Dit onderzoek behoort tot de volgende categorieën:
Doelgroep
NT2-leerlingen/cursisten
Thema
beginsituatie
» buitenschoolse kenmerken
Land
Nederland
Onderwijstype
voortgezet/secundair onderwijs
» vwo
» mavo
Leeftijd
12-13 jaar (1e voortgezet/secundair)
13-14 jaar (2e voortgezet/secundair)
14-15 jaar (3e voortgezet/secundair)
15-16 jaar (4e voortgezet/secundair)
16-17 jaar (5e voortgezet/secundair)
17-18 jaar (6e voortgezet/secundair)
Een exploratief onderzoek naar Nederlandse taalvaardigheid van anderstalige leerlingen in het voortgezet onderwijs
Appel, R.
1985
p. 65-73
Toegepaste Taalwetenschap in Artikelen, nr. 22
Uit Het Schoolvak Nederlands Onderzocht, hoofdstuk 8.6.2
Appel (1985) doet verslag van een kleinschalig, exploratief onderzoek naar het verschil in taalvaardigheid tussen anderstalige en Nederlandse leerlingen. Dit onderzoek vond iets eerder plaats dan het onderzoek van Hacquebord (1989). Qua achtergrond, vraagstelling en opzet vertonen beide onderzoeken overeenkomsten. Ook Appel vertrok vanuit de probleemstelling dat allochtone leerlingen minder doorstromen naar hogere vormen van voortgezet onderwijs, gebruikte de tweedeling van Cummins (BICS en CALP) als theoretisch kader voor zijn onderzoek, en ook hij plaatste hier kritische kanttekeningen bij. Een laatste overeenkomst met het onderzoek van Hacquebord is dat ook Appel leerlingen toetsen voorlegde ter meting van hun taalvaardigheid. Een verschil met het onderzoek van Hacquebord is dat Appel zich niet beperkte tot de verschillen in schoolse taalvaardigheden (CALP) maar zich ook de vraag stelde of er verschillen zijn in de alledaagse taalvaardigheid (BICS) van anderstalige en Nederlandse leerlingen en zo ja, of de verschillen er in beide typen taalvaardigheid in even sterke mate zijn. Een ander verschil is dat Appel in zijn onderzoek uitsluitend leerlingen uit hogere vormen van voortgezet onderwijs betrok. Aan het onderzoek namen 17 allochtone en 17 Nederlandse leerlingen deel. 16 leerlingen uit iedere groep zaten in MAVO 3 of 4 en één leerling uit iedere groep zat op het gymnasium. De mavo-leerlingen werden gerecruteerd uit vier verschillende scholen uit Amsterdam en Den Haag. De allochtone leerlingen hadden een gemiddelde verblijfsduur in Nederland van 9,5 jaar. Er waren negen nationaliteiten vertegenwoordigd. Al deze leerlingen hadden twee thuistalen; met de ouders spraken ze de oorspronkelijke moedertaal, met broertjes en zusjes Nederlands.
De taalvaardigheid van de leerlingen werd op twee manieren gemeten. Gegevens over alledaagse taalvaardigheid werden verkregen door min of meer spontaan taalgebruik van de leerlingen in een gesprekje over alledaagse onderwerpen op te nemen en te analyseren op syntactische complexiteit, syntactische welgevormdheid, diversiteit van het vocabulair, en morfologische aspecten. Daarnaast maakten de leerlingen een verhaal af aan de hand van een serie onvolledige plaatjes. Hiervan werden de eerste 100 hoofdzinnen geanalyseerd op correct gevormde bijzinnen, correcte inversies, correct gebruik van verwijswoorden, diversiteit van zelfstandige naamwoorden, beheersingsgraad van lidwoorden en voorzetsels.
Gegevens over schoolse taalvaardigheid werden verkregen door de afname van een idioomtest (uitdrukkingen), een luistervaardigheidstest, een vocabulairetest (woorden), een zinsbeoordelingstest (grammatica) en een cloze-test. Voorts werd er een rollenspel(test) afgenomen voor de analyse van het taalgebruik van de leerlingen. De leerlingen kregen individueel tien situaties voorgelegd waarbij ze gevraagd werd te zeggen hoe zij hierin zouden reageren. Bijvoorbeeld: "Je hebt een dure geluidsinstallatie gekocht die thuis niet in orde blijkt te zijn. Je wilt je geld terug hebben, gaat terug naar de winkel en zegt tegen de verkoper...".
De resultaten lieten zien dat de Nederlandse leerlingen gemiddeld op alle variabelen op één na (correct gevormde bijzinnen) een hogere score hadden dan allochtone leerlingen. Voor twee variabelen (lidwoorden en voorzetsels) en vier testen (idioom, vocabulair, zinsbeoordeling en cloze-test) waren deze verschillen ook statistisch significant. Appel trekt hieruit de conclusie dat allochtone leerlingen een lagere Nederlandse taalvaardigheid hebben dan Nederlandse leerlingen.
Een blik op de statistisch significante verschillen toonde dat allochtone leerlingen met name een achterstand bleken te hebben in schoolse taalvaardigheid, en de veronderstelling is dat juist deze taalvaardigheden hun schoolcarrière in belangrijke mate beïnvloeden, zo stelt Appel.
De twee groepen bleken in hoge mate vergelijkbaar wat betreft hun dagelijkse algemene taalvaardigheid. Allochtone leerlingen hadden weliswaar op morfologisch niveau een achterstand, maar deze fouten tastten de begrijpelijkheid van het taalgebruik zelden aan. Appel splitste de scores van allochtone leerlingen ook uit naar verblijfsduur: de leerlingen die langer (6-12 jaar) in Nederland verbleven hadden over het algemeen hogere scores dan leerlingen die korter in Nederland waren (3-5 jaar). De leerlingen met de langste verblijfsduur (13-15 jaar) hadden ongeveer dezelfde scores als Nederlandse leerlingen.
Uit de rollenspel bleken meer overeenkomsten dan verschillen tussen beide groepen leerlingen. Dit ondersteunt de conclusie dat leerlingen in alledaagse taalvaardigheid niet veel van elkaar verschillen. Er werden twee verschillen gevonden: Nederlandse leerlingen gebruikten meer geritualiseerde taaluitingen in standaardsituaties (telefoon opnemen in het huis van iemand anders) en zij formuleerden hun eisen, klachten en verzoeken iets dwingender (ik wil mijn geld terug'). Aan deze verschillen koppelt Appel geen oordelen over de kwaliteit of het niveau van het taalgebruik. De hoofdconclusie van het onderzoek luidt dat anderstalige leerlingen die op de mavo beland zijn niet van hun taalproblemen verlost zijn. Tegen de achtergrond van Cummins' veronderstelling dat schoolse taalvaardigheid in de tweede taal tot ontwikkeling komt als alledaagse en schoolse taalvaardigheid in de eerste taal goed zijn verworven, oppert Appel de mogelijkheid dat de taalproblemen van anderstalige leerlingen blijven bestaan als gevolg van het feit dat hun eerste taal in het onderwijs onvoldoende wordt ontwikkeld.
De resultaten van dit onderzoek moeten volgens Appel met voorzichtigheid geïnterpreteerd worden: er is sprake van een kleine, zeer heterogene groep leerlingen. Ook werden mogelijk relevante achtergrondvariabelen van de leerlingen niet in het onderzoek betrokken.
De beschrijvingen van de onderzoeken in het voortgezet/secundair onderwijs uit de periode 1969 tot en met begin 1997 zijn geschreven door drs. Mariëtte Hoogeveen en dr. Helge Bonset en zijn eerder in boekvorm verschenen ('Het Schoolvak Nederlands Onderzocht', Garant, 1998).
« vorige pagina - volgende pagina »Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
