep
NT1-leerlingen

Thema
beginsituatie

Land
Nederland

Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» vmbo

Leeftijd
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)
13-14 jaar (2e voortgezet/secundair)

Tekstsoort
verhalende teksten

Respondenten
leerlingen/cursisten

Aantal respondenten
101-200

Methode van dataverzameling
toetsen/tests
hardop-denkprotocollen

Moeilijke tekst en moeilijke lezer?

Over het lezen van een verhaal op het vmbo.
Schram, D.
2002
p. 105-118
Lezen en leesgedrag van adolescenten en jongvolwassenen

Achtergrond

In de publicatie wordt verslag gedaan van een onderzoek dat op VMBO-scholen wordt uitgevoerd. Het gaat om het begrijpen van narratieve teksten. Welke tekststructuren leveren problemen op en welke ontwikkelingen doen zich voor in het tekstbegrip? Het onderzoek beoogt inzichten met betrekking tot de ontwikkeling van literaire en meer specifiek narratieve competentie concreet te maken.

Vraagstelling

Hoofdvraag -Welke tekststructuren leveren problemen op en welke ontwikkelingen doen zich voor in het tekstbegrip? Subvragen -Wat is het effect van de vertelsituatie op de receptie? -Wat begrijpen leerlingen van de tekst? -Neemt het begrip van het verhaal toe van leerlingen van de tweede klas in vergelijking met die van de eerste klas vmbo?

Methode

184 Leerlingen van het vmbo in het eerste en tweede leerjaar deden mee aan het onderzoek. Ze zijn afkomstig van drie Amsterdamse scholen die onderling vergelijkbaar zijn. Ook wat betreft de populatie zijn de scholen vergelijkbaar: er zitten veel leerlingen van allochtone afkomst op. De leerlingen lazen een fragment uit een jeugdroman en vulden daarna een vragenlijst in. Bovendien las een aantal leerlingen het verhaal hardop-denkend. Als materiaal diende een (niet zo gemakkelijk) fragment uit de jeugdroman Te snel van Caja Cazemier (1997). Het verhaalfragment is complex wat betreft de verhouding tussen geschiedenis en verhaal, en daarmee de vertelstructuur. Het verhaalfragment is in twee varianten voorgelegd: in de oorspronkelijke personele vertelsituatie en in een herschreven ik-vertelsituatie. In de vragenlijst zijn de volgende aspecten van de receptie bevraagd: waardering van het verhaal (drie vragen), de ervaren moeilijkheid (twee vragen), de houding ten opzichte van de persoon Frank (vijf vragen) en de identificatie met hem (vijf vragen). Daarna zijn tien vragen gesteld die het begrijpen van het verhaal betreffen. Ten slotte zijn negen vragen gesteld over de leesattitude. Verder is gevraagd naar het geslacht van lezer, etnische achtergrond, bekendheid met de tekst en naar het rapportcijfer voor Nederlands als een indicatie van het taalvaardigheidniveau. Naast de vragenlijst is nog een kwalitatief onderzoek verricht. Een zevental leerlingen van de eerste en tweede klas van het vmbo afkomstig van dezelfde scholen hebben hun reacties op het verhaal in een hardop-denken sessie gegeven. Daartoe was het verhaal in acht passages verdeeld die elk op een aparte bladzijde zijn gepresenteerd. Om te zien of de eerste moeilijk te begrijpen zinnen na afloop van het gehele fragment beter begrepen zouden worden, zijn ze na de acht passages nogmaals voorgelegd. De bedoeling van de hardop-denken sessies is het verkrijgen van extra informatie over het begrijpen van het verhaal.

Resultaten

Effect van vertelsituatie Voor elke leerling is een begripsscore berekend. Een analyse met als onafhankelijke variabelen het perspectief (ik-perspectief en personeel perspectief) en de klas waarin de leerlingen zaten (klas 1 en klas 2), waarbij gecorrigeerd is voor het geslacht en de taalvaardigheid van de leerlingen, leverde voor de identificatievragen geen significante resultaten op. Wat betreft de houding ten opzichte van de persoon Frank waren er bij de vijf vragen twee verschillen: bij het personele perspectief hadden de leerlingen minder medelijden met Frank en de leerlingen van klas 2 vonden Frank sympathieker. De leerlingen van klas 1 vonden het verhaal beter en mooier. Begrip en niveau van de leerlingen De ervaren moeilijkheid van het verhaal verschilde niet tussen de condities; wel trad er een sterk verschil op bij de begripsscore: de leerlingen van klas 2 begrepen het verhaal beter dan de leerlingen van klas 1. Ondanks het feit dat het begrip van de tekst toeneemt met leeftijd was het niet zo dat het begrip absoluut gezien erg groot is. Dit werd bevestigd door een analyse van de hardop-denk protocollen. Meisjes doen het beter doen dan jongens: meisjes kunnen zich beter identificeren, hebben een gunstiger beeld van Frank, waarderen het verhaal esthetisch meer en het begrijpen het beter, zowel wat betreft de ervaring van begrip als de begripsscore.

Conclusies

Uit de resultaten wordt duidelijk dat de wijze waarop het verhaal wordt verteld niet die complexiteitsfactor is die het wel eens wordt verondersteld te zijn. Ook blijkt dat wat in de rollen en fasen in de literaire ontwikkeling samengenomen wordt, meer gedetailleerd kan worden bestudeerd en in onderlinge relatie kan worden bezien: de leesattitude blijkt los te staan van het eigenlijke begrip van de tekst. De belangrijkste conclusie lijkt te zijn dat de narratieve competentie toeneemt met leeftijd en dus leef- en leeservaring maar dat deze nog altijd betrekkelijk gering is.

Aanbevelingen

Een intensievere training van het lezen van narratieve teksten juist met het oog op hun verhalende structuur is gewenst. Het aanbieden van het fragment uit Te snel veronderstelt dat leerlingen beheersen dat wat nog geleerd moet worden, namelijk het doorzien en begrijpen van de complexe vertelwijze van het fragment. Onderzoek naar narratieve competentie zou ook ontwikkelingen op latere leeftijd moeten systematiseren en deze inpassen in meer algemeen geformuleerde stadia en rollen van literaire competentie. Ook de samenhang van algemene leesvaardigheid en narratieve competentie zou explicieter onderwerp van onderzoek moeten zijn. Tevens zou het effect van interventies, bijvoorbeeld het leerlingen gericht trainen in het omgaan met complexere narratieve structuren, kunnen worden beoordeeld.

Opmerkingen

De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties