taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » onderzoek »

Het taalonderwijs Nederlands onderzocht

Onderzoeken uit de periode 1969-2005 naar het onderwijs Nederlands

Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:

Domein
domeinoverschrijdend

Doelgroep
NT1-leerlingen

Land
Nederland

Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» havo
» mavo
» vwo

Leeftijd
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)
13-14 jaar (2e voortgezet/secundair)

Respondenten
leerkrachten
schooldirecties

Aantal respondenten
101-200

Methode van dataverzameling
interviews
schriftelijke enquête

Basisvorming... En niet meer dan dat. Docenten richten zich sterk op basisvaardigheden.

Roelofs, E. & T. Houtveen
1999
p. 22-24
Didactief & School, 1999 , 1/2

Achtergrond

Er zijn signalen vanuit organisaties, scholen en vakbladen die tot weinig optimisme over de mate van implementatie van de Basisvorming in het handelen van docenten aanleiding geven. Hierover zijn echter weinig empirische gegevens beschikbaar aangezien het tot nu toe verrichte evaluatie-onderzoek zich voornamelijk heeft gericht op schoolleiding en staf en niet zozeer op docenten. Daarom is een onderzoek uitgevoerd onder de docenten om zo een evenwichtig beeld van de stand van zaken in de Basisvorming te kunnen krijgen.

Vraagstelling

-Wat zijn de beargumenteerde meningen van docenten over de Basisvorming en de knelpunten en de kansen die deze met zich meebrengt en in hoeverre worden de TVS-karakteristieken (Toepassen, Vaardigheden en Samenhang) gerealiseerd? -Wat is de perceptie van deze docenten van het voorkomen van psychosociale problematiek bij leerlingen in de Basisvorming en van veranderingen in de mate of de aard ervan sinds de invoering van de Basisvorming?

Methode

Op 90 scholen zijn 173 docenten wiskunde en Nederlands die lesgeven in de Basisvorming bevraagd. Er zijn sterk voorgestructureerde interviews gehouden en er is een schriftelijke vragenlijst afgenomen. Docenten die in meerdere schooltypen en leerjaren lesgeven is gevraagd om één specifiek schooltype en leerjaar in gedachten te nemen. Van de ondervraagde docenten richtte 31.8% zich op het VBO, 40.5% op het MAVO, 16.8% op het HAVO en 11.0% op het vwo. Naast bevraging van docenten is een korte vragenlijst bij de schoolleider afgenomen over het voorkomen van probleemgedrag bij leerlingen (zoals spijbelen) als indicatoren voor psychosociale problemen bij leerlingen. Dit materiaal is gebruikt ter onderbouwing van de indrukken van docenten over het voorkomen van psychosociale problemen. Bij de presentatie van de resultaten worden als het mogelijk is, apart de resultaten voor docenten Nederlands gepresenteerd. Soms worden echter ook beide groepen docenten samengenomen.

Resultaten

Meningen over de Basisvorming Volgens docenten Nederlands worden kerndoelen gericht op basisvaardigheden van communicatie (begrijpend en studeren lezen, luisteren, spreken en schrijven) in redelijke tot ruime mate gerealiseerd. Complexere vaardigheden bij communicatie (deelnemen aan een dialoog, reflectie op het eigen schrijfproces, op achtergronden van taal en taalontwikkeling) worden veel minder verwezenlijkt. Docenten achten zich minder deskundig op dit gebied. Doelen waarbij multimedia en geautomatiseerde gegevensbestanden worden gebruikt, worden zeer beperkt gerealiseerd. Docenten achten zich hiervoor nauwelijks deskundig. Toepassingsgericht onderwijs wordt volgens docenten in hoge mate gerealiseerd, volgens wiskundedocenten met name dankzij de methode. Wat betreft het betrekken van de leefwereld bij de lessen als element van toepassingsgerichtheid, blijkt dat een groot deel (85%) zegt aan te sluiten bij interesses en ervaringen van leerlingen. 90% Zegt onderwerpen te kiezen uit de leefwereld van de leerlingen en ongeveer 80% betrekt de ervaringen van de leerlingen bij de introductie van nieuwe stof en geeft opdrachten die aansluiten op de leefwereld van de leerlingen. Waar het gaat om het besteden van aandacht aan buitenschoolse toepassingssituaties kan worden geconstateerd dat er niet zozeer sprake is van direct contact met de beroepsbeoefenaren, maar van binnen de les verwijzen naar de beroepenwereld. De actieve rol voor de leerling krijgt gestalte door middel van zelfstandig uit te voeren opdrachten (94%), vaak in samenwerking met medeleerlingen. Een meerderheid van de docenten (85%), waaronder de meeste wiskundedocenten, geeft opdrachten waarbij het vooral om de aanpak of strategie gaat en niet in eerste instantie om een goed antwoord. Docenten noemen het zelfstandig (of in tweetallen) laten nakijken van huiswerk als middel om leerlingen actief te laten leren. Een minderheid van de docenten maakt gebruik van open opdrachten met meerdere mogelijke uitwerkingen (45%). Bezwaren tegen een dergelijke actieve rol voor leerlingen komen vooral uit de hoek van docenten van vbo-leerlingen die volgens hen veel sturing nodig hebben. De aandacht voor algemene vaardigheden neemt gemiddeld af naarmate de complexiteit ervan toeneemt. Maandelijks besteden docenten in hun les aandacht aan het verwoorden van een eigen standpunt. Meer dan enkele malen per jaar laten docenten leerlingen op een of andere wijze relaties leggen met de praktijk van verschillende beroepen en krijgen leerlingen gelegenheid te leren samenwerken. Het leren hanteren van criteria bij het zelf beoordelen van werkstukken is praktisch alleen en enkele malen per jaar aan de orde bij Nederlands. Het verrichten van een onderzoek gebeurt een enkele maal per jaar. Bij Nederlands is steeds meer aandacht voor de vaardigheden dan bij wiskunde. Vergeleken met de andere aspecten van de TVS-karakteristieken, wordt aan samenhang weinig aandacht besteed. Dit geldt met name voor docenten wiskunde. Men werkt er een enkele keer per jaar met thema's binnen het vak, maar nooit met thema's buiten het vak. Er is weinig aandacht voor buitenschoolse activiteiten binnen de vaklessen. Aandacht voor beroeps- en keuzebegeleiding is er een enkele maal per jaar. Wat betreft Nederlands is er een overeenkomstig beeld gevonden, met dit verschil dat daar beduidend frequenter wordt gewerkt met thema's binnen het vak en iets vaker aspecten van buitenschoolse activiteiten terugkeren in de lessen. De psychosociale problematiek In het onderzoek is een onderscheid gemaakt in typen problemen, te weten: alledaagse emotionele problemen, ernstige emotionele problemen, alledaagse gedragsproblemen, ernstige gedragsproblemen. Het percentage docenten dat van mening is dat de omvang van de problemen die onder deze categorieën vallen, gelijk is gebleven is vrijwel steeds groter dan het percentage docenten dat aangeeft dat de omvang is toegenomen. Uitzondering hierop zijn concentratieproblemen, ordeverstorend gedrag en druggebruik. Tweederde van de docenten signaleert een toename van de concentratieproblemen. Zestig procent vindt dat ordeverstorend gedrag is toegenomen en ruim de helft noemt een toename van het druggebruik. Deze problemen komen op alle schooltypen voor. Gedragsproblemen in de sfeer van ordeverstorend gedrag en spijbelen komt op het vbo meer voor dan op de andere schooltypen. Een kwart van de docenten wijst voor alle schooltypen de veranderde inhoud van de vakken in de Basisvorming als oorzaak van psychosociale problemen aan. De toename van het aantal theoretische vakken wordt door ruim 40% van de docenten als oorzaak voor problemen in het vbo genoemd. Voor havo/vwo-leerlingen zorgt de toename van het aantal vaardigheidsvakken juist voor problemen.

Conclusies

De waardering voor de Basisvorming is over het algemeen positief: het onderwijs is onder invloed van de Basisvorming volgens ongeveer de helft van de docenten toepassingsgerichter, afwisselender en breder geworden. Het percentage docenten dat het onderwijs nu meer vervlakt vindt, ligt op eenderde. Ook voelen docenten zich over het algemeen voldoende uitgerust om les te geven in de Basisvorming. Minder deskundig voelt men zich in het realiseren van samenhang in lessen en het realiseren van leerlingbegeleiding en oriëntatie op studie en beroep in de les. Nauwelijks deskundig achten docenten zich in het gebruik van moderne informatie- en communicatiemiddelen. De meeste docenten constateren bij zichzelf ook daadwerkelijk een verandering in onderwijsgedrag, in het bijzonder betreft dit de verschuiving van instructie geven naar het begeleiden van het zelfstandig leerproces. In de eigen waarneming realiseren docenten in hoge mate de TVS-karakteristiek toepassingsgerichtheid. Met name slagen de docenten er volgens henzelf vaak in aan te sluiten bij de leefwereld van leerlingen. De didactiek is ook vaak gericht op het stimuleren van het leerproces bij leerlingen in plaats van op het eindproduct. Het aandacht besteden aan vaardigheden komt in veel mindere mate voor en neemt evenredig af met de toename van de complexiteit van de vaardigheid. Er wordt door docenten gemiddeld af en toe aandacht besteed aan samenwerking en communicatie tussen leerlingen. Ze houden een sterke greep op de leersituatie en hechten weinig belang aan het proces van samenwerken zelf. Aan de realisatie van de karakteristiek samenhang komt men nog nauwelijks toe. Er is dan ook nauwelijks sprake van een leeromgeving waarin leerlingen zelfstandig werken aan opdrachten, waarbij grenzen van het vak worden doorbroken en waarbij een relatie wordt gelegd met het maatschappelijk functioneren.

Aanbevelingen

De didactische consequenties van nieuwe inzichten over leren moeten vertaald worden in operationeel handelen. Opleiding en nascholing moeten aandacht besteden aan implementatie van dergelijke docentvaardigheden.

Opmerkingen

De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties