taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2005 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
literatuuronderwijs
» kinderboeken
» jeugdliteratuur

Doelgroep
NT1-leerlingen

Thema
beginsituatie
» buitenschoolse kenmerken

Land
Nederland

Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» vwo
» havo
» vmbo

Leeftijd
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)
13-14 jaar (2e voortgezet/secundair)
14-15 jaar (3e voortgezet/secundair)
15-16 jaar (4e voortgezet/secundair)
16-17 jaar (5e voortgezet/secundair)
17-18 jaar (6e voortgezet/secundair)

Respondenten
leerlingen/cursisten

Aantal respondenten
201-300

Methode van dataverzameling
schriftelijke enquête

De relatie tussen leesattitude en lidmaatschap van de openbare bibliotheek

Een empirisch onderzoek onder 275 scholieren naar voorspellende factoren van leesgedrag en het afhaken als bibliotheeklid.
Stalpers, C.
2002
p. 175-193
Lezen en leesgedrag van adolescenten en jongvolwassenen

Achtergrond

Meer dan één op de vier Nederlanders is lid van de bibliotheek. Dit lidmaatschap is echter sterk ongelijk verdeeld over de verschillende leeftijdsgroepen. De bibliotheek bereikt meer dan negen op de tien kinderen en meer dan twee op de drie tieners, tegen slechts één op de zeven volwassenen. Bij het achttiende levensjaar is er een duidelijk omslagpunt – ofwel een vrije val - in het bereik van de bibliotheek: de bibliotheek bereikt de meerderheid van de mensen jonger dan achttien jaar, maar een minderheid van de mensen boven de achttien. Het lenen van fictie lijkt als lijm te fungeren die jongeren bij de bibliotheek houdt. De vraag is echter welke variabelen kunnen verklaren waarom jongeren fictie lenen en lezen. Uit een onderzoek onder kinderen bleek dat leesattitude een goede verklaring biedt voor de frequentie waarmee men de bibliotheek bezoekt en er boeken leent. Maar ook leesvaardigheid, de stimulering van het lezen door de sociale omgeving (ouders en vrienden) en de aantrekkelijkheid van het boekenaanbod lijken samen te hangen met leesfrequentie. Deze vier variabelen zijn tot heden nog niet in combinatie bestudeerd, als het gaat om de vraag in hoeverre ze leesgedrag verklaren.

Vraagstelling

-In hoeverre bepaalt leesattitude het feitelijk leesgedrag? -Zijn de factoren leesvaardigheid, (de aansprekendheid van) het boekenaanbod en de invloed van de sociale omgeving - naast leesattitude - belangrijke voorspellers van dat leesgedrag? Of hebben deze factoren alleen een direct effect op de leesattitude? -In hoeverre verklaart leesattitude het voornemen lid te blijven of af te haken als bibliotheeklid en welke invloed heeft de kwaliteit van de dienstverlening op dit besluit?

Methode

275 Leerlingen van een middelbare school in Deventer werden bevraagd met een schriftelijke vragenlijst over hun leesgedrag, leesattitude, leesvaardigheid, sociale normen, bibliotheekgebruik en hun voornemen om lid te blijven van de bibliotheek. Er zijn iets meer meisjes dan jongens. Daarnaast zijn leerlingen van HAVO en vwo over- en leerlingen van het VMBO ondervertegenwoordigd. 11% van de leerlingen heeft geen voldoende voor het vak Nederlands. Bijna alle bevraagden zijn lid van de bibliotheek.

Resultaten

Leesattitude Twee soorten leesattitude (pleziergericht en nutgericht) hangen onderling substantieel samen en hangen substantieel samen met leesfrequentie. Voorts bleek de pleziergerichte component substantieel samen te hangen met de aansprekendheid van het boekenaanbod en redelijk hoog samen te hangen met leesvaardigheid. De samenhang met de sociale norm(en) zoals bepaald door ouders, leeftijdsgenoten en docenten was in alle gevallen zeer laag en daarmee niet substantieel te noemen. Voorspellers van leesgedrag De belangrijkste voorspeller van leesfrequentie is de pleziergerichte component van leesattitude, die meer dan 36% van de verschillen in leesgedrag voorspelt. Toevoeging van de variabele leesvaardigheid verklaart aanvullend op leesattitude 1,4% van de verschillen in leesgedrag. De sociale norm zoals bepaald door klasgenoten en de nutgerichte component van leesattitude verklaren elk iets meer dan een procent van de verschillen in leesgedrag. Uit deze analyse blijkt dat de mogelijkheid - ofwel het boekenaanbod - geen invloed heeft op het leesgedrag. De sociale norm zoals bepaald door ouders, broers, zussen, docenten of vrienden bleek evenmin een rol te spelen. De sociale norm zoals bepaald door de beste vriend(in) en klasgenoten, de leesvaardigheid en de aantrekkelijkheid van het boekenaanbod verklaren gezamenlijk bijna eenderde van de verschillen in leesattitude. Lid blijven van de bibliotheek of afhaken Tot slot is berekend of leesattitude een voorspellende waarde heeft voor het voornemen om lid te blijven van de bibliotheek. De overgrote meerderheid van de bevraagde scholieren (66%) was er zeker van lid te zullen blijven van de bibliotheek. De pleziergerichte component van leesattitude en de kwaliteit van de dienstverlening verklaren gezamenlijk bijna 25% van het afhaakgedrag. Deze twee variabelen bleken ook onderling samen te hangen. De samenhang tussen de nutgerichte component van leesattitude en de kwaliteit van de dienstverlening is beduidend lager. Dit gold ook voor het voornemen om volgend jaar nog lid te zijn van de bibliotheek.

Conclusies

De nut- en pleziercomponent van attitude bleken onderling substantieel samen te hangen. De pleziercomponent bleek 36% van de verschillen in leesgedrag te verklaren; de nutcomponent voegde hier weinig aan toe. De sociale norm, leesvaardigheid en mogelijkheid tot lezen gezien het boekenaanbod bleken een substantieel deel – bijna dertig procent – van de verschillen in de pleziergerichte component van leesattitude te verklaren. Dit doet vermoeden dat sociale normen, vaardigheden en mogelijkheden een direct effect hebben op attitude en attitude vervolgens weer een direct effect heeft op gedrag. De pleziergerichte component van leesattitude en de kwaliteit van de dienstverlening verklaarden ten dele het voornemen lid te blijven dan wel af te haken als bibliotheekgebruiker. Gezamenlijk verklaarden zij 25% van de antwoorden op de vraag ‘Blijf je volgend jaar lid?' en 20% van de antwoorden op de vraag ‘Blijf je als je klaar bent met school lid van de bibliotheek?'.

Aanbevelingen

Aangezien de pleziercomponent van leesattitude een groot deel van de verschillen in leesgedrag verklaart, lijkt het zinvol om van deze variabele een belangrijk leesbevorderingsdoel te maken, waarbij voor en na een uit te voeren project gemeten wordt, wat de leesattitude van jongeren is. Er zijn verschillende manieren om de leesattitude te verbeteren. Allereerst is het van belang rekening te houden met het stabiele karakter van attitudes. De praktijk heeft geleerd dat een dergelijk stabiel persoonskenmerk niet eenvoudig te veranderen is. Incidentele projecten van korte duur hebben er weinig effect op. Het verbeteren ervan lijkt een zaak van lange adem, ofwel van het herhaaldelijk uitvoeren van projecten van een redelijke duur (minimaal vijf weken). Een voorbeeld hiervan is De Rode Draad, een leesbevorderingsproject dat werd ontwikkeld en uitgevoerd in Noord-Brabant en gericht is op leerlingen van de basisschool. Dit project keert structureel ieder schooljaar terug, waarbij kinderen gedurende een vijftal weken verschillende leesbevorderende activiteiten uitvoeren. Attitudes worden gevormd door ervaringen, met name eigen ervaringen. Het onderzoek wees uit dat het aanwezige boekenaanbod en de leesvaardigheid invloed hebben op de attitude en ervaringen. Daarom is het van belang dat bibliotheken een goed ontsloten, aantrekkelijk opgesteld en regelmatig roulerend aanbod aan voor adolescenten interessante boeken hebben. Een aparte opstelling van adolescentenromans bleek zeer belangrijk: een Brabantse bibliotheek die alle adolescentenromans in één kast opstelde – dus duidelijk onderscheiden van de kinderboeken en romans voor volwassenen – rapporteerde een sterke stijging in de uitleenfrequentie van adolescentenromans. Andermans ervaringen hebben invloed op de eigen leesattitude. Dit gegeven kan gebruikt worden in de communicatie over boeken en leesbevordering. Bijvoorbeeld door tieners een kort artikel te laten schrijven over een boek dat zij zeer gewaardeerd te hebben, en deze informatie te bundelen in kranten of folders die onder tieners op scholen verspreid worden. Dergelijke boekinformatie kan tevens het risico op ‘miskopen' en daarmee teleurstellende leeservaringen voorkomen; wanneer tieners beter geïnformeerd zijn over de verschillende titels die in de bibliotheek en elders te verkrijgen zijn, kunnen zij ook een betere keuze maken. Leesvaardigheid hangt eveneens samen met leesattitude. Zij die goed kunnen lezen, beleven er vaak ook meer plezier aan. Andersom kan voor zwakke lezers lezen eerder frustrerend dan plezierig zijn. Het vertrouwen van deze lezersgroep in de eigen leesvaardigheden kan vergroot worden door een individuele benadering waarbij er rekening wordt gehouden met en respect is voor de mate waarin een zwakke lezer vooruitgang kan boeken. Leg voor hen de lat niet te hoog en gun ze het boeken van kleine successen, waardoor hun zelfvertrouwen vergroot wordt. De individuele benadering is van belang, omdat het tonen van de eigen leesmoeilijkheden ten overstaan van de gehele klas als bedreigend ervaren kan worden. De praktijk heeft geleerd dat leesbevorderingsprojecten effectiever zijn wanneer ze aansluiten op de belevingswereld van tieners. Wanneer zonder bestudering van de doelgroep een thema gekozen wordt, bestaat het risico dat het project niet aanspreekt en daarmee de leeshouding niet verandert. Bij leerlingen met een zeer negatieve leeshouding is het helemaal belangrijk om eerst vast te stellen waarvoor zij zich wel interesseren en die thema's te gebruiken als motivator om ze aan het lezen te krijgen. Een andere bevinding is dat leerlingen positiever reageren op projecten waarbij ze zelf actief en creatief bezig zijn (een kort verhaal schrijven, een flaptekst bedenken of een omslag tekenen) dan waarbij ze passief moeten luisteren naar een illustrator of schrijver die over zijn werk vertelt. Door leerlingen zelf activiteiten te laten ondernemen, raken ze meer betrokken bij een project en wordt daarmee ook de kans groter dat het project effect zal hebben op de leesattitude.

Opmerkingen

De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties