taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2005 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
literatuuronderwijs
» volwassenenliteratuur

Doelgroep
NT1-leerlingen

Thema
beginsituatie
» buitenschoolse kenmerken

Land
Nederland

Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs

Respondenten
overige volwassenen

Aantal respondenten
301-500

Methode van dataverzameling
schriftelijke enquête

Leesbevordering en leesniveau

De effecten van ouders, bibliotheek en school.
Kraaykamp, G.
2002
p. 209-231
Lezen en leesgedrag van adolescenten en jongvolwassenen

Achtergrond

In de theorievorming rondom lezen gaat men er impliciet of expliciet van uit dat de essentiële periode voor het lezen en leesplezier de (vroege) jeugd is. Leessocialisatie houdt dan in dat door concrete activiteiten of omstandigheden via sociale interactie, zowel cognitieve als motivationele hulpbronnen worden overgedragen, die ervoor zorgen dat de culturele ontwikkelingen van kinderen wordt gestimuleerd. Dit onderzoek concentreert zich op de drie instituties waarbinnen een succesvolle bevordering van lezen kan plaatsvinden: het ouderlijk gezin, de bibliotheek en de school. In deze samenvatting is alleen het gedeelte van het onderzoek dat de school betreft opgenomen. Middelbare scholen besteden tegenwoordig meer aandacht aan de culturele vorming van leerlingen dan vroeger. Binnen de lesprogramma's van de moderne talen, geschiedenis en maatschappijleer is er veel aandacht voor het vergroten van de culturele competentie en het ontwikkelen van interesse in cultuur.

Vraagstelling

In hoeverre leidt leesbevordering in gezin, bibliotheek en school tijdens de jeugd tot -grotere belangstelling voor lezen later in het leven? -een hoger leesniveau later in het leven? -een culturele participatie later in het leven? -en hoe veranderen de invloeden in de loop der tijd?

Methode

Er is gebruik gemaakt van de landelijke representatieve gegevens uit het Familie-Enquête Nederlandse Bevolking 1998. Dit is een gecombineerde mondelinge en schriftelijke enquête onder personen die via een gestratificeerde steekproefprocedure uit de gemeentelijke bevolkingsregisters zijn geselecteerd. Alle ondervraagde personen zijn tussen de 18 en 70 jaar oud en spreken Nederlands. Om de schoolse leessocialisatie te meten, is informatie gebruikt over de aandacht voor cultuur in het lesprogramma in het voortgezet onderwijs, en het aantal alfavakken in het examenpakket van een persoon.

Resultaten

Als jongeren veel aandacht voor lezen in de jeugd hebben ervaren, heeft dat een duidelijke positieve invloed op het culturele gedrag later in het volwassen leven. Daar bovenop heeft leesbevordering effect op het leesniveau; personen die in de jeugd gestimuleerd zijn te lezen, houden vaker van literaire boeken en ook iets vaker van spannende boeken. Cultuurparticipatie profiteert ook van de inspanningen gericht op het bevorderen van het lezen. De intensief met lezen gesocialiseerde personen blijken later veel vaker aan culturele activiteiten deel te nemen en treft men vaker aan in kunstmusea en in theaters. Aandacht voor culturele vorming in het voortgezet onderwijs en de keuze voor een uitgebreid alfavakkenpakket is zeer effectief om de culturele belangstelling van de leerlingen te stimuleren. Het leidt tot meer boeken lezen en een grotere voorkeur voor literatuur op volwassen leeftijd. Deze positieve invloed van schoolse leessocialiatie op het huidige leesgedrag wordt steeds belangrijker in de loop der tijd. Dit cultureel onderricht is effectief op elk schoolniveau. Aandacht voor culturele vorming in het voortgezet onderwijs en de keuze voor een uitgebreid alfavakkenpakket blijkt ook tot meer cultuurparticipatie in het latere leven te leiden, tot een voorkeur voor culturele televisieprogramma's en tot minder uren televisiekijken.

Conclusies

Leesbevordering leidt niet alleen tot meer lezen, maar leidt er ook toe dat men meer waardering ontwikkelt voor kwalitatief hoogstaand leesaanbod en het heeft positieve consequenties voor de algemene culturele ontwikkeling en interesses van een persoon. De school kan eventuele tekorten van leerlingen die ontstaan in het ouderlijk gezin compenseren door een intensieve kennismaking met culturele producten in het lesprogramma.

Aanbevelingen

Met deze studie is het mogelijk om via een kwantitatief-empirisch onderzoek informatie te krijgen over de kwestie welke instituties investeringen in leesbevordering het meest renderen. Deze studie biedt daarom een gelegenheid het leesbevorderingsbeleid in algemene termen te evalueren.

Opmerkingen

De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties