Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
domeinoverschrijdend
Doelgroep
hoogbegaafde leerlingen
NT1-leerlingen
Land
Nederland
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» mavo
» havo
» vwo
Leeftijd
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)
13-14 jaar (2e voortgezet/secundair)
Respondenten
leerlingen/cursisten
leerkrachten
deskundigen
Aantal respondenten
11-20
Methode van dataverzameling
interviews
documentanalyse
observaties
Hoogbegaafde leerlingen en het vak Nederlands
Bonset, H.
2002
Achtergrond
In het onderzoek gaat het om hoogbegaafde leerlingen en het vak Nederlands in de basisvorming van het voortgezet onderwijs. Onder hoogbegaafde leerlingen wordt verstaan: leerlingen met een IQ van boven de 130 (naar schatting tussen de 2 en 2,5% van de bevolking) die vanwege hun intelligentie niet voldoende uitdaging vinden in het gemiddelde onderwijsprogramma van de basisvorming. Voor deze leerlingen moeten maatregelen getroffen worden op het gebied van onderwijsleermateriaal, didactiek en lesorganisatie, om hun animo voor leren niet te verstoren en hun mogelijkheden optimaal tot uiting te laten komen. Daarom is er door de SLO onderzoeksliteratuur bestudeerd en heeft er een grondige verkenning van het veld plaatsgevonden die vanuit verschillende invalshoeken gestuurd werd. In deze samenvatting wordt alleen ingegaan op de veldverkenning die gericht was op het onderwijs (schoolbezoeken en casestudies). Voor de resultaten van het literatuuronderzoek en een veldverkenning die gericht was op instanties die zich bezighouden met hoogbegaafdheid in het onderwijs wordt verwezen naar de SLO-publicatie.
Vraagstelling
Hoe besteden verschillende scholen aandacht aan hoogbegaafde leerlingen bij het vak Nederlands in de basisvorming?
Methode
Er is een bezoek gebracht aan tien scholen die zich (via de website van het Informatiepunt Hoogbegaafden bij het CPS) profileerden als scholen die speciale aandacht schenken aan hoogbegaafde leerlingen. Op basis van een lijst met vragen is gesproken met conrectoren, coördinatoren hoogbegaafdenbeleid en in de meeste gevallen ook met docenten Nederlands. Ook zijn op twee van deze scholen (het Oostvaarders College in Almere en het Hondsrug College in Emmen) diepgravende casestudies uitgevoerd. Er werden lessen geobserveerd, hoogbegaafde leerlingen en docenten geïnterviewd en documenten (bijvoorbeeld lesmateriaal, leerlingenwerk, schoolbrochures, sectiestukken) bestudeerd.
Resultaten
Het bezoek aan tien scholen Er blijken in het hoogbegaafdenveld vier verschillende benaderingen van onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen veelvuldig voor te komen: Compacten en Verrijken, Draaideurmodel, Leerstoflijnen en Vwo+. Op papier lijken ze echter meer verschil te maken dan in de praktijk. Er zijn grote overeenkomsten tussen de scholen. Zo lijkt op de meeste scholen het lesmateriaal voor hoogbegaafde leerlingen de vorm te hebben van geïntegreerde taken: binnen klassenverband en begeleid door de eigen docent. De taken hebben vaak een vakoverstijgend karakter, maar niet altijd. Niet alle scholen hebben speciaal lesmateriaal voor hoogbegaafde leerlingen. Op de scholen blijkt zelfstandigheid een belangrijk kenmerk te zijn van de lesorganisatie voor hoogbegaafde leerlingen. De helft van de scholen werkt met studiewijzers, ook in de basisvorming, waar dit nog geenszins vanzelfsprekend is. De casestudies School 1. Het Oostvaarders College Het belangrijkste punt dat naar voren komt, is het belang van zelfstandig werken, met behulp van studiewijzers. Het is dit kenmerk, door de docente zeer consequent vormgeven, dat maakt dat de hoogbegaafde leerlingen in grote meerderheid positief zijn over hun lessen. De relatief gesloten opdrachten van Op Niveau Plus en Pluskwadraat, en de sterke nadruk op individueel werken verstoren dit enthousiasme niet, hoewel enkele leerlingen wel pleiten voor meer projecten en meer nadruk op samenwerking. Daarnaast is de moeilijkheidsgraad van de leerstof een opvallend punt. Wat de docente zelf aanvult op de methode is al in sterke mate gericht op het onderwijs Nederlands in de tweede fase. Wat lesorganisatie betreft draaien de hoogbegaafde leerlingen volledig mee in het reguliere klassenverband van de gymnasiumklassen. Ze vormen geen apart groepje, er zijn voor hen geen aparte lesmaterialen en toetsen. Differentiatie tussen hen en de anderen is alleen erin gelegen dat zij bepaalde opdrachten diepgaander uitwerken en bepaalde opdrachten over mogen slaan. Het voordeel van de integratie is dat de kans op stigmatisering van de hoogbegaafde leerlingen als buitenbeentjes binnen de klas, minimaal is. Dat gevaar komt sterk naar voren uit de interviews met de hoogbegaafde leerlingen. Zij staan gereserveerd tegenover hun hoogbegaafdheid, ze zijn bang in de klas eruit te liggen doordat ze als 'studjes' worden gezien. Ten slotte blijkt dat de groep leerlingen die als hoogbegaafd wordt aangeduid erg divers is. Er is een wereld van verschil tussen de 11-jarige leerling uit 2-gymnasium die wel echt als hoogbegaafd aangeduid kan worden en de 12-jarige leerling uit 1-gymnasium die zegt: 'Ze kunnen mij wel hoogbegaafd noemen, maar dan zijn de anderen superhoogbegaafd'. School 2. Het Hondsrug College Hoogbegaafde leerlingen worden gegroepeerd in speciale (vwo+) klassen. De leerlingen laten zich hierover tevreden uit in de interviews; ze zijn 'onder gelijken' en daardoor veilig voor stigmatisering. Een ander voordeel van vwo+ groepering is dat deze 'collectieve compacting' mogelijk maakt: dezelfde leerstof als in gewone vwo-klassen wordt gedaan in een lesuur minder per week en dat lesuur blijft over voor projectactiviteiten. De opdrachten die uitgevoerd worden tijdens deze projecturen zijn open en onderzoekend van aard en sterk gericht op samenwerking, zoals blijkt uit lessen waarin met het expertmodel gewerkt wordt. Leerlingen zijn positief over deze lessen. De geïnterviewde leerlingen staan ook gereserveerd tegenover hun hoogbegaafdheid.
Conclusies
en aanbevelingen Op basis van het bestuderen van onderzoeksliteratuur en een grondige verkenning van het veld, heeft de SLO aanknopingspunten opgesteld voor leerplanontwikkeling: -Lesmateriaal voor hoogbegaafde leerlingen moet in grote lijnen de volgende kenmerken dragen: 1.Hoge moeilijkheidsgraad 2.Interessante en uitdagende onderwerpen 3.Open opdrachten 4.Echte problemen 5.Abstracte begrippen en generalisaties 6.Nieuwe leerstof 7.Onderzoekende houding 8.Samenhang en verbanden 9.Zelfstandigheid/samenwerken 10.Variatie informatiebronnen 11.Metacognitieve vaardigheden -Het moet gepaard gaan met een handreiking voor docenten om zelf materiaal te maken of te bewerken. -Het moet bestaan uit geïntegreerde taken: binnen het reguliere klassenverband, binnen het bereik van de docent, en binnen het vak, eventueel in combinatie met andere vakken. -Het moet georganiseerd zijn als projectmatig werken, dan wel als zelfstandig werken met studiewijzers. Ook in het laatste geval moet er voldoende aandacht zijn voor samenwerking tussen leerlingen.
Aanbevelingen
Opmerkingen
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
