Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Domein
taalbeschouwing/argumentatie
Doelgroep
NT2-leerlingen/cursisten
Thema
onderwijsleeractiviteiten
» effectonderzoek
Land
Nederland
Onderwijstype
zij-instroom opvang
voortgezet/secundair onderwijs
Leeftijd
13-14 jaar (2e voortgezet/secundair)
14-15 jaar (3e voortgezet/secundair)
15-16 jaar (4e voortgezet/secundair)
16-17 jaar (5e voortgezet/secundair)
17-18 jaar (6e voortgezet/secundair)
Respondenten
leerlingen/cursisten
Aantal respondenten
41-60
Methode van dataverzameling
toetsen/tests
Een onderzoek naar het effect.
Bienfait, N.
2003
p. 11-17
in: Levende Talen Tijdschrift, jrg. 4 , nr. 2
» De volledige tekst van deze publicatie: alle artikelen uit Levende Talen Tijdschrift kunnen gedownload worden in het online archief (vanaf jaargang 11 - 2010).
Andere publicaties
Over dit onderzoek is ook gepubliceerd door Bienfait (2002, Groningen: Rijksuniversiteit Groningen).
Achtergrond
De discussie over de waarde van grammaticaonderwijs wordt al tientallen jaren
gevoerd, zowel onder theoretici als onder docenten. Deze studie onderzoekt het
effect van expliciet grammaticaonderwijs aan jongeren van dertien tot achttien
jaar in een Internationale Schakelklas.
Vraagstelling
Wat is het effect van expliciet grammaticaonderwijs op de ontwikkeling van de
grammatische vaardigheid in het Nederlands van allochtone jongeren en wat zijn
de voorwaarden waaronder een ontwikkelingseffect optreedt?
Methode
Het onderzoek is uitgevoerd onder 41 leerlingen in een internationale schakelklas,
het zijn tweedetaalleerders van dertien tot achttien jaar. Het onderzoek verliep
in vijftien cycli van elk ongeveer vier weken. Per cyclus werd eerst vastgesteld
of leerlingen zich in een gevoelig ontwikkelingsstadium bevonden voor verschillende
grammaticastructuren. Dit gebeurde door hun prestaties in een formele en een informele
taaltaak te analyseren. Beredeneerd is dat een leerling die in beide taaltaken
zwak presteert op een bepaalde grammaticastructuur nog niet toe is aan de verwerving
van die structuur. Is er sprake van een verschil in prestatie, dan is de leerling
bezig met de verwerving van de structuur en bevindt hij zich in een stadium waarin
hij gevoelig is voor verdere groei.
Leerlingen die zich in een gevoelig stadium voor een of meer van de structuren bevonden of er juist nog niet aan toe waren, kregen in de betreffende cyclus een schriftelijke cursus in een van die structuren. Dit vormgerichte onderwijs kenmerkte zich door expliciete aandacht voor de onderzoekstructuren en hun regels.
Er waren drie experimentele groepen en twee controlegroepen. De leerlingen in de controlegroepen zaten in een gevoelig ontwikkelingsstadium en kregen niet het vormgerichte onderwijs, maar het reguliere, overwegend betekenisgerichte onderwijs. Zij werden impliciet noch expliciet onderwezen in de onderzochte structuren.
Resultaten
Leerlingen die vormgericht onderwijs kregen in een structuur waar ze nog niet
aan toe waren, gingen vrijwel niet vooruit. Niet in geanalyseerde kennis, niet
in het geval van gemakkelijke structuren en niet na verloop van tijd.
Leerlingen die vormgericht onderwijs kregen dat wel aansloot bij hun ontwikkeling, gingen betekenisvol en stabiel vooruit in zowel geanalyseerde kennis als in geautomatiseerde kennis. Leerlingen die zich in een dergelijk gevoelig ontwikkelingstadium bevonden, gingen echter op basis van betekenisgericht onderwijs vergelijkbaar en even stabiel vooruit, ook in geanalyseerde kennis en in geanalyseerde kennis over complexe structuren.
Mogelijk geeft vormgericht onderwijs wel extra steun bij de verwerving van impliciete kennis over relatief complexe structuren, maar het is twijfelachtig of zo'n effect duurzaam is.
Conclusies
Expliciet en intensief vormgericht onderwijs is met name effectief als het
aansluit bij het ontwikkelingstadium van de individule leerling. Bij klassikaal,
ongedifferentieerd oefenen wordt de beschikbare onderwijs- en leercapaciteit
inefficiënt ingezet.
Leerlingen in een gevoelig stadium die onderwijs krijgen op basis van betekenisgericht onderwijs, bewerkstelligen echter ook een vergelijkbare en bestendige groei in hun grammatische vaardigheid. De docent hoeft dus niet systematisch de vaardigheid van individuele leerlingen te analyseren en intensief, geïsoleerd oefenen is evenmin nodig. Zodra leerlingen toe zijn aan de verwerving van een structuur, leren ze die structuur ook bij minder voorgestructureerd, maar wel betekenisrijk aanbod.
Aanbevelingen
De resultaten van deze studie billijken een pleidooi voor een verdieping van
het inzicht van docenten en opleiders in de waarde, maar vooral in de beperkingen
van expliciet, intensief en vormgericht onderwijs. De docenten moeten vertrouwen
ontwikkelen in het vermogen van leerlingen om ook op basis van betekenisgericht
onderwijs en van eigen leer- en oefentechnieken hun grammatische vaardigheid
verder te ontwikkelen. Leerlingen hebben niet altijd expliciete kennis nodig,
voor de ontwikkeling van expliciete kennis zijn ze niet afhankelijk van expliciete
uitleg door de docent en voor de ontwikkeling van geautomatiseerde kennis niet
van intensieve, gestructureerde oefening.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 2003 tot en met 2006 zijn geschreven door dr. Martine Braaksma.
Publicatie
Dit onderzoek wordt ook besproken in het boek Het onderzoek Nederlands opnieuw onderzocht (Slo, 2008), waarin een stand van zaken wordt gegeven van het onderzoek uit de voorbije 10 jaar.
» Download dit boek.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties