taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2005 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
domeinoverschrijdend

Doelgroep
NT1-leerlingen

Land
Nederland

Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» havo
» mavo
» vwo

Leeftijd
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)
13-14 jaar (2e voortgezet/secundair)

Respondenten
leerlingen/cursisten
leerkrachten
schooldirecties

Aantal respondenten
301-500

Methode van dataverzameling
interviews
toetsen/tests
documentanalyse
observaties

Nederlands in de basisvorming

Evaluatie van de eerste vijf jaar.
Inspectie van het onderwijs
1999

Achtergrond

Per 1 augustus zijn scholen voor voortgezet onderwijs begonnen met de invoering van de basisvorming. De basisvorming is bij wet vastgelegd in de wijziging van de Wet op het Voortgezet Onderwijs van 27 mei 1992. In deze wet is reeds voorzien dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, mede namens de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de invoering van de basisvorming in 1999 laat evalueren. De Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Landbouwonderwijs en Kennisprogramma's zijn met deze evaluatie belast. De kerndoelen Nederlands vormen de neerslag van een vakinhoudelijke discussie, die vanaf eind jaren zestig is gevoerd. Het accent verschoof van het aanleren van kennis van het taalsysteem naar oefening van taalvaardigheden. De communicatieve aspecten van taalgebruik kwamen centraal te staan. Ook kwam er meer aandacht voor de functies van taal en taalvormen die daaraan gekoppeld zijn. Vanuit de algemene doelstelling voor Nederlands zijn bovendien twee belangrijke vakdidactische uitgangspunten af te leiden. Bij opdrachten in de klas zal veelvuldig gebruik moeten worden gemaakt van complete communicatieve taalsituaties. Verder zal er in de lessen aandacht moeten zijn voor een procesgerichte aanpak.

Vraagstelling

-Wat is de kwaliteit van het vak Nederlands in de basisvorming? Deelvragen: -Wat is de kwaliteit van de aangeboden onderwijsprogramma's Nederlands? -Wat is de kwaliteit van de aangeboden lessen Nederlands? -Wat is de kwaliteit van de vaksecties Nederlands? -Wat zijn de leerling-resultaten op de basisvormingstoetsen voor Nederlands?

Methode

Uitgangspunt voor dit onderzoek vormt het toetsingskader dat beschrijft aan welke kwaliteitseisen goed onderwijs in de basisvorming moet voldoen. Dit toetsingskader is ontwikkeld in overleg met wetenschappers, lerarenopleiders, schoolleiders en leraren. Op basis van het toetsingskader zijn de instrumenten ontworpen die de inspecteurs bij de schoolbezoeken hebben gebruikt. De instrumenten zijn in een try-out getest en vervolgens bijgesteld. Teams van acht tot twaalf inspecteurs en inspectiemedewerkers hebben in het schooljaar 1997/98 schoolbezoeken afgelegd bij 120 vestigingen voor het voortgezet onderwijs, ongeveer tien procent van alle vestigingen dat schooljaar. Het betrof een representatieve steekproef van scholen. De schoolbezoeken duurden drie tot vier dagen. Elk bezoek werd grondig voorbereid en afgesloten met een mondelinge en schriftelijke rapportage aan de school. De teams hebben ruim 7300 lessen bijgewoond en talloze gesprekken gevoerd. Voor het onderzoek naar de leerlingprestaties zijn de gegevens gebruikt van proeftoetsen van de afsluitende toetsen basisvorming 1997 en 1998. Aan de hand van het toetsingskader en bijbehorende instrumenten hebben de inspectieteams de op school aanwezige documenten bestudeerd, lessen bijgewoond, gesprekken met leraren en vaksectie gevoerd, en het gebruikte lesmateriaal en werk van leerlingen onderzocht.

Resultaten

Wat is de kwaliteit van de aangeboden onderwijsprogramma's Nederlands? Vijf van de zes kerndoelen uit het domein ‘Taalgebruik' komen te weinig aan de orde, terwijl aandacht voor mondelinge taalvaardigheden al geruime tijd een van de belangrijkste uitgangspunten is van het moedertaalonderwijs. Alleen het oefenen van een monoloog scoort relatief hoog, hoewel dit meestal in de beperkte vorm van een traditionele spreekbeurt geschiedt. De vaardigheden schrijven en lezen krijgen over het algemeen ruime aandacht, met uitzondering van ‘een eigen tekst herschrijven'. Opvallen is de grote nadruk op het lezen van fictionele teksten in alle opleidingen. Terwijl vele andere onderdelen uit het domein ‘Kennis over taal en taalverschijnselen' er bekaaid vanaf komen, wordt aan spelling en grammatica in alle opleidingen uitgebreid aandacht geschonken, meestal zelfs uitgebreider dan het kerndoel voorschrijft. Nog geen tien procent van de secties Nederlands besteedt voldoende aandacht aan het gebruik van tekstverwerkingsapparatuur. Voldoende scholen verlenen met het vak Nederlands een voldoende bijdrage aan oefening of reflectie op de meest algemene vaardigheden. Veel leraren Nederlands handelen pedagogisch adequaat. Er is bijvoorbeeld voldoende respect voor leerlingen, er vindt weinig onnodig onderscheid in de benaderingen van leerlingen plaats, er zijn over het algemeen duidelijke gedragsregels en leraren zijn voldoende in staat te reageren op vragen, antwoorden en opmerkingen van leerlingen. Een tegenvallend punt is het uitspreken tijdens de lessen van positieve verwachtingen omtrent hetgeen de leerlingen aankunnen. Wat is de kwaliteit van de aangeboden lessen Nederlands? Vakdidactisch zijn nog te veel lessen van een zwak niveau. Leraren stimuleren leerlingen onvoldoende om op een geoefende vaardigheid te reflecteren. Wel slaagt het merendeel van de leraren erin om het praktisch belang van een te oefenen vaardigheid aan te geven. Ook geven de meeste leraren voldoende gelegenheid om zich op een opdracht te oriënteren. Leerlingen worden nauwelijks gestimuleerd om naar elkaar te luisteren of om met elkaar in gesprek te gaan. Het meubilair in lokalen is dan ook vrijwel altijd zo opgesteld dat van een communicatieve leersituatie nauwelijks sprake kan zijn. Het onderwijs in spelling, interpunctie en zinsbouw wordt zeer traditioneel vormgegeven. De vormgeving van het fictie-onderwijs is goed. Tweederde van de lessen verdient het predikaat van ‘effectief onderwijs'. Met name ontbreekt het vaak aan het verduidelijken van doel en opbrengst van de les. Ook is in de lessen te weinig variatie in werkvormen waargenomen. In maar de helft van de lessen wordt het ‘actief leren' bevorderd. VBO-leerlingen worden hiertoe het minst aangespoord. In een kwart van de lessen wordt gedifferentieerd, maar het materiaal daarvoor wordt over het algemeen niet op basis van individuele leerbehoeften aangewend. Wat is de kwaliteit van de vaksecties Nederlands? De helft van de secties heeft een sectiebeleid dat de toets der kritiek kan doorstaan. Bijna de helft van de secties werkt niet op basis van vakwerkplannen. Een duidelijke opvatting over de gewenste vakinhoudelijke en vakdidactische richting ontbreekt doorgaans. Meestal wordt de methode hoofdstuk na hoofdstuk doorgewerkt. Nascholing vindt weinig plaats, vakliteratuur wordt nauwelijks gelezen. Wat zijn de leerling-resultaten op de basisvormingstoetsen voor Nederlands? De aansluiting met basisonderwijs en bovenbouw is voor veel verbetering vatbaar. De opbrengsten voor het vak Nederlands op de toetsen 'lezen' en ‘kijken/luisteren' zijn goed. Voor ‘schrijven' zijn de resultaten in het algemeen voldoende. Leerlingen in het (i)vbo halen daar echter het minimumniveau niet en HAVO/vwo-leerlingen presteren onder het niveau op het onderdeel conventies.

Conclusies

Het vak Nederlands komt vijf jaar na de invoering van de basisvoering nog niet goed uit de verf. Slechts 39% van de scholen slaagt erin de kerndoelen in voldoende mate aan de orde te stellen. De lessen zijn pedagogisch ruim voldoende, maar vakdidactisch zwak. Teleurstellend is dat eenderde van de lessen niet voldoet aan de eisen van effectief onderwijs. Leraren Nederlands differentiëren weinig en stimuleren hun leerlingen niet genoeg tot actief leren. Te weinig secties Nederlands werken gericht aan de ontwikkeling van hun vak in de basisvorming. Er wordt weinig nageschoold en vakliteratuur wordt maar mondjesmaat gelezen. De aansluiting met het basisonderwijs en de bovenbouw is voor veel verbetering vatbaar. De leerling-resultaten zijn echter goed.

Aanbevelingen

Sectiebeleid: -Secties zouden moeten nagaan of alle kerndoelen voldoende aan bod komen en daarbij ook kijken naar de aansluiting op de eindtermen. Aan de kerndoelen die gewijd zijn aan de mondelinge taalvaardigheden zal meer en veelzijdiger aandacht moeten worden besteed. Een opstelling van het meubilair in de klassen die stimuleert tot discussie is daarvoor wenselijk. -Aan de kerndoelen die het reviseren van eigen en andermans teksten en het gebruik van de tekstverwerker voorschrijven, wordt nu nog nauwelijks aandacht besteed. Deze twee vaardigheden zouden heel goed in samenhang met elkaar kunnen worden geoefend. -Alle opleidingen besteden meestal meer aandacht aan spelling en grammatica dan in het kerndoel voorgeschreven is. De vraag is of dit gerechtvaardigd is, gelet op de beschikbare onderwijstijd en de gesignaleerde veronachtzaming van andere kerndoelen. Bovendien is veel onderwijs op dit gebied traditioneel vormgegeven. Het zou nuttig zijn als leraren kennis namen van moderne inzichten op dit terrein, via vakliteratuur en nascholing. -In sectievergaderingen zouden algemene vaardigheidsdoelen onderwerp van studie moeten zijn. Vakdidactisch handelen: -De agenda van de sectievergaderingen zou meer vakinhoudelijk van karakter moeten zijn. Vakinhoudelijke en vakdidactische discussies behoren uit te monden in schooleigen vakwerkplannen. -In de lessen Nederlands komen dikwijls verschillende vakonderdelen oppervlakkig aan bod. Het zou effectiever zijn om één les minder uiteenlopende onderdelen op een minder oppervlakkige wijze aan de orde te stellen. -Leraren zouden leerlingen meer moeten laten reflecteren op de geoefende vaardigheid of op de verworven kennis. -Leraren zouden beter moeten inspelen op individuele leerbehoeften van leerlingen. -Het pedagogisch repertoire van leraren Nederlands behoeft op het punt van het uitspreken van positieve verwachtingen over hetgeen leerlingen aankunnen nog veel verbetering. -In sectievergaderingen zouden afspraken gemaakt kunnen worden over het systematisch bijhouden van vakliteratuur en over het deelnemen aan relevante geachte nascholing. Schoolbeleid -Het onderwijskundig management van schoolleidingen zou secties moeten aansporen gehoor te geven aan de hierboven gepresenteerde aanbevelingen. -In het (i)vbo wordt de vrijgekomen tijd als gevolg van vrijstelling voor een vreemde taal vrijwel nooit gebruikt om extra uren Nederlands aan te bieden. Het is aan te bevelen om dit wel te doen. -Ook op vestigingen MAVO/vbo zou een eenvoudige bibliotheek moeten worden ingericht.

Opmerkingen

De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties