Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
schrijfonderwijs
Doelgroep
NT1-leerlingen
Thema
onderwijsleermateriaal
» ICT
onderwijsleeractiviteiten
» effectonderzoek
Land
Nederland
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» vwo
Leeftijd
16-17 jaar (5e voortgezet/secundair)
Tekstsoort
betogende teksten
Respondenten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
201-300
Methode van dataverzameling
toetsen/tests
documentanalyse
'W8ff:-)'Chattalk in een coöperatieve leeromgeving.
Erkens, G., J. Theill, G. Kanselaar, M. Prangsma, & J. Jaspers
2002
p. 24-33
Levende Talen Tijdschrift, 2
Leden van Levende Talen kunnen alle artikelen die in Levende Talen Tijdschrift verschenen zijn terugvinden in het online archief.
Achtergrond
Dit onderzoek is een deelonderzoek van het COSAR-project (Computer Ondersteund Samenwerken bij ARgumentatief schrijven). In dit project wordt de invloed van computerondersteuning op planningsactiviteiten bij het samen schrijven van argumentatieve teksten onderzocht. Voor zelfstandig werken aan groepsopdrachten lijken zogenoemde groupware'programma's interessante mogelijkheden te bieden. Deze programma's combineren een digitale werkomgeving en de mogelijkheid tot communicatie tussen gebruikers. Als leerlingen met elkaar in contact zijn via de computer, blijken ze veel gebruik te maken van chattalk (alle vormen van niet conventioneel en anderszins opvallend taalgebruik).
Vraagstelling
1.Welke soorten chattalk kunnen onderscheiden worden en in welke mate maken de leerlingen hiervan gebruik in hun chatdialoog? 2.Verschillen jongens en meisjes in het gebruik van chattalk? 3.Hangt de mate van gebruik van chattalk samen met de argumentatieve kwaliteit van het uiteindelijk geschreven betoog?
Methode
In het COSAR-project hebben 147 tweetallen uit 5-vwo van zes verschillende scholen samen een argumentatief betoog geschreven met behulp van de voor het COSAR-project ontwikkelde groupsware-omgeving TC3. In een vooranalyse van 25 chatprotocollen is een inventarisatie gemaakt van de meest voorkomende soorten chattalk die leerlingen in het COSAR-project gebruikten. In totaal zijn negen categorieën onderscheiden, sommigen met enkele subcategorieën. Daarna is het gebruik van chattalk in de 147 chatprotocollen gecodeerd.
Resultaten
1. In 18,3% van de uitspraken is chattalk gebruikt. De categorie emotie (bijvoorbeeld de smiley) wordt het meest gebruikt: 8%. Verder bestaat chattalk hoofdzakelijk uit afkorting (bijvoorbeeld d8 dacht'). De overige categorieën komen in 1% of minder van de chatuitspraken voor. 2. Jongens maken significant meer gebruik van chattalk dan meisjes. Een verklaring kan mogelijk zijn dat jongens meer ervaring hebben in communicatie met computernetwerken (als emailen en sms'en). Een andere verklaring kan zijn dat meisjes taakgerichter communiceren in een coöperatieve leeromgeving. Jongenstweetallen maken meer gebruik van chattalk dan meisjestweetallen en gemengde tweetallen. Ze hanteren met name vaker negatievere vormen van chattalk. 3. De onderzoekers vonden een lage, negatieve correlatie (-0.22) tussen het gebruik van chattalk en de kwaliteit van het betoog. Een verklaring kan zijn dat leerlingen veel tijd stoppen in het verzinnen en toepassen van chattalk. Dit zou ten koste kunnen gaan van effectieve en taakgerichte communicatie en handelingen.
Conclusies
1. Chattalk wordt veelvuldig door leerlingen uit 5-vwo toegepast in hun chat bij het samen schrijven aan een argumentatief betoog in de computerondersteunde coöperatieve leeromgeving, zoals die in het TC3 programma wordt aangeboden. Vooral het gebruik van afkortingen en verschillende manieren om emoties uit te drukken zijn populair. 2. Jongens maken meer gebruik van chattalk dan meisjes en gebruiken met name vaker negatievere vormen van chattalk. 3. Een verband tussen het gebruik van chattalk en de samenwerking tussen de leerlingen, resulterend in een kwalitatief beter eindproduct kon niet worden vastgesteld. Chattalk blijkt zelfs negatief gecorreleerd te zijn met de kwaliteit van de argumentatieve tekst.
Aanbevelingen
Nader onderzoek is nodig naar de specifieke functie van chattalk in het samenwerkingsproces: op welke momenten en in welke situaties gebruiken leerlingen chattalk en met welk doel? Dit type onderzoek kan meer inzicht verschaffen in de beperkingen van schriftelijke computernetwerken in taakgerichte samenwerkingssituaties en het kan ideeën opleveren om deze beperkingen te verminderen.
Opmerkingen
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
