taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2009 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
woordenschat
leesonderwijs

Doelgroep
lln. met leer- en opvoedingsmoeilijkheden
NT1-leerlingen

Thema
onderwijsleeractiviteiten
» effectonderzoek

Land
Nederland

Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» mavo
» vmbo

Leeftijd
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)
13-14 jaar (2e voortgezet/secundair)
14-15 jaar (3e voortgezet/secundair)
15-16 jaar (4e voortgezet/secundair)

Respondenten
leerlingen/cursisten

Aantal respondenten
11-20

Methode van dataverzameling
toetsen/tests

Woordenschatonderwijs in de taalklas.
Bieleman, M. & E. Hafkenscheid
1997
p. 29-37
in: Het Schoolvak Nederlands. Verslag van de tiende conferentie


» De volledige tekst van deze publicatie: na te lezen in het online archief


Achtergrond

De problemen die taalzwakke leerlingen met schoolboekteksten hebben, worden vooral veroorzaakt door hun onvoldoende woordkennis. De onlangs ontwikkelde woordenschatlijn Weet wat je leest richt zich op het leren van de schooltaalwoorden en op het leren werken met woordverwervingsstrategieeen. Er wordt gewerkt vanuit het principe dat het goed kunnen inschatten van de eigen woordkennis (de metalinguïstische kennis) een belangrijke voorwaarde is voor woordverwerving.

Vraagstelling

1. Wat zijn de knelpunten bij het werken met de woordenschatlijn Weet wat je leest? 2. Wat zijn de effecten van de woordenschatlijn Weet wat je leest op de metalinguïstische kennis? 3. Wat zijn de effecten van de woordenschatlijn Weet wat je leest op de woordkennis?

Methode

Het onderzoek is uitgevoerd met 18 VBO/mavo-leerlingen uit een ‘taalklas'. In een taalklas zit een selectie van niet alleen allochtone, maar ook Nederlandse taalzwakke leerlingen. De taalklas heeft een extra uur Nederlands in de week waarin met name begrijpend en studerend lezen worden getraind. Het onderzoek bestond uit drie fasen: In de eerste fase zijn twee toetsen afgenomen: een ja/nee-toets om de metalinguïstische kennis te meten en een meerkeuzetoets om de woordenschat te meten. In de tweede fase is het werken met het woordenschatprogramma in de taalklas geobserveerd. In de derde fase zijn opnieuw een ja/nee-toets afgenomen en een meerkeuzetoets om zo de effecten van het programma te kunnen meten. De pre-toetsen en de post-toetsen zijn ook in een controlegroep afgenomen, een vbo/mavo-klas van dezelfde school, maar geen speciale taalklas. In deze klas zaten dus in principe gemiddeld iets sterkere leerlingen. Deze klas had in de tussentijd niet met de woordenschatlijn gewerkt.

Resultaten

De eerste paar weken werd gewerkt met een korte instructie gevolgd door een voorbeeld waarna de leerlingen individueel de oefeningen uitwerkten. Deze aanpak bleek onvoldoende effectief. De leerlingen hadden met verschillende onderdelen van de woordenschatlijn moeite. De spontaan gevormde tweetallen verschilden onderling sterk qua niveau. Daardoor traden ook al snel tempoverschillen op. Daarnaast was de opmaak van de proefversie van Weet wat je leest nog niet helemaal goed en was de formulering van sommige vragen te complex. Als oplossing zijn ‘sterkte-zwakteparen' gevormd: een zwakke taalleerder mete en kleinere woordenschat en/of beperkt zelfinschattend vermogen werd gekoppeld aan een leerling die op die punten meer in huis had. Dit bleek goed uit te pakken. Het werktempo nam toe en er werd minder snel een beroep op de docent gedaan. De metalinguïstische kennis Uit de analyse van de resultaten uit de eerste ja/neetoets bleek dat in beide vbo/mavo-klassen relatief veel leerlingen zaten die hun eigen woordkennis in ruime mate overschatten. Uit de analyse van de resultaten op de tweede ja/nee-toets bleek dat de leerlingen uit de taalklas grote vooruitgang hadden geboekt op het onderdeel metalinguïstische kennis. Een grotere vooruitgang zelfs dan de in principe iets sterkere leerlingen uit de controlegroep. De woordkennis De taalklas scoorde op de eerste meerkeuzetoets gemiddeld beduidend minder dan de controlegroep op woordkennis: 59,3 punten voor de taalklas tegen 70,6 punten van de controlegroep, een verschil van ruim 11 punten op een maximaalscore van 100 punten. Bij de post-toets bleek dat de taalklas deze achterstand bijna had gehalveerd: de taalklas scoorde 75.6 punten en de controlegroep 82,2 punten; het verschil was nu nog slechts 6 punten. De taalklas had een progressie van 16.3 punten gemaakt en de controlegroep 11.6 punten. Deze progressie was bij beide groepen significant. Uit de analyse van beide post-toetsen kan ook geconcludeerd worden dat de woordkennis van de leerlingen uit de taalklas die hun eigen woordkennis in eerste instantie erg overschatten, het meest vooruit is gegaan. In de controlegroep was dit juist omgekeerd; zij boekten juist minder vooruitgang dan hun klasgenoten.

Conclusies

Het werken met de woordenschatlijn Weet wat je leest verbetert de metalinguïstische kennis van de leerlingen en vergroot ook de woordenschat van de leerlingen.

Aanbevelingen

Het feit dat vooral de leerlingen die zichzelf op de pre-toetsen erg overschatten – de leerlingen met een mindere metalinguïstische kennis - veel vooruitgang boekten op de woordenschattoets, bevestigt de veronderstelling dat een goed inschattingsvermogen een belangrijke voorwaarde is voor woordverwerving.

Opmerkingen

De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.

Het schoolvak Nederlands opnieuw onderzocht Publicatie
Dit onderzoek wordt ook besproken in het boek Het onderzoek Nederlands opnieuw onderzocht (Slo, 2008), waarin een stand van zaken wordt gegeven van het onderzoek uit de voorbije 10 jaar.
» Download dit boek.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties