Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
woordenschat
Doelgroep
NT2-leerlingen/cursisten
Thema
evaluatie van onderwijsopbrengsten
Land
Nederland
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» mavo
Leeftijd
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)
14-15 jaar (3e voortgezet/secundair)
Respondenten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
61-100
Methode van dataverzameling
toetsen/tests
Ingen, K. van
2000
p. 93-103
in: Toegepaste Taalwetenschap in Artikelen, nr. 63
Achtergrond
Anderstalige leerlingen in het voortgezet onderwijs blijken minder te presteren op tekstbegrip in vergelijking met hun Nederlandstalige klasgenoten. Dit kan voor grote problemen zorgen omdat tekstbegrip een centrale rol speelt. Het is niet alleen een belangrijk leerdoel van het vak Nederlands, het is bovenal bij vele andere vakken een leermiddel. Het is duidelijk dat deze achterstand opgeheven moet worden. De vraag is of de oorzaak te vinden kan zijn in een minder efficiƫnt woordherkenningsproces en/of in minder kennis van woordbetekenissen.
Vraagstelling
Is de snelheid van woordherkenning en kennis van woordbetekenis van invloed op het tekstbegrip bij gevorderde NT2-leerders?
Methode
Aan het onderzoek hebben 126 leerlingen van de MAVO-afdelingen van vier grotere scholengemeenschappen voor voortgezet onderwijs meegedaan. Het onderzoek is uitgevoerd in het eerste en derde leerjaar van de MAVO. De leerlingen zijn in vier groepen ingedeeld op basis van leerjaar en thuistaal. Uiteindelijk zijn de resultaten van 94 leerlingen gebruikt: In het eerste leerjaar zijn 57 leerlingen onderzocht, 27 anderstalige en 30 Nederlandstalige. Leerjaar drie bestond uit 37 leerlingen, 12 anderstalige en 25 Nederlandstalige. Er zijn drie testen afgenomen: een voor toetsing van tekstbegrip, een voor toetsing van de snelheid van woordherkenning en een voor toetsing van de woordbetekenissen. Voor het vaststellen van het tekstbegrip is de bestaande tekstbegripstest uit het project NELSON van het SCO-Kohnstamm Instituut gebruikt. Voor het meten van de snelheid van woordherkenning is gebruik gemaakt van een computergestuurde lexicale decisietest. Voor dit onderzoek zijn 70 bestaande en 35 pseudo-woorden steekproefsgewijs geselecteerd. De woorden zijn allemaal schooltaalwoorden omdat gevorderde NT2-leerders vooral met deze woorden moeite lijken te hebben. De pseudo-woorden zijn ontstaan door een van de klinkers of medeklinkers te veranderen zodat er een woord ontstaat dat in het Nederlands niet voorkomt, maar qua vorm wel had kunnen bestaan. Om te controleren of de betekenis van de geteste woorden bekend was bij de leerlingen, is ervoor gekozen om de woordbetekenistest uit dezelfde woorden als de lexicale decisietest te laten bestaan. Als minder dan 85% van de leerlingen de betekenis van een woord niet kende, is dit woord uit de analyse van de woordherkenningstoets gelaten. Deze woordbetekenistest is na de decisietest afgenomen en test of de leerlingen de betekenis receptief kennen. De leerling moet besluiten of de omschrijving bij het woord de juiste is of niet.
Resultaten
In leerjaar 1 en 3 scoren anderstalige leerlingen significant lager dan Nederlandstalige. De prestaties gaan bij beide groepen vooruit als gekeken wordt naar de scores in leerjaar 1 en 3. Uit de resultaten van de decisietest blijkt niet dat anderstalige leerlingen langzamer woorden herkennen dan Nederlandstalige leerlingen. De verschillen zijn niet statistisch significant. Ook is er geen significant verschil bij beide groepen tussen leerjaar 1 en 3. De snelheid van woordherkenning ontwikkelt zich dus niet. Als er gekeken wordt naar het verband tussen tekstbegrip en de snelheid van woordherkenning blijkt dat er bij de vier groepen proefpersonen geen significant verschil bestaat tussen de twee variabelen. Dit zou betekenen dat snelheid van woordherkenning geen rol meer speelt bij Nederlandstalige en anderstalige leerlingen in het voortgezet onderwijs. Analyse van de woordbetekenistest laat zien dat anderstalige leerlingen in beide leerjaren significant lager scoren dan hun Nederlandstalige klasgenoten. Beide groepen scoren wel beter in leerjaar 3 dan in leerjaar 1. Bij de analyse van de correlatie tussen de score op tekstbegrip en de score op woordbetekenis blijkt dat er een positief significant verband is bij de anderstalige leerlingen in beide leerjaren. Bij de anderstalige leerlingen uit leerjaar 1 is sprake van een substantieel verband tussen de twee variabelen. Bij de anderstalige leerlingen uit leerjaar 3 is er een opvallend verband tussen de score op tekstbegrip en de score op woordbetekenis.
Conclusies
Doordat dit onderzoek met een kleine groep proefpersonen uitgevoerd is, is het onmogelijk om op basis van deze resultaten algemene uitspraken te doen. Uit dit onderzoek blijkt dat snelheid van woordherkenning problemen met tekstbegrip niet lijkt te verklaren. Anderstalige leerlingen scoren niet langzamer op de woordherkenningstaak dan Nederlandstalige leerlingen. Ook leek er bij geen van de vier groepen sprake te zijn van en significant verband tussen snelheid van woordherkenning en tekstbegrip. Snelheid van woordherkenning lijkt problemen met tekstbegrip van anderstalige leerlingen dus niet te verklaren. Kennis van woordbetekenissen speelt wel een rol bij tekstbegrip: Anderstalige leerlingen blijken minder te presteren op de woordbetekenistest dan hun Nederlandstalige klasgenoten. Ook was er sprake van een substantieel verband tussen de score op woordbetekenistest en de score op tekstbegriptest bij de anderstalige leerlingen uit leerjaar 1 en zelfs een opvallend verband bij de anderstalige leerlingen uit leerjaar 3. Bij de Nederlandstalige leerlingen was er geen verband tussen de twee variabelen. Hieruit is te concluderen dat Nederlandstalige leerlingen een toereikende woordenschat hebben voor tekstbegrip, waardoor het verband tussen woordkennis en tekstbegrip verdwenen is.
Aanbevelingen
Dit onderzoek zou met meer proefpersonen moeten worden opgezet. Daarnaast zou er een variabele voor de T1 taal van de leerling moeten worden meegenomen omdat uit onderzoek is gebleken dat dit ook invloed heeft op het proces van woordherkenning in de T2. Als de resultaten uit dat onderzoek deze resultaten zouden bevestigen dan betekent dit dat er geen aanwijzingen zijn dat er een verband bestaat tussen de mate van tekstbegrip en de snelheid van woordherkenning bij onderinstromers in het voortgezet onderwijs. Oorzaken zullen dan toch gezocht moeten worden in andere onderdelen van het leesproces.
Opmerkingen
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1997 tot en met 2002 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma en drs. Eva Breedveld.
Publicatie
Dit onderzoek wordt ook besproken in het boek Het onderzoek Nederlands opnieuw onderzocht (Slo, 2008), waarin een stand van zaken wordt gegeven van het onderzoek uit de voorbije 10 jaar.
» Download dit boek.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties