Voortgezet onderwijs in Nederland
Na de basisschool gaan leerlingen naar een school voor voortgezet onderwijs, minstens tot ze zestien jaar zijn. Na het schooljaar waarin een leerling zestien wordt, is hij nog één jaar leerplichtig voor minstens één of twee dagen per week. Net zoals in het basisonderwijs kent het voorgezet onderwijs openbare en bijzondere scholen enerzijds, en gewone en speciale scholen anderzijds.
De meeste scholen voor voortgezet onderwijs hebben een brugklas. Dat is de term voor het eerste jaar of de eerste twee jaren die de leerling volgt voor hij een onderwijssoort kiest. In de brugklas krijgen alle leerlingen een gelijkaardige vorming. De brugklas maakt deel uit van de basisvorming. Die werd in 1993 ingevoerd om leerlingen beter voor te bereiden op het vervolgonderwijs, hun toekomstige werk en hun rol in de samenleving. Alle scholen in het voortgezet onderwijs (vmbo, havo en vwo) bieden de leerlingen van 12 tot 15 jaar dezelfde vakken en programma\'s aan. Daardoor kunnen leerlingen gemakkelijker doorstromen van de ene naar de andere onderwijsvorm. Scholen kunnen hun aanbod afstemmen op uiteenlopende groepen en individuele leerlingen. Zij bepalen zelf hoe en hoe lang zij basisvorming geven. Wel moeten zij ervoor zorgen dat de leerling na drie (maar soms twee of vier) jaar een bepaalde hoeveelheid kennis, inzicht en vaardigheden heeft.
Daarna komen leerlingen terecht in een van de drie soorten voortgezet onderwijs: het vwo (voorbereidend wetenschappelijk onderwijs), het havo (hoger algemeen voortgezet onderwijs) en het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs). Leerlingen moeten hierbij het advies van de basisschool volgen. Vroeger waren deze onderwijssoorten verdeeld over verschillende scholen. Vandaag vormen veel van deze aparte scholen brede scholengemeenschappen. Leerlingen die van onderwijssoort veranderen, hoeven bijgevolg niet langer een andere school op te zoeken. Scholen voor voortgezet onderwijs tellen dan ook veel meer leerlingen (en leerkrachten) dan basisscholen.
De eerste drie jaar van het voortgezet onderwijs krijgen leerlingen minstens 32 uur per week les. Na het derde jaar hangt het aantal lesuren af van de onderwijsvorm die de leerling kiest.
Meestal krijgen de leerlingen voor elk vak een andere leerkracht. Elke klas heeft een mentor of klasleraar, die de leerlingen volgt, begeleidt, problemen opvangt, enz. De directeur of rector leidt de school. In grote scholen krijgt hij hulp van een adjunct-directeur of conrector.
Andere functies in het voortgezet onderwijs zijn:
- decaan (helpt de leerlingen een beroep of vervolgstudie kiezen)
- amanuensis (helpt o.a. bij proeven in lessen natuurkunde of scheikunde)
- systeembeheerder (onderhoudt het computerpark)
Hoe zit dat in Vlaanderen?
Hoe zit dat in Suriname?
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties