Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
mondelinge taalvaardigheid
Doelgroep
NT1-leerlingen
Land
Nederland
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» vwo
» havo
» mavo
Leeftijd
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)
13-14 jaar (2e voortgezet/secundair)
14-15 jaar (3e voortgezet/secundair)
15-16 jaar (4e voortgezet/secundair)
16-17 jaar (5e voortgezet/secundair)
17-18 jaar (6e voortgezet/secundair)
Respondenten
leerlingen/cursisten
leerkrachten
Aantal respondenten
301-500
Methode van dataverzameling
schriftelijke enquête
toetsen/tests
Discussievaardigheid in de basisvorming.
Heuves, T. & H. Kuhlemeier
1998
p. 1-19
Tijdschrift voor Taalbeheersing, 1
Achtergrond
De beoordeling van discussievaardigheid is een min of meer een subjectieve aangelegenheid. Het gaat tenslotte om een vluchtig' product dat ter plekke beoordeeld moet worden. In zijn algemeenheid geldt dat een beoordeling objectiever en betrouwbaarder wordt als het oordeel op meer beoordelaars gebaseerd is. Een mogelijkheid is om leerlingen bij de beoordeling te betrekken. De veronderstelde meerwaarde zal evenwel alleen optreden als de oordelen van de leerlingen serieus genomen worden en de leerlingen de discussievaardigheid op dezelfde wijze beoordelen als de docent zelf. De validiteit van een meetinstrument voor de discussievaardigheid kan onder meer tot uiting komen in de mate waarin het instrument een onderscheid weet te maken tussen groepen van een verschillend prestatieniveau. Onderzoek heeft aangetoond dat scholen in het voortgezet onderwijs sterk verschillen in niveau van taalvaardigheid Nederlands; bovendien bestaan er (binnen scholengemeenschappen) grote prestatieverschillen tussen leerlingen van verschillende opleidingstypen.
Vraagstelling
Voor onderzoek 1 en 2: Is het mogelijk een toets te ontwikkelen die valide en betrouwbaar de discussievaardigheden van de leerling kan meten? Voor onderzoek 3: 1) In hoeverre is deze toetsvorm acceptabel voor docenten en in hoeverre kunnen ze ermee werken in de klas? (organisatie) 2) In hoeverre verschilt het oordeel van de beoordelende leerlingen van dat van de docent? a. Maken de leerlingen een even goed onderscheid tussen de discussianten als de docent? b. Zijn leerlingen milder of strenger in hun oordeel dan de docent? c. Zijn de oordelen van de docenten betrouwbaarder dan die van de leerlingen? 3) Hoe groot zijn de prestatieverschillen tussen scholen (3a) en tussen leerlingen van verschillende opleidingstypen? (3b)
Methode
In 1994 en 1995 zijn de eerste twee onderzoeken uitgevoerd om tot een hanteerbare checklist te komen en is er onderzocht of het mogelijk was leerlingen bij de beoordeling te betrekken. Voor alledrie de onderzoeken zijn vier verschillende discussieopdrachten ontwikkeld. -In de opdrachten wordt een aantal situaties beschreven die betrekking hebben op het betreffende onderwerp met daarbij apart vermeld de mogelijke standpunten en argumenten die leerlingen tijdens de discussie kunnen inbrengen. -In de instructie voor de docent staan aanwijzingen en suggesties voor het organiseren van de discussie en hoe de leerlingen zich kunnen voorbereiden. -Een discussieopdracht wordt uitgevoerd door zes à acht leerlingen per klas. Het afnemen duurt ongeveer 40 à 50 minuten in totaal. -De discussie wordt geleid door een voorzitter. Deze heeft een opdracht waarin aanwijzingen staan hoe de discussie te leiden. -Elke discussiedeelnemer wordt beoordeeld door de docent en twee of drie medeleerlingen die niet aan de discussie deelnemen. -De beoordeling vindt plaats aan de hand van een checklist met gedragsaspecten. Voor het derde onderzoek zijn 44 scholen (45 klassen) a-select uitgekozen. 317 leerlingen deden mee. Er zijn twee discussietoetsen uitgezet en elke klas maakte een toets. De eerste toets is afgenomen op 18 scholen bij 125 leerlingen, de tweede toets op 27 scholen bij 192 leerlingen. De verdeling van leerlingen naar opleidingstype was 30% (i)VBO, 35% MAVO en 36% HAVO/vwo. Voor onderzoeksvraag 1 van het derde onderzoek is met een vragenlijst aan 51 docenten gevraagd naar hun mening over deze toetsvorm en de bijbehorende checklisten.
Resultaten
Acceptabiliteit en hanteerbaarheid 1) Van de 51 docenten gaven er slechts drie aan dat hun leerlingen bekend waren met deze toetsvorm. De aanwijzingen voor het invullen van de checklist en de overeenkomstige aanwijzingen voor de leerlingen waren voor 84% van de docenten duidelijk genoeg. Ook bleken de meeste docenten van mening dat de checklist hanteerbaar was voor zowel docenten (55%) als voor leerlingen (76%). Wel gaven docenten aan het beoordelen van 6 tot 8 leerlingen tegelijk moeilijk te vinden. De gedragsaspecten vonden de meeste docenten (78%) voldoende duidelijk, 18% miste essentiële gedragsaspecten als ingaan op argumenten, taalgebruik en vragen stellen. Verschillen in beoordeling tussen docenten en leerlingen 2a) Bij de eerste discussietoets maakten de leerlingen een even scherp onderscheid als de docent. Bij de tweede toets was het onderscheid minder scherp. 2b) Bij beide toetsen waren de leerlingen iets milder in hun oordeel dan de docent. 2c) De betrouwbaarheid van toets 1 was voor zowel leerlingen als docenten: .83. Voor toets 2 was dit voor de leerlingen .73 en voor de docenten .80. Prestatieverschillen tussen scholen en opleidingstypen 3a) Van de totale prestatieverschillen in discussievaardigheden blijkt slechts een klein deel toe te schrijven aan de school die de leerling bezoekt. Er is weinig onderscheid tussen (i)vbo-mavo-havo- en vwo-leerlingen. 3b) Op grond van de oordelen van leerlingen en docenten kan maar zelden een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de gemiddelde prestaties van vbo-, mavo- en havo/vwo-leerlingen. Bij toets 1 beoordelen mavo-leerlingen de discussievaardigheid van hun klasgenoten iets lager dan vbo-leerlingen.
Conclusies
1.De acceptabiliteit en hanteerbaarheid van de discussietoetsen was redelijk, ook al hadden zowel docenten als leerlingen nog weinig ervaring met deze nieuwe toetsvorm. 2.Het oordeel van de docent hangt sterk samen met dat van de leerlingen. 3.Te verwachten was dat vbo-leerlingen lager zouden scoren dan vwo-leerlingen, maar dit bleek niet zo te zijn. Tussen leerlingen binnen scholen zijn wel duidelijke verschillen aan te wijzen.
Aanbevelingen
Omdat de beoordeling van de docenten en de leerlingen sterk overeenkwam, zou de docent kunnen beslissen de beoordeling aan de leerlingen over te laten en zelf de rol van voorzitter op zich te nemen en/of de organisatorische aspecten.
Opmerkingen
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
