taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » termen »

Onderwijstermen

Uitleg van Nederlandse en Vlaamse onderwijsterminologie

De lijst bevat momenteel 821 termen. De lijst wordt voortdurend verder aangevuld en verbeterd.

A-attest
(in VL) Zie attest (A, B, C).
aanvullend secundair beroepsonderwijs (asbo)
(in VL) Het zogenaamd 'vierde graad beroepsonderwijs' dat aansluit op het beroepssecundair onderwijs (zie bso). Het asbo bestaat uit drie afdelingen: kunst, kleding en verpleging. De opleidingen zijn praktijkgericht en duren twee of drie jaar. Ze zijn toegankelijk voor afgestudeerden van het bso of voor achttienjarigen die slagen voor een ingangsexamen.
aanvullende lestijden
(in VL) Extra subsidie die aan scholen van overheidswege wordt uitgekeerd om bovenop het gewone lesurenpakket bijkomende lesuren te organiseren voor speciale behoeften of projecten, bv. op de opvang van anderstalige nieuwskomers, leerlingen met speciale zorgbehoeften, enz.
aanwendingsplan
(in VL) Plan waarin scholen beschrijven op welke wijze bv. extra lestijden worden aangewend en dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan bv. de overheid. Het plan kan voorwerp zijn van inspectie en/of voorwaarde om een subsidie te krijgen/behouden. Voor bv. onderwijsbeleid voor migranten, maatregelen voor de schooljaren 2005-2006 tot en met 2007-2008, bevat het aanwendingsplan een omschrijving van wat de school zal doen op de verschillende actieterreinen: intercultureel onderwijs, taalvaardigheid Nederlands, preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerproblemen en betrokkenheid van de ouders. De acties worden verantwoord in functie van de doelstellingen (het schoolwerkplan, het pedagogisch project, de situatie) van de school, en van de reeds gevoerde acties in eerdere stadia. Hiertoe wordt duidelijk vermeld hoe en met welk resultaat de reeds ondernomen acties geëvalueerd zijn. Al deze acties moeten ook controleerbaar zijn voor de inspectie. Daarnaast moet het schoolbestuur in haar aanwendingsplan een aantal verbintenissen aangaan:
  1. een contract afsluiten om ouders bij het beleid te betrekken;
  2. samenwerken met het CLB;
  3. (na)vorming volgen;
  4. de begeleiding bij het beleid betrekken.
abituriënt
(in NL) Iemand die het eindexamen van een bepaalde opleiding (bv. een opleiding aan de middelbare school) met goed gevolg heeft afgelegd.
absenteïsme
(in NL+VL) Synoniem voor schoolverzuim of spijbelen, het (al of niet ongewettigd) afwezig zijn op school.
academie
(in NL+VL) Onderwijsinstelling voor hoger beroepsonderwijs.

Opgelet: in Vlaanderen wordt de term nu vooral gebruikt voor hoger artistiek onderwijs.
academie voor hoger kunst- en cultuuronderwijs (AHKCO)
(in SR) De Academie voor Hoger Kunst- en Cultuuronderwijs (AHKCO) leidt mensen op die in staat zijn om op verantwoorde wijze het proces van kunst, communicatie en cultuuruitingen te analyseren en te begeleiden op zowel individueel als groeps- en nationaal niveau en die waar nodig aan het proces richting geven.
De opleidingen zijn:
  • beeldende kunsten;
  • sociaal-cultureel vormingswerk;
  • journalistiek.

Een aan de AHKCO gelieerd instituut is het Instituut voor Dienstverlening, Onderzoek en Studiebegeleiding (IDOS), dat diverse contractactiviteiten op het gebied van onderzoek en training ontplooit.

academiejaar
(in NL+VL) Jaar op een universiteit of hogeschool. Een academisch jaar kan bestaan uit twee semesters, waarvan het eerste begin oktober start, en het tweede begin februari. Tussen de beide semesters ligt een onderwijsvrije week. In het Angelsaksische model wordt het academisch jaar evenredig verdeeld in drie trimesters.
academisch
(in VL)
  • van, betreffende, behorende tot een academie of hogeschool;
  • gevormd aan een universiteit;
  • academische rang van iemand die óf aan een hogeschool óf aan een universiteit is gepromoveerd.

Accent op Talent
(in VL) Project voor onderwijsvernieuwing in het secundair onderwijs, georganiseerd door de Koning Boudewijnstichting. Zogenaamde voortrekkersscholen krijgen een subsidie om een aspect van onderwijsvernieuwing uit te proberen. De focus ligt daarbij op het doorbreken van de beschotten tussen de verschillende onderwijsvormen enerzijds en tussen onderwijs en bedrijfsleven anderzijds.
In de beginfase (schooljaar 2003-2004) werkten zestien scholen herwaarderingsprojecten uit rond de actiepunten: 'anders leren' (afschaffen opdeling aso/tso/bso, meer modulair onderwijs, levenslang leren), 'anders werken' (organisatievernieuwing in bedrijven), 'anders kiezen' (betere studieoriëntering, aantrekkelijker aanbod van technische opleidingen) en 'anders besturen' (meer autonomie). De scholen krijgen flexibiliteit binnen de bestaande regelgeving. Ze kregen bij hun vernieuwingsproject ondersteuning van een stuurgroep en van een adviesbureau. De ervaringen in de scholen werden, samen met de suggesties van de Sociaal-Economische Raad voor Vlaanderen (SERV), verzameld in een witboek.

Website Koning Boudewijnstichting: www.kbs-frb.be
Website Sociaal-Economische Raad voor Vlaanderen: www.serv.be
adaptief onderwijs
(in VL) De school zorgt ervoor dat elke leerling de beste kansen krijgt. Dit betekent dat zij onderwijs op maat aanbiedt. Dit kan gebeuren door het aangeboden onderwijs op een of meer van de volgende onderdelen te differentiëren: doelstellingen, leerinhouden, lesgeven, begeleiding, groeperingsvormen, opdrachten, tempo, leermiddelen, toetsing, beoordeling.
adviesbureau voor opleiding en beroep (aob)
(in NL) Keten van expertisebureaus die actief zijn op het gebied van studie- en beroepskeuze: diagnostisch onderzoek en begeleiding van leerlingen, organisatieondersteuning voor het management van de scholen en nascholing van docenten. Als missie voor het werkveld Onderwijs geldt: jeugdigen adviseren en ondersteunen bij het ontwikkelen van talenten en bij het voorbereiden op een plaats in de maatschappij en op het deelnemen aan arbeid; docenten, ouders en management van schoolorganisaties en instellingen voor jeugdhulpverlening behulpzaam zijn bij het ontwikkelen en inzetten van begeleidingsvaardigheden en bij het organiseren van een efficiënt en doelmatig onderwijs- en begeleidingsproces.

Website: www.octant.nl
Adviescommissie Onderwijsaanbod (ACO)
(in NL) Orgaan dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen adviseert over de wenselijkheid van het toelaten van nieuwe opleidingen in het hoger onderwijs. De commissie beoordeelt kandidaturen op basis van onder meer kwaliteit, arbeidsmarktbehoefte, overlapping met reeds bestaande opleidingen en landelijke spreiding.
afstroom
(in NL) Fenomeen waarbij leerlingen in het voortgezet onderwijs eerst kiezen voor de moeilijkste onderwijsvorm of studierichting en na (herhaald) falen gradueel 'afdalen' naar een makkelijker onderwijsvorm. De 'hiërarchische volgorde is: vwo/gymnasium - mbo - havo - kort-mbo - mavo - vmbo - ivbo - svo.

'Afstroom' wordt in Vlaanderen 'watervaleffect' genoemd.
afstudeervariant
(in NL) Gebruikelijke term voor extra vakken die een student bovenop zijn gewone curriculum wil volgen. Als die vakken een internationale oriëntering hebben (bv. international management), dan spreekt men van een internationale afstudeervariant.
aggregatie
(in VL) Diploma dat een student behaalt die de universitaire lerarenopleiding met succes heeft afgerond. Het diploma stelt hem in staat les te geven in de tweede en derde graad van het secundair onderwijs en in het hoger onderwijs (ho).

Zie ook: geaggregeerde.
alfavakken
(in NL) Verzamelterm voor de menswetenschappelijke vakken: Nederlands, Engels, Duits, Frans, beeldende vakken enz.
algemeen pedagogisch studiecentrum (aps)
(in NL) Een van de landelijke pedagogische centra in Nederland. Het aps houdt zich bezig met nascholingsactiviteiten, methodiekontwikkeling voor kwaliteitszorg, en begeleiding bij de invoering van deze methodes in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Het aps begeleidt en adviseert de docenten en het management van scholen en onderwijsinstellingen.

De vakgroep Talen van het aps houdt zich bezig met taalonderwijs in het voortgezet onderwijs (taalaanpak in alle vakken, talen & ICT, taalbeleid op school en ondersteuning van leerlingen met taalproblemen).

Website: www.aps.nl
Website vakgroep Talen: www.aps.nl/talen/
algemeen secundair onderwijs (aso)
(in VL) Algemene theoretische vorming die jongeren in de eerste plaats voorbereidt op een hogere studie. Zie secundair onderwijs.
algemeen vak
(in VL) Leervak dat bijdraagt tot de algemene kennis van leerlingen en dat is opgenomen in de lessenroosters van de vier onderwijsvormenbso, tso, kso enaso, bv. talen, wetenschappen, lichamelijke opvoeding enz. Naast de algemene vakken onderscheidt men de technische vakken, artistieke vakken en beroepsvakken.
algemeen voortgezet onderwijs (avo)
(in NL) Verzamelterm voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo).
algemeen vormend onderwijs (avo)
(in NL) Opleidingen die niet direct gericht zijn op het uitoefenen van een beroep, met name vmbo, havo en vwo.
Algemene Vereniging van Schoolleiders (AVS)
(in NL) Het AVS is een vak- en beroepsorganisatie voor schoolleiders en hun scholen van het primair onderwijs in Nederland.

Website: www.avs.nl
alleenstaande minderjarige asielzoeker (ama)
(in NL+VL) Asielzoeker jonger dan achttien jaar die alleen, dat wil zeggen zonder meerderjarige bloed- of aanverwant, naar Nederland of België komt. Een meerderjarige bloed- of aanverwant kan een ouder zijn of ook bijvoorbeeld een meerderjarige broer.
amanuensis
(in NL+VL) Een technisch geschoold persoon die helpt bij het voorbereiden en uitvoeren van natuurkundige en scheikundige proeven in laboratoria en scholen.
ambachtsschool
(in NL) Synoniem voor lager beroepsonderwijs (lbo).
ambulant begeleider
(in NL) Zie: Weer Samen Naar School.
anders-alfabeten
(in NL+VL)

Mensen die een ander schrift dan het Latijnse schrift beheersen.

anderstalige nieuwkomers
(in VL) Anderstalige nieuwkomers (voorheen officieel neveninstromers geheten) zijn leerlingen die bij hun inschrijving in een school voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1. ze zijn tussen vijf en achttien jaar oud;
  2. ze hebben een andere taal dan het Nederlands als moedertaal;
  3. ze beheersen de Nederlandse onderwijstaal onvoldoende om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen;
  4. ze hebben geen Belgische of Nederlandse nationaliteit;
  5. ze hebben nog geen volledig schooljaar onderwijs gevolgd in een school met het Nederlands als onderwijstaal.

In bepaalde gevallen kan een school een onthaalklas inrichten voor anderstalige nieuwkomers die er school lopen.

Anton de Komuniversiteit van Suriname (Adekus)
(in SR) De Anton de Komuniversiteit van Suriname telt momenteel drie faculteiten: de faculteit der Maatschappijwetenschappen met zes studierichtingen en veertien afstudeerrichtingen, de faculteit der Medische Wetenschappen met twee studierichtingen en de faculteit der Technologische Wetenschappen met zes studierichtingen en dertien afstudeerrichtingen. De Adekus heeft ook nog twee onderzoeksinstituten: het Instituut voor Toegepaste Technologie (Intec) en het Instituut voor Maatschappijwetenschappelijk Onderzoek (IMWO).

Website: www.uvs.edu
artistiek hoger onderwijs
(in VL) Het hoger onderwijs voor sociale promotie is opgedeeld in aan aantal categorieën, die op hun beurt een aantal opleidingen (afdelingen) groeperen. Het artistiek hoger onderwijs korte type is er daar één van. Het omvat twee studierichtingen, nl. bouwkunde en openbare werken.

Voor meer info: www.ond.vlaanderen.be (surf naar onderwijsaanbod, onderwijs sociale promotie).
assistent in opleiding (aio)
(in NL) De universitaire doctorandus- of mastertitel geeft toegang tot universitaire promotie, met name de graad van doctor (dr., of in het buitenland: Ph.D.). De promovendus die dit in de hoedanigheid van assistent in opleiding (aio) doet, is als werknemer in dienst van de universiteit. Onder de begeleiding van de promotor werkt hij of zij gedurende vier jaar aan zijn proefschrift.
Association of Language Testers in Europe (ALTE)
Vereniging van Europese instellingen die taalexamens opstelt en certificaten uitreikt. Elk lid van de vereniging stelt examens op voor de taal van zijn eigen land of taalgebied.

Website: www.alte.org
atheneum
(in NL) Een van de drie schooltypes van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van 12 tot 18 jaar. Andere schooltypen in het vwo zijn het gymnasium en het lyceum.
Aan het atheneum wordt geen Grieks en Latijn gegeven. In sommige gevallen is het mogelijk deze vakken als keuzevak te volgen. Het vwo is de zwaarste vervolgopleiding na het basisonderwijs in Nederland. De opleiding duurt zes jaar en bereidt jongeren voor op een studie aan de universiteit.

Opgelet: in Vlaanderen heeft atheneum een andere betekenis.
atheneum
(in VL) Scholen in het secundair onderwijs die behalve algemeen (aso) ook kunst- (kso), technisch (tso) en beroepsonderwijs (bso) geven, heten 'atheneum' (athénée) als het gaat om officiële (neutrale) scholen en 'lyceum' of 'college' als het gaat om vrije scholen. Instellingen waar technisch of beroepsonderwijs wordt gegeven, worden meestal 'instituut' genoemd.

Opgelet: in Nederland heeft atheneum een andere betekenis.
attest (A, B, C)
(in VL) Aan het eind van een leerjaar in het secundair onderwijs behaalt een leerling een oriënteringsattest dat zijn/haar overgang naar een hoger jaar al of niet mogelijk maakt. De leerling krijgt:
  • een A-attest: de leerling is geslaagd; hij kan zonder enige beperking naar een volgend leerjaar overgaan en vrij kiezen welke studierichting hij wil volgen;
  • een B-attest: de leerling is geslaagd, maar kan in een volgend leerjaar niet kiezen voor een of verschillende onderwijsvormen en/of studierichtingen (= clausulering), de school in kwestie bepaalt tot welke onderwijsvormen en/of studierichtingen de leerling toegang krijgt en tot welke niet. De school moet meedelen waarom ze deze beslissing neemt. Gaat een leerling niet akkoord met deze beslissing, dan kan hij/zij beslissen om het jaar over te doen en zo proberen een oriënteringsattest A te behalen;
  • een C-attest: de leerling is niet geslaagd en moet zittenblijven. De school deelt de reden van deze beslissing mee. Ook als een leerling tijdens het schooljaar van school verandert, krijgt hij, bij de overstap naar zijn nieuwe school, een oriënteringsattest C mee, dit als bewijsstuk dat hij/zij de lessen van het schooljaar voor een deel gevolgd heeft.

Opgelet: B-attesten worden niet uitgereikt aan het eind van het eerste jaar B, het eerste jaar van de derde graad algemeen secundair onderwijs (aso) en beroepssecundair onderwijs (bso) of de vierde graad van het beroepsonderwijs (asbo).

Automatisch Documentatie- en Informatiesysteem voor het Onderwijs in Vlaanderen (ADIOV)
(in VL) Databank van onderwijsdocumenten die aanwezig zijn op het departement Onderwijs, meer bepaald in de afdeling Informatie en Documentatie - Hendrik Consciencegebouw - Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel. In de databank worden boeken, naslagwerken, tijdschriftartikels, cd-roms en persartikels beschreven aan de hand van trefwoorden en een korte inhoud.

Website: www.ond.vlaanderen.be/adiov
Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (ARGO)
(in VL) Vroegere benaming voor de inrichtende macht van het Gemeenschapsonderwijs.

De inrichtende macht van het Gemeenschapsonderwijs wordt nu de Autonome Raad van het Gemeenschapsonderwijs (ARGO) genoemd.

Website: www.gemeenschapsonderwijs.be
Zie ook: onderwijsnetten in Vlaanderen.
autonome school
(in VL) School die zich in zijn aanbod beperkt tot één onderwijsniveau, bv. autonome kleuterschool (enkel kleuteronderwijs), autonome lagere school (enkel lager onderwijs), autonome middenschool (enkel de eerste graad van het secundair onderwijs).
AVI-niveau (AVI)
(in NL+VL) Systeem waarmee men de technische leesvaardigheid van kinderen en het leestechnisch niveau van teksten meet. AVI staat voor 'analyse van individualiseringsvormen' en heeft in het basisonderwijs grote bekendheid gekregen. Het ontstond in 1977 als KPC-project, dat zich richtte op het individualiseren van het leesonderwijs. Er zijn negen AVI-niveaus. Zodra een kind AVI-9 bereikt (gemiddeld gebeurt dat op het eind van het vierde leerjaar / groep zes), is het volledig leesvaardig.
B-attest
(in VL) Zie: attest (A, B, C).
bachelor
(in NL+VL) Zie: bachelor-master.
bachelor-master (bama)
(in NL+VL) Populaire aanduiding voor de bachelor-masterstructuur. Dat is een nieuw Europees organisatiemodel voor het hoger onderwijs naar Angelsaksisch model, dat bestaat uit een driejarige wetenschappelijke bacheloropleiding gevolgd door een een- of tweejarige masteropleiding.

Het bachelor-masterstelsel is een nadere uitwerking van de afspraken die 29 Europese landen in 1999 in Bologna hebben gemaakt om tegen 2009 te komen tot één Europese hogeronderwijsruimte. Elk land streeft naar onderling vergelijkbare graden in het hoger onderwijs. Zo zal het hogeronderwijssysteem in elk land gebaseerd zijn op twee cycli: 'undergraduate' en 'graduate'. Niet de duur van een opleiding maar het behaalde eindniveau is het criterium waarmee men opleidingen internationaal kan vergelijken. In de Bolognaverklaring zijn ook afspraken gemaakt over meer samenwerking op het gebied van kwaliteitszorg en curriculumontwikkeling.
basisberoepsgerichte leerweg
(in NL) Zie: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo).
basiscompetenties
(in VL)

De kennis, vaardigheden en attitudes waarover elke afgestudeerde moet beschikken om op een volwaardige manier in een beroep te kunnen stappen en er te functioneren.

Meer specifiek wordt 'basiscompetenties' ook gebruikt voor de doelen waaraan gewerkt wordt in opleidingen voor volwassenenonderwijs in Vlaanderen, georganiseer door CVO's.

Vergelijk met: ontwikkelingsdoelen.

basiseducatie (be)
(in NL+VL) Onderwijs aan volwassenen gericht op het aanleren van sociale vaardigheden en basisvaardigheden in lezen, schrijven en rekenen. De onderwijsvorm is bestemd voor in Nederland en Vlaanderen wonende autochtone en allochtone volwassenen die niet leerplichtig zijn en een onderwijsachterstand hebben of laaggeschoold zijn. Basiseducatie vervult een belangrijke rol bij de integratie van allochtonen.

In Vlaanderen maakt basiseducatie deel uit van Onderwijs Sociale Promotie (zie volwassenenonderwijs). 29 lokale centra verspreid over het Vlaams en Brussels Hoofdstedelijk Gewest organiseren opleidingsprogramma's taal, wiskunde, maatschappij oriëntatie en ICT.

Website: www.basiseducatie.be

Zie ook: Vlaams Ondersteuningscentrum voor Basiseducatie (VOCB).

In Nederland zijn de basiseducatie en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) sinds 1998 samengevoegd onder de noemer educatie. Deze vorm van onderwijs vindt plaats in regionale opleidingencentra. In 1998 waren er in Nederland 54 instellingen voor basiseducatie.

basisonderwijs (bo)
(in VL) Overkoepelende term voor kleuteronderwijs (ko) en lager onderwijs (lo).

Zie ook: primair onderwijs.

Opgelet: in Nederland heeft de term basisonderwijs een enigszins andere betekenis.

basisonderwijs (bo)
(in NL) Met de "Wet op het Basisonderwijs" van 1985 fuseerden in totaal 17 000 kleuter- en lagere scholen tot 8 500 nieuwe basisscholen. Sindsdien spreekt men van basisonderwijs. De oude twee kleuterklassen en zes klassen van de lagere school werden de acht groepen van de basisschool. De start van de leerplichtige leeftijd werd een jaar vervroegd: van zes naar vijf jaar. De meeste kinderen beginnen echter al op hun vierde jaar.

Opgelet: in Vlaanderen heeft de term basisonderwijs een enigszins andere betekenis.

basisvorming
(in NL) Sinds 1993 beginnen alle leerlingen het voortgezet onderwijs met een periode van basisvorming van drie jaar, ongeacht het feit of ze vmbo, havo of vwo volgen. Het doel is een brede vorming te geven aan leerlingen tussen 12 en 15 jaar. Er is geen strikte scheiding tussen algemene en technische vakken. Basisvorming is geen schooltype, maar een inhoudelijke vernieuwing die geldt voor alle schooltypen binnen het voortgezet onderwijs die aanvangen na het basisonderwijs.

Opgelet: in Vlaanderen heeft basisvorming een andere betekenis.
basisvorming
(in VL) Het voltijds secundair onderwijs wordt sedert 1989 georganiseerd volgens de eenheidsstructuur waarin aan de basisvorming veel belang gehecht wordt. Deze eenheidsstructuur omvat graden, onderwijsvormen en studierichtingen. De definitieve studiekeuze wordt uitgesteld tot de tweede graad zodat de leerlingen eerst met zoveel mogelijk vakken kunnen kennismaken (= basisvorming). In de eerste graad wordt het merendeel van de lesuren aan basisvorming besteed.

Opgelet: in Nederland heeft basisvorming een andere betekenis.
begeleid individueel studeren (BIS)
(in VL) Vorm van volwassenenonderwijs. Schriftelijke formule met gedrukte cursussen, aangevuld met didactisch materiaal. Cursisten verwerken de leerstof thuis, maken opdrachten en versturen die naar de BIS-opleiding. Een begeleider corrigeert de taken en geeft extra uitleg, indien nodig.

Sinds 2003 is BIS een virtueel platform en verloopt de communicatie en uitwisseling van studiepakketten digitaal. Deze vorm van afstandsonderwijs is bedoeld voor volwassenen die een getuigschrift of diploma willen behalen voor de examencommissies van de Staat of de Gemeenschap, die promotie willen maken in hun bedrijf, die een andere job ambiëren of die gewoon hun kennis over bepaalde vakken willen opkrikken.

Website: www.bisonline.be
begeleid zelfstandig leren (bzl)
(in VL) Een soort onderwijs waarbij een leerling zelfstandig werkt of leert (alleen of in groep) en er tussen de leerling en leerkracht een gedeelde sturing is van het leerproces.

Zie ook: open leercentrum.

begeleidende klassenraad
(in VL) Orgaan dat binnen elke school verantwoordelijk is voor het onderwijs en de vorming van een bepaalde groep leerlingen (klas, jaar, graad ...), de evaluatie van hun vorderingen en het advies over hun toelating tot het volgende leerjaar. Deze klassenraad kan niet beslissen over het al of niet geslaagd zijn van een leerling. Zie daarvoor: delibererende klassenraad. In begeleidende klassenraad hebben zitting: het instellingshoofd of zijn afgevaardigde (voorzitter) en het betrokken onderwijzend personeel (stemgerechtigd). Dit kan worden uitgebreid door de aanwezigheid van deonderdirecteur, werkplaatsleider en/of werkmeester; administratief en/of opvoedend hulppersoneel; een deskundige van buiten de onderwijsinstelling in onderwijsvormen en leerjaren die een geïntegreerde proef inhouden(raadgevend); een personeelslid van de centra voor leerlingbegeleiding (adviserend).
bekwaamheidsbewijs
(in VL) Bewijs van professionele bekwaamheid dat gekoppeld is aan het lerarendiploma. Het bewijs van bekwaamheid bepaalt:
  • welke ambten (bv. leraar secundair onderwijs, kleuteronderwijzer, leermeester lichamelijke opvoeding ...) een leraar mag uitoefenen;
  • welke vakken hij/zij mag geven;
  • in welk soort onderwijs (bv. gewoon of buitengewoon), het onderwijsniveau (bv. kleuteronderwijs, lager onderwijs, secundair onderwijs), de onderwijsvormen en de graden waarin een leraar mag lesgeven;
  • in welke weddeschaal hij/zij bezoldigd zal worden;
  • of een leraar al of niet vast benoemd kan worden.
Zie ook: bewijs van pedagogische bekwaamheid.
beroepsbegeleidende leerweg (bbl)
(in NL) De beroepsbegeleidende leerweg (bbl) is een vorm van middelbaar beroepsonderwijs (mbo) waarbij het praktijkdeel zestig procent of meer van de studieduur bedraagt. Het aandeel praktijkervaring is dus meer dan in de beroepsopleidende leerweg (bol). Vaak wordt het vormgegeven als 1 dag naar school en 4 dagen werken. De deelnemer heeft ook een arbeidscontract ('praktijkovereenkomst').

Tot 1997 heette deze leerweg het 'leerlingwezen' of het 'leerlingenstelsel'. Vandaag wordt deze manier van opleiden aangeduid met de term 'mbo - werkend leren'.

beroepskolom
(in NL) De doorstroom van vmbo via mbo naar hbo heet de beroepsonderwijskolom of kortweg de beroepskolom.

De verbetering van deze doorstroom is een prioriteit voor het Nederlandse ministerie van Onderwijs, gezien het tekort aan goed opgeleide vakmensen.

Zie ook: het dossier beroepskolom van het ministerie voor OCW.
beroepskwalificatie
(in NL) Iemand heeft een beroepskwalificatie op een bepaald niveau als hij/zij in het bezit is van een diploma primair leerlingwezen, vbo, mbo-lang of -kort, hbo en wo.

Zie ook: beroepsniveau.
beroepsniveau
(in NL) Kwalificatie van het beroep. De Standaard Beroepen Classificatie 1992 (CBS) onderscheidt vijf beroepsniveaus: elementaire beroepen (bv. productiemedewerkers, vakkenvullers, interieurverzorgers), lagere beroepen (bv. vissers, metaalarbeiders, concierges, bouwvakkers, verkopers, chauffeurs), middelbare beroepen (bv. laboranten, verplegers, bakkers, secretaresses, boekhouders), hogere beroepen (bv. leerkrachten/docenten, projectleiders, therapeuten, schrijvers, journalisten) en wetenschappelijke beroepen (bv. onderwijskundigen, artsen, economen, informatici).

Zie ook: Website CBS
beroepsonderwijs
(in VL) zie bso, beroepssecundair onderwijs.

Opgelet: In Nederland heeft beroepsonderwijs een andere betekenis.
beroepsonderwijs
(in NL) Omvat de opleidingen voor leerlingen vanaf circa 16 jaar die gericht zijn op het uitoefenen van een of meer beroepen. Hiertoe worden gerekend het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en hoger beroepsonderwijs (hbo). Beroepsonderwijs sluit aan op het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) en het algemeen voortgezet onderwijs (avo).

Vanaf augustus 1997 omvat het beroepsonderwijs vier opleidingsniveaus:
  1. de assistentopleiding;
  2. de basisberoepsopleiding;
  3. de vakopleiding;
  4. de middenkader- of specialistenopleiding.
Alle opleidingen bevatten een beroepsopleidende leerweg (bol) (beroepspraktijkvorming 20 - 60%) en een beroepsbegeleidende leerweg (bbl) (meer dan 60% beroepspraktijkvorming).

Opgelet: In Vlaanderen heeft beroepsonderwijs een andere betekenis.

beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve)
(in NL) Overkoepelende benaming voor beroepsopleidingen en de volwasseneneducatie.

Zo'n 39 procent van de Nederlandse beroepsbevolking heeft een beroepsopleiding achter de rug. Elk jaar kiezen ongeveer 435 000 jongeren voor een beroepsopleiding in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo).

Regionale opleidingencentra (roc's) bieden naast beroepsonderwijs ook volwasseneneducatie aan. Zo'n 200 000 volwassenen maken daar elk jaar gebruik van. Zij leren onder andere (beter) lezen en schrijven, volgen inburgeringsprogramma's of een vmbo-, havo- en vwo-opleiding.

Zie ook: Bve Raad.

beroepsopleidende leerweg (bol)
(in NL) Ook 'mbo-dagonderwijs' genoemd. De beroepsopleidende leerweg (bol) is een richting in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) (en wordt dus gegeven aan een roc).

Een beroepsopleidende leerweg omvat een praktijkdeel van tenminste 20% en minder dan 60%. Er wordt in deze opleiding meer tijd in school doorgebracht dan bij de andere leerweg in het middelbaar beroepsonderwijs: de beroepsbegeleidende leerweg (bbl).

beroepspraktijkvorming (bpv)
(in NL) Onderricht in de praktijk van het beroep, in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Bpv werd ingevoerd in 1996 met de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) en is een essentieel deel van elke beroepsopleiding, ongeacht de leerweg of het niveau.

Het onderdeel beroepspraktijkvorming beslaat 20 tot 80 procent van de studieduur van een beroepsopleiding. Om hun diploma te behalen moeten leerlingen de beroepspraktijkvorming met succes doorlopen hebben.

beroepssecundair onderwijs (bso)
(in VL) Het bso of beroepssecundair onderwijs is een van de vier onderwijsvormen waarvoor jongeren na de eerste twee jaren van het secundair onderwijs kunnen kiezen. Deze onderwijsvorm richt zich op jongeren die vooral al doende leren.

In de derde graad worden hun lesuren opgesplitst in praktijk en stage enerzijds en algemene vorming en technische scholing anderzijds. Het bso wil leerlingen tot het niveau brengen van de startende vakman. Leerlingen die afstuderen in het bso behalen een getuigschrift in het zesde jaar. Slagen ze in een aansluitend zevende jaar, dan behalen ze het diploma secundair onderwijs, dat hen het recht geeft een hogere studie aan te vatten.

Opmerkingen:
  1. Op middellange termijn zullen bso-scholen een modulair systeem aanbieden. Ze stappen af van het jaarklassenmodel en de leerlingen kunnen per onderdeel van bewezen vakkennis een attest behalen. Deze modulaire opbouw is momenteel in een experimenteerfase.

  2. Er bestaat in het bso ook een vierde graad. Die start na het zesde jaar. Een voorbeeld is de driejarige opleiding voor verpleegkundige. Daarnaast bestaan in deze graad ook de tweejarige richtingen kleding en plastische kunsten. Zie ook asbo.
beroepsvereniging van docenten Nederlands als tweede taal (BVNT2)
(in NL+VL) Deze Nederlands-Vlaamse vereniging biedt docenten (Nl)/leraren (Vl) NT2 een platform voor informatie-uitwisseling, belangenbehartiging en deskundigheidsbevordering, advies, ondersteuning. De beroepsvereniging organiseert onder andere de jaarlijkse NT2-conferentie.

Meer info: http://www.bvnt2.org
beroepsvervolmaking
(in VL) Professionele nascholing, vorming.
beroepsvoorbereidend leerjaar (bvl)
(in VL) Tweede leerjaar in het secundair onderwijs dat voorbereidt op een bso-richting. Vervolg op het eerste leerjaar B.
beroepsvoorbereidend onderwijs
(in NL) Zie: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo).
bètavakken
(in NL) Verzamelterm voor de natuurwetenschappelijke vakken biologie, verzorging, techniek, natuurkunde, scheikunde enz.
bevoegdheidsbewijs
(in VL) Zie: bekwaamheidsbewijs.
bewijs van bekwaamheid
(in NL) Verlening van bevoegdheid tot het geven van basis­onderwijs.

In Vlaanderen vergelijkbaar met bewijs van pedagogische bekwaamheid.

bewijs van pedagogische bekwaamheid (bpb)
(in VL) Getuigschrift dat aangeeft dat de houder ervan een pedagogische scholing gevolgd heeft. Een bekwaamheidsbewijs bestaat uit verschillende elementen:
  • het basisdiploma: bv. diploma van master van de taal en letteren, diploma van geaggregeerde lager secundair onderwijs (=regent), diploma van hoger technisch onderwijs;
  • een bewijs van pedagogische bekwaamheid: bv. diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs.
    Opgelet: sommige diploma's - bv. van (kleuter)onderwijzer, van regent - combineren in één diploma zowel het basisdiploma als het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
  • eventueel nuttige ervaring: voor een aantal ambten of vakken kan de praktijkervaring, d.i. de tijd waarin men als werknemer of zelfstandige een beroep of ambacht uitoefende buiten het onderwijs, erkend worden als een onderdeel van het bekwaamheidsbewijs.


In Nederland vergelijkbaar met het bewijs van bekwaamheid en het bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding.
bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding
(in NL) Verlening van bevoegdheid tot lesgeven in een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (havo en mavo), voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) of praktijkonderwijs.

In Vlaanderen vergelijkbaar met bewijs van pedagogische bekwaamheid.
bijzonder onderwijs (bo)
(in VL) Officieuze benaming voor het buitengewoon onderwijs (vergelijkbaar met speciaal onderwijs in Nederland).

Opgelet: in Nederland heeft bijzonder onderwijs een andere betekenis.
bijzonder onderwijs (bo)
(in NL) Onderwijs dat wordt gegeven op scholen die door een vereniging of stichting worden bestuurd. Gaat uit van een bepaalde godsdienst of levensovertuiging en/of een bepaalde opvoedings- of onderwijsmethode.

Opgelet: in Vlaanderen heeft bijzonder onderwijs een andere betekenis.
bijzondere pedagogische taken (bpt)
(in VL) Deel van het lestijdenpakket dat scholen kunnen gebruiken om bijzondere pedagogische taken uit te voeren. De lestijden (ook: bpt-uren) kunnen toegewezen worden aan het onderwijzend personeel, het paramedisch personeel en het medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel, maar uitsluitend voor schoolgebonden opdrachten. Ze zijn gericht op het optimaliseren van de pedagogisch-didactische organisatie. Dit kan onder meer gebeuren door het toekennen van coördinatieopdrachten aan personeelsleden. De uren mogen ook toegekend worden aan een directeur die met een gedeeltelijke onderwijsopdracht belast is. Scholen mogen maximum drie procent van het toegekende lestijden- en urenpakket reserveren voor bijzondere pedagogische taken.
bijzondere school
(in NL) Generieke term voor scholen die opgericht zijn door de privésector, maar gesponsord worden door de publieke sector. Zij moeten voldoen aan dezelfde voorwaarden als de instituten uit de publieke sector. Bijzondere scholen werken vanuit een bepaalde godsdienst of levensovertuiging: rooms-katholiek, protestants-christelijk, joods, islamitisch, hindoeïstisch, humanistisch of vrij (deze laatste noemt men vrije scholen).

In Vlaanderen vergelijkbaar met de confessionele school.

Zie ook: bijzonder onderwijs.
bissen
(in VL) Een studiejaar overdoen. Synoniemen: zittenblijven, doubleren. In Vlaanderen noemt men dit verder ook 'dubbelen' en 'overzitten'.

Afgeleide woorden: 'bisser', 'bisjaar'.
Bolognaverklaring
(in NL+VL) Beginselverklaring over het creëren van een Europese ruimte voor hoger onderwijs. De verklaring werd op 19 juni 1999 ondertekend door 29 Europese ministers van Onderwijs in de Italiaanse stad Bologna. De principes van de Bolognaverklaring zijn:
  • de overheid (niet de privésector) neemt het initiatief de kennismaatschappij bij zoveel mogelijk Europeanen te brengen;
  • de mobiliteit in Europa wordt bevorderd door vergelijkbare diploma's (het bachelor-masterstelsel);
  • overdracht van studiepunten;
  • uitwisseling van studenten en docenten;
  • samenwerking tussen opleidingsinstituten wordt bevorderd;
  • onafhankelijke kwaliteitscontrole.
De bijeenkomst van Bologna kreeg een vervolg in conferenties in Praag, Berlijn en het Noorse Bergen (mei 2005). Meer dan 1 600 opleidingsinstituten uit 46 landen of regio's zijn vandaag aangesloten via hun regeringen. Daaronder ook landen van buiten de Europese Unie.
brede school
(in NL) Samenhangend netwerk van toegankelijke en goede voorzieningen voor kinderen, jongeren en gezin, met de school als middelpunt. Het systeem is opgericht met drie doelen: de ontwikkelingskansen van kinderen vergroten, een continue ontwikkelingslijn realiseren en een sluitend netwerk rond het kind creëren.

Inhoudelijke samenwerking tussen scholen en andere instellingen is hét kenmerk van brede scholen. Hoe die samenwerking vorm krijgt, met welke instellingen een school samenwerkt en wat ze daarmee wil bereiken, hangt af van plaatselijke behoeften en omstandigheden. Brede scholen zijn er dus in vele soorten en maten. Ze zijn ook overal te vinden.

De meeste brede scholen staan nog in achterstandswijken in stedelijke gebieden, maar in sociaaleconomisch sterke wijken en op het platteland komen steeds vaker brede scholen voor. De meeste brede scholen zijn basisscholen.

Website: www.minocw.nl/bredeschool/factsheet.html

Zie ook: vensterschool.

Opgelet: In Vlaanderen heeft brede school een afwijkende betekenis.
brede school
(in VL) Verzamelnaam voor scholen en organisaties die samen behalve louter kennisoverdracht allerlei nevendiensten willen aanbieden, gericht op de integrale ontwikkeling van leerlingen. Tegelijk wil men door dit stimulerend aanbod een krachtige leeromgeving creëren, die extra kansen biedt aan achtergestelde groepen, en/of een zinvolle vrijetijdsbesteding voor kinderen uit gezinnen waar beide ouders uit werken gaan.

Opgelet: in Nederland wordt het begrip brede school enigszins anders ingevuld.
brossen
(in VL) Informele benaming voor 'spijbelen'.

Afgeleid woord: 'brosser'.
brugklas
(in VL) Eerste jaar van het secundair onderwijs voor leerlingen vanaf 11 jaar die geen getuigschrift basisonderwijs behaalden, ook eerste leerjaar B of brugjaar genaamd. Voor deze brugklas wordt een apart kerncurriculum vastgelegd. Na de brugklas kunnen leerlingen overstappen naar het eerste jaar A of naar het tweede beroepsvoorbereidende leerjaar (bvl).

Opgelet: in Nederland heeft brugklas een andere betekenis.
brugklas
(in NL) Startjaar of -jaren in het voortgezet onderwijs (VO). De meeste scholen voor voortgezet onderwijs hebben een brugklas van één jaar. Aan de hand van de resultaten die de leerling in de brugklas behaalt, kiest hij daarna voor vmbo, havo of vwo. De brugklas is vergelijkbaar met het eerste jaar resp. de eerste graad van het secundair onderwijs in Vlaanderen.

Opgelet: in Vlaanderen heeft brugklas een andere betekenis.
buitengewoon basisonderwijs (bbo)
(in VL) Onderwijsvorm bedoeld voor kinderen die tijdelijk of permanent speciale hulp nodig hebben. Mogelijke redenen daarvoor zijn een lichamelijke of geestelijke handicap, ernstige gedragsproblemen, emotionele problemen, zware leerstoornissen etc. In het buitengewoon basisonderwijs onderscheidt men acht types:
  1. kinderen met een lichte mentale handicap;
  2. kinderen met een matige of zware mentale handicap;
  3. kinderen met ernstige emotionele problemen en/of gedragsproblemen;
  4. kinderen met een lichamelijke handicap;
  5. kinderen die voor langere tijd zijn opgenomen in een ziekenhuis;
  6. kinderen met een visuele handicap;
  7. kinderen met een auditieve handicap;
  8. kinderen met ernstige leerstoornissen.
Een school voor buitengewoon basisonderwijs kan een of meer types organiseren. Type 1 en 8 worden niet georganiseerd in het buitengewoon kleuteronderwijs (bko).

Voor Nederland, zie 'Speciaal Onderwijs'.

buitengewoon kleuteronderwijs (bko)
(in VL) Buitengewoon onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften uit het kleuteronderwijs. Zie buitengewoon basisonderwijs.
buitengewoon lager onderwijs (blo)
(in VL) Buitengewoon onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften uit het lager onderwijs.

Zie ook: buitengewoon basisonderwijs.
buitengewoon onderwijs
(in VL) Niet-officieel ook 'bijzonder onderwijs' genoemd. Onderwijsvorm bedoeld voor leerlingen die tijdelijke of permanent speciale hulp nodig hebben. Mogelijke redenen daarvoor zijn een lichamelijke of geestelijke handicap, ernstige gedragsproblemen, emotionele problemen, zware leerstoornissen. Er zijn drie onderwijsniveaus:
  1. bko (buitengewoon kleuteronderwijs) voor leerlingen van 2,5 tot 6 à 8 jaar;
  2. blo (buitengewoon lager onderwijs) voor leerlingen van 6 tot 13 à 15 jaar (bko en blo vormen samen het buitengewoon basisonderwijs);
  3. buso (buitengewoon secundair onderwijs) voor leerlingen van 13 (eventueel 12) tot 21 jaar of ouder.
De start- en eindleeftijd wordt gedeeltelijk bepaald door de aard van de handicap of het probleem.

De term buitengewoon onderwijs wordt ook gebruikt in Nederland, maar officieel spreekt men daar van speciaal onderwijs.

buitengewoon secundair onderwijs (buso)
(in VL) Onderwijs voor tot jongeren van 13 tot 21 jaar met een handicap of met leer- of opvoedingsmoeilijkheden. De structuur van het buitengewoon secundair onderwijs bestaat uit vier opleidingsvormen. Binnen elke opleidingsvorm kan men leerlingen uit verschillende types samenbrengen. Er zijn zeven types:
  1. type 1: voor jongeren met een lichte mentale handicap;
  2. type 2: voor jongeren met een matige of ernstige mentale handicap;
  3. type 3: voor jongeren met karakteriële stoornissen;
  4. type 4: voor jongeren met een fysieke (= lichamelijke) handicap;
  5. type 5: voor langdurig zieke jongeren;
  6. type 6: voor jongeren met een visuele handicap;
  7. type 7: voor jongeren met een auditieve handicap.
De onderverdeling in opleidingsvormen heeft te maken met de doelstellingen die men nastreeft.

Zie ook: buitengewoon onderwijs.

In Nederland spreekt men van speciaal voortgezet onderwijs.
buizen
(in VL) Gemeenzame uitdrukking voor 'zakken', 'niet slagen voor een examen'. Naar analogie met het werkwoord buizen, wordt ook wel over 'een buis' gesproken: 'Hij heeft dit jaar vijf buizen.'
Bureau Interculturele Evaluatie (Bureau ICE)
(in NL) Het Bureau Interculturele Evaluatie is actief op het gebied van taalverwerving Nederlands als tweede taal (NT2). Het ontwikkelt toetsinstrumenten voor:
  • het NT2-onderwijs;
  • de intake, de voortgang en de afsluiting van onderwijs- en opleidingstrajecten in het beroepsonderwijs (bo), het voortgezet onderwijs (vo), het hoger beroepsonderwijs (hbo);
  • voor inburgeringsprogramma's van gemeenten en voor arbeidstoeleidingstrajecten van re-integratiebedrijven.
Voorts verricht het bureau onderzoek naar bijvoorbeeld het rendement van taalvaardigheidstrajecten NT2. Het analyseert de benodigde taalvaardigheid voor de uitoefening van verscheidene functies in bedrijven (taalaudit) en adviseert opdrachtgevers met vragen die samenhangen met de multiculturele samenleving. Op dit terrein verzorgt het bureau ook cursussen en trainingen voor professionals in het onderwijs, op de arbeidsmarkt en in socialezekerheids- en overheidsinstellingen.

Website: www.bureau-ice.nl
Bureau voor Nieuwkomers
(in NL) Het Bureau voor Nieuwkomers helpt immigranten in Nederland een nieuw bestaan op te bouwen. Het bureau voert daarmee de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) uit. Deze wet is door de Nederlandse overheid in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat deze mensen zich zo snel mogelijk zelfstandig kunnen redden.
Het Bureau voor Nieuwkomers verplicht nieuwkomers van buitenlandse afkomst om een inburgeringsprogramma te volgen. Dat bestaat uit de volgende onderdelen:
  • gemiddeld 600 uur Nederlandse taal;
  • een cursus maatschappijoriëntatie;
  • een cursus beroepenoriëntatie;
  • maatschappelijke begeleiding;
  • trajectbegeleiding.
Immigranten moeten het inburgeringsprogramma binnen een jaar afronden door een landelijke toets Nederlandse taal en Maatschappijoriëntatie af te leggen. Na afronding ontvangen zij het 'inburgeringscertificaat'.
C-attest
(in VL) Zie attest (A, B, C).
CED-Groep
(in NL) Voorheen het Centrum Educatieve Dienstverlening. Organisatie die werkt aan kwaliteitsverbetering in onderwijs en jeugdzorg. De voornaamste werkvelden van de CED-Groep zijn de vve-sector (voor- en vroegschoolse educatie), scholen voor primair onderwijs, het speciaal onderwijs (so), het voortgezet onderwijs (vo), het beroepsonderwijs, de volwasseneneducatie en het bestuurlijke veld.

Bijzonder aan het CED is haar deskundigheid op het gebied van achterstandsbestrijding, onderwijs aan leerlingen uit minderheidsgroepen en onderwijs aan kinderen met ontwikkelings-, leer- of gedragsproblemen.

Website: www.cedgroep.nl
Cel voor het Vlaams Provinciaal Onderwijs (CVPO)
(in VL) Voormalige koepelorganisatie van alle provinciale scholen in het Vlaamse Gewest.

Zie POV.
Centra voor Middenstandsopleiding
(in VL) Oude benaming voor Syntra.
centraal examen (ce)
(in NL) Afsluitend examen van het voortgezet onderwijs (vo) in Nederland. Het centraal examen kent verschillende soorten toetsen:
  1. Het vmbo bb kent voor de praktijkvakken een centraal schriftelijk en praktisch examen (cspe) en uitsluitend voor de algemeen vormende vakken een centraal schriftelijk examen (cse);
  2. Het vmbo kb heeft naast het cse (centraal schriftelijk examen), voor de praktijkvakken ook nog een cie (centrale integratieve eindtoets);
  3. vmbo gl, vmbo tl, havo en vwo hebben alleen een cse (centraal schriftelijk examen).
Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling (Cito)
(in NL) Oude naam van de Cito-groep.
centraal schriftelijk en praktisch examen (cspe)
(in NL) Samentrekking van cse (centraal schriftelijk examen) en cpe (centraal praktisch examen). Sinds 2005 de enige examenvorm voor het centraal examen (ce) in het beroepsgerichte programma (afdelingsvak of intrasectoraal programma) in de basisberoepsgerichte leerweg (bb). Daarin wordt de vaktheorie uit het beroepsgerichte vak gekoppeld aan de praktijkopdrachten.
Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven (CEVO)
(in NL) De CEVO heeft een coördinerende en toezichthoudende taak bij het maken van landelijke schriftelijke examens voor vwo, havo, mavo en vbo. De CEVO produceert zelf geen examenopgaven. Zij geeft een opdracht voor de productie van de opgaven en de toetsen voor het centraal examen aan de Cito-groep, en begeleidt het productiewerk.

Website: www.cevo.nl
Centrale Opleiding voor Verpleegkundige en Aanverwante Beroepen (Covab)
(in SR) Covab is een overheidsinstelling voor verpleegkundig beroepsonderwijs. Zij biedt een negental opleidingen aan. Tot de hogere opleidingen worden gerekend: de opleiding tot leraar in de verpleegkunde, de opleiding voor verpleegkundige in de maatschappelijke zorg, de managementopleiding voor kaderpersoneel en de opleiding tot anesthesieverpleegkundige.
Centrale voor Studie- en Beroepsoriëntering (CSBO)
(in VL) Koepelorganisatie van de vrije centra voor leerlingbegeleiding (CLB's).
Centrum voor Basiseducatie (CBE)
(in VL) Zie basiseducatie.
Centrum voor Educatieve Dienstverlening (CED)
(in NL) Synoniem voor schoolbegeleidingsdienst.
Centrum voor Innovatie van Opleidingen (Cinop)
(in NL) Expertisecentrum voor beroepsonderwijs ( bo) en volwasseneducatie. Het Cinop doet aan beleidsonderzoek, expertadvies en procesbegeleiding (coaching) en is betrokken bij verschillende projecten. De Cinop-unit Onderwijsinnovatie adviseert onderwijsinstellingen in de bve-sector over het primaire onderwijsproces en over de daarbij horende bedrijfsvoering.

Website: www.cinop.nl
Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB)
(in VL) Vroeger 'PMS-MST'. Door de overheid gefinancierde dienst waarop leerlingen, ouders, leerkrachten en schooldirecties een beroep kunnen doen voor informatie, hulp en begeleiding. Het CLB waakt over het welbevinden van leerlingen en speelt een belangrijke rol bij de contacten tussen leerlingen, ouders, school, welzijns- en gezondheidsinstellingen. De begeleiding door het CLB is gratis en werkt op vier domeinen:
  1. leren en studeren;
  2. de schoolloopbaan;
  3. preventieve gezondheidszorg;
  4. sociaal-emotionele ontwikkeling.
De CLB's zijn per onderwijsnet georganiseerd.

De Nederlandse pendant is schoolbegeleidingsdienst.

Centrum voor Taal en Migratie (CTM)
(in VL) De oude benaming voor wat sinds 2006 Centrum voor Taal en Onderwijs heet.
Centrum voor Taal en Onderwijs (CTO)
(in VL) Het CTO (vroegere naam: Centrum voor Taal en Migratie) is een universitair centrum verbonden aan de K.U.Leuven dat al sinds 1990 het taalvaardigheidsonderwijs Nederlands in Vlaanderen ondersteunt door middel van onderzoek, de ontwikkeling van materialen en het bieden van begeleiding en nascholing.

Het CTO is actief in alle onderwijsgeledingen, en werkt samen met scholen, bedrijven, organisaties en overheden die werk willen maken van taalonderwijs Nederlands.

Het CTO is één van de drie partners die samen het Steunpunt GOK vormen. Binnen die structuur worden de activiteiten van het vroegere Steunpunt NT2 voortgezet.

Meer info: www.nt2.be

Centrum voor Volwassenenonderwijs (CVO)
(in VL)

Vroeger 'onderwijs voor sociale promotie' of 'avondonderwijs' genoemd. Het is onderwijs, georganiseerd op zowel secundair niveau (bso en tso) als op het niveau van het hoger onderwijs (ho). Op enkele opleidingen na is het onderwijsaanbod een afspiegeling van het aanbod van het voltijds onderwijs. Voor dit onderwijs kan men terecht in ruim 130 centra voor volwassenenonderwijs. Doordat ze verspreid liggen over heel Vlaanderen, kan iedereen in zijn buurt wel een centrum vinden. Het aanbod van cursussen is heel breed en uiteenlopend.

Meer info: zie het overzicht van alle CVO's op de website van het Departement Onderwijs.

certificaat
(in NL) Officieel bewijs van met succes geleverde prestaties voor een afgerond leergeheel (vak, cursus ...). Voor een met succes afgerond vak of deelkwalificatie kan een leerling/cursist een certificaat krijgen. Meerdere certificaten kunnen leiden tot een diploma, ter afsluiting van een volledige opleiding. Certificaten worden behaald in het algemeen vormend onderwijs (avo), het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo), educatie en beroepsonderwijs (sinds 01-8-97) en de Open Universiteit.
Certificaat Nederlands als Vreemde Taal (CNaVT)
(in NL+VL) Project van de Katholieke Universiteit Leuven, België en de Universiteit van Amsterdam, Nederland, onder auspiciën van de Nederlandse Taalunie. Het CNaVT ontwikkelt examens Nederlands als Vreemde Taal (NaVT) en stelt een toetsenbank samen voor leerkrachten Nederlands over de hele wereld.

Website: www.cnavt.org
chemie
(in NL+VL) Wetenschappelijk vak in het voortgezet/secundair onderwijs, ook 'scheikunde' genoemd.
Christelijk Pedagogisch Centrum (CPS)
(in NL) Een landelijk pedagogisch centrum in Nederland. Het CPS geeft advies, organiseert cursussen, conferenties en studiedagen, verricht onderzoek en ontwikkelt materiaal voor het totale onderwijsveld.

Website: www.cps.nl
Cito-groep
(in NL) Voorheen het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling (Cito). Instituut dat standaardtesten, examens en examensystemen ontwikkelt voor het basisonderwijs en de basisvorming. Via het Cito-leerlingvolgsysteem kan men resultaten van een individuele school vergelijken met landelijke gemiddelden. De Cito-groep meet (leer)prestaties om leerlingen en cursisten enerzijds en onderwijsleerprocessen en onderwijssystemen anderzijds te beoordelen. Naast het ontwikkelen en aanbieden van toetsen ondersteunt de Cito-groep organisaties en onderwijsgevenden met advies, training en cursussen op het gebied van toetsing en evaluatie.

Website: www.citogroep.nl
co-educatie
(in NL) Gemeenschappelijke opvoeding van jongens en meisjes, in het geval van mensen met een verstandelijke handicap ook van mannen en vrouwen.
Cognitieve Vaardighedentest Volwassenen
(in VL) Studievaardigheidstest die onthaalbureaus voor basiseducatie helpt om te bepalen in welk studieniveau anderstalige nieuwkomers thuishoren. De test werd ontwikkeld in opdracht van de werkgroep volwassenen van de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR).
cognitieve vaardigheidstest (covaartest)
(in VL) De covaartest is ontwikkeld door het centrum voor schoolpsychologie van de Katholieke Universiteit Leuven. Deze test meet cognitieve vaardigheden van volwassenen.

De covaartest is een door de Vlaamse overheid opgelegd instrument om te bepalen of gealfabetiseerde anderstalige volwassenen met meer dan zeven jaar scholing hun opleiding Nederlands dienen te volgen aan een centrum voor basiseducatie (CBE) of aan een centrum voor volwassenenonderwijs (CVO).

Meer info: Centrum voor schoolpsychologie

college
(in NL+VL) In Vlaanderen en Nederland:
  1. Les van een hoogleraar;
  2. School voor voortgezet/secundair onderwijs. In Vlaanderen zijn colleges altijd vrije scholen, die oorspronkelijk enkel toegankelijk waren voor jongens (de tegenhanger, lycea, waren oorspronkelijk enkel toegankelijk voor meisjes). Sinds 1994 mag in Vlaanderen echter niemand meer de toegang worden geweigerd tot een secundaire school op basis van geslacht.
Enkel in Nederland:
  1. Courant gebruikt als naam voor een scholengemeenschap;
  2. Courant gebruikt als naam voor regionale opleidingscentra.
collegegeld
(in NL+VL) Bedrag dat studenten moeten betalen om aan de colleges van een universiteit of hogeschool te mogen deelnemen. In sommige landen, bv. de Scandinavische landen (Denemarken, Noorwegen, Zweden) is het collegeld nihil. In andere landen betalen studenten een uniform collegegeld (Nederland, Engeland, Vlaanderen) of een variabel collegegeld (Australië, Nieuw-Zeeland).
combinatieklas
(in NL) Ook wel 'combinatiegroep' genoemd. Een klas met leerlingen uit meer dan één leerjaar, bv. een klas waar kinderen uit het eerste en tweede leerjaar samenzitten.

In Vlaanderen noemt men dit een graad(s)klas.
Comenius
(in NL+VL)

Verzamelnaam van door de onderwijsoverheid gesubsidieerde internationale projecten die deel uitmaken van het Socratesprogramma (zie Socrates).

Comenius wil de kwaliteit van het schoolonderwijs verbeteren en de Europese dimensie erin versterken. Dit gebeurt door het ondersteunen van de internationale samenwerking tussen scholen. Daarnaast wil Comenius het talenonderwijs aanmoedigen en het intercultureel bewustzijn van leerkrachten en leerlingen vergroten. Ten slotte wil Comenius een bijdrage leveren tot een betere professionele ontwikkeling van het personeel in de onderwijssector.

Concreet gebeurt dit alles via schoolprojecten, taalprojecten en schoolontwikkelingsprojecten voor leerkrachten en leerlingen, nascholingsbeurzen voor leraren/docenten, directies; taalstages voor toekomstige taalleerkrachten enz.

Website: http://europa.eu.int/comm/education/programmes/socrates/comenius/index_en.html

Zie ook: Lingua, Leonardo, Grundtvig, Erasmus, Minerva.

Commissie Laakbare Praktijken
(in VL) Oude benaming voor commissie zorgvuldig bestuur.
Commissie Onderwijs Bedrijfsleven (COB)
(in NL) Commissie van het Landelijk Orgaan Beroepsonderwijs (LOB) die voor de helft bestaat uit vertegenwoordigers van het onderwijs en voor de andere helft uit vertegenwoordigers van het bedrijfsleven. In deze commissie vindt het formele overleg tussen onderwijs en bedrijfsleven plaats. De besluiten die hier worden genomen over zorg, inhoud en structuur zijn bepalend voor de werkzaamheden van de werkorganisatie van de Landelijke Organen Beroepsonderwijs. De voorzitter van de commissie is afkomstig uit het onderwijs.
Commissie Opgaven Basisvorming (COB)
(in NL) Een speciaal ingestelde commissie binnen de CEVO die zich bezighoudt met de afsluitende toetsen van de basisvorming. Voor alle vakken van de basisvorming bestaat een dergelijke commissie, behalve voor lichamelijke opvoeding.
Commissie voor Indicatiestelling
(in NL) Selectieorgaan voor leerlinggebonden financiering. Volgens de Wet op de leerlinggebonden financiering mag een leerling die aangewezen is op een school voor speciaal onderwijs (so), daar alleen naartoe als de commissie voor indicatiestelling daarover een uitspraak heeft gedaan. De commissie onderzoekt de leerling niet zelf, maar bekijkt de gegevens van een leerling en beslist op basis daarvan of deze leerling in aanmerking komt voor leerlinggebonden financiering (lgf), ook wel 'Rugzak' genoemd.
Commissie Zorgvuldig Bestuur (CZB)
(in VL) Onafhankelijk klachtenbureau voor onderwijs. Wie een mogelijke inbreuk op de onderwijswetgeving vaststelt of hiervan het slachtoffer is, kan zich tot deze commissie richten. Zorgvuldig bestuur betekent dat scholen (basis, secundair, deeltijds kunstonderwijs en internaten) en centra (centra voor leerlingenbegeleiding en centra voor volwassenonderwijs) zich in de dagelijkse werking aan een aantal principes moeten houden:
  • kosteloosheid;
  • eerlijke concurrentie;
  • verbod op politieke activiteiten;
  • handelsactiviteiten;
  • reclame en sponsoring;
  • participatie.
Common European Framework of Reference (cefr)
(in NL+VL) Zie: Gemeenschappelijk Europees Referentiekader

comprehensief vs. categoriaal (cf. Type 1/Type 2)
(in Vl+NL) Comprehensief onderwijs: onderwijssysteem met een gemeenschappelijk basisprogramma, vooral zichtbaar in het Scandinavisch onderwijsmodel. Bedoeld wordt een vorm van onderwijs met één leerplan, zonder open of verborgen voorbestemming voor vwo/aso of vmbo/tso-bso, met bredere pakketten en uitstel van studiekeuze tot rond de leeftijd van 16 jaar.

Categoriaal onderwijs (vooral in het secundair of voortgezet onderwijs): onderwijssysteem waarbij leerlingen "per categorie" worden samengezet. De meer theoretisch gerichte leerlingen volgen samen vwo of aso, de meer praktisch ingestelde leerlingen zitten samen in het vmbo of tso-bso. Als een school slechts één onderwijsvorm aanbiedt noemt men ze dan ook (bijvoorbeeld) een categoriaal gymnasium.

De Mammoetwet in Nederland en het vernieuwd secundair onderwijs (vso) in Vlaanderen waren pogingen in de jaren '60 om het onderwijs minder categoriaal te maken. Zo werden de leerlingen in een brugklas of middenschool samengezet, zonder dat er reeds onderscheid gemaakt werd tussen de onderwijsvormen.
concentratieschool
(in VL) Een school die een hoge concentratie aan leerlingen heeft met een gelijkaardige etnische of sociale achtergrond. In de praktijk vooral gebruikt voor scholen waarvan de meerderheid van de leerlingen van allochtone afkomst is. In dat geval spreekt men ook wel van 'zwarte school'.
confessionele school
(in VL) School uit het gesubsidieerd vrij onderwijs. Confessionele scholen organiseren hun onderwijs op basis van een religie. Zo zijn er onder meer katholieke, protestantse, joodse, orthodoxe en islamitische scholen.

In Nederland vergelijkbaar met de bijzondere school.

conrector
(in NL) Onderdirecteur, oorspronkelijk alleen van een gymnasium, nu ook van scholen of scholengemeenschappen die voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) aanbieden. Synoniem: mederector.

Opgelet: in Vlaanderen noemt men deze functie onderdirecteur.
contactonderwijs
(in NL+VL) Traditionele vorm van onderwijs, met directe interactie tussen leerling en leerkracht/docent.

Zie ook contacturen.
Context Input Process Output-model (CIPO-model)
(in VL) Ordeningskader, opgebouwd rond de vier pijlers context, input, proces en output, dat probeert een beeld te schetsen van de school als organisatie. Aan de hand van dit model bepaalt de onderwijsinspectie de kwaliteit van een school.

Context
Verzameling van alle onderdelen van het schoolgebeuren waarop een school weinig of geen invloed heeft. De belangrijkste onderdelen zijn de inplanting van de school en alles wat te maken heeft met het beheren ervan.

Input
Verzameling van alle onderdelen van het schoolgebeuren die door een school zelf enigszins veranderd kunnen worden. Alles wat te maken heeft met de menselijke beschikbaarheid, het onderwijsaanbod en de materiële middelen.

Proces
Verzameling van alle onderdelen van het schoolgebeuren die een school volledig zelf in de hand heeft. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het onderwijskundig beleid (basisvorming, samenhang, gelijke kansen, zorgverbreding, beoordeling, vakoverschrijdend werken ...) en het onderwijsondersteunend beleid (organisatorisch beleid, financieel en materieel beleid, nascholingsbeleid ...).

Output
Verzameling van alle onderdelen die rechtstreeks en onrechtstreeks te maken hebben met de kwaliteit die een school bereikt (in welke mate bereikt een school haar vooropgezette doelen?). Deze kwaliteit heeft zowel te maken met de leerprestaties als met de persoonlijkheidsvorming, zowel op korte termijn (bv. bereiken van eindtermen) als op lange termijn (bv. slagen in verdere studies of tewerkstelling). Deze gegevens vormen samen het vertrekpunt van de doorlichting.
counselor
(in NL) Leerkracht of andere daartoe aangestelde persoon binnen de school die fungeert als vertrouwenspersoon voor de leerlingen, bij wie de leerlingen terecht kunnen met persoonlijke problemen, die niet direct met de studie of de school te maken hebben.

Zie ook: mentor en decaan.

In Vlaanderen spreekt men van groene leerkracht.
culturele en kunstzinnige vorming (ckv)
(in NL) Nieuw schoolvak dat leerlingen in contact brengt met allerlei vormen van kunst en cultuur. Afhankelijk van de onderwijsvorm wordt ckv anders ingevuld. Men spreekt van ckv 1, 2 en 3. Gymnasiumleerlingen krijgen in plaats van ckv 1 het vak klassieke culturele vorming (kcv).

Ckv is een verplicht vak, maar leerlingen moeten er geen examen voor afleggen. Het wordt gegeven door leerkrachten met een eerstegraadsbevoegdheid voor een kunstvak of een taal. Scholen benoemen bovendien een of twee kunstcoördinatoren, die onder meer contacten onderhouden met culturele instellingen en bemiddelingsinstanties.

Als extra stimulans voor het vak heeft het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de ckv-bon in het leven geroepen, een betaalmiddel voor culturele uitstappen. De basisvormingsbonnen staan op naam van de school, andere bonnen staan op naam van leerlingen en studenten.
cumifaciliteiten
(in NL) Extra middelen die een school krijgt toegewezen voor leerlingen uit culturele minderheden, die extra aandacht nodig hebben om zich aan te passen aan het Nederlandse onderwijs. Zo'n leerling krijgt een factor toegekend en kan bv. voor anderhalve leerling tellen in de toekenning van subsidies (bv. 1,9 voor allochtone leerlingen, 1,25 voor sociaal achtergestelde leerlingen, 1,4 voor leerlingen met een handicap enz.; het maximum is 1,9).
De extra middelen zijn vooral 'docentenuren' en eventueel geld om tijdelijk een extra leerkracht aan te trekken. Het komt er in de praktijk op neer dat een 'zwarte school'. met veel allochtone leerlingen meer leerkrachten (en dus kleinere klassen) heeft dan een 'witte school'. De mate van cumitoekenning hangt af van de vraag hoe ver de kennis van de leerling achterloopt en hoeveel extra begeleiding er nodig is.
cumileerlingen
(in NL) Zie: cumifaciliteiten.
curriculum
(in NL+VL) Samenhangend geheel van studieonderdelen die samen een opleiding vormen. Een curriculum omvat een plan voor onderwijzen en leren, dat bestaat uit schoolboeken, modules, cursussen, lespakketten, leerplannen en lijsten met eindtermen. Deze plannen kunnen worden opgesteld voor een enkele les, een bepaald leerjaar of voor een schooltype/onderwijsvorm.
cursorisch beroepsonderwijs (cbo)
(in NL) Verzamelterm voor leerlingwezen, deeltijd-mbo en specifieke scholingen.

Zie ook: Wet Educatie en Beroepsonderwijs
D-cursus
(in VL) Verouderde benaming van Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid (GPB).
daltonschool
(in NL+VL) Daltonscholen hanteren een vorm van methodeonderwijs die steunt op drie grote principes: verantwoordelijkheid, zelfstandigheid en samenwerking.

De wortel van het daltononderwijs ligt in 1905 in een school in Wisconsin in de Verenigde Staten. De jonge, net afgestudeerde onderwijzeres Helen Parkhurst werd er aangesteld om als enige leerkracht de veertig kinderen van zes tot en met twaalf jaar op dit eenmansschooltje les te geven. De pas begonnen docente koos voor een onderwijsvorm afgestemd op het individu in plaats van het frontale klassikale onderwijs.

Zie ook: methodeschool, traditionele vernieuwingsschool.

decaan
(in NL+VL) In Nederland en Vlaanderen:
hoofd van een faculteit aan een universiteit.

Alleen in Nederland:
een leraar in het voortgezet onderwijs (vo) of op een hogeschool die leerlingen helpt bij profielkeuze, bij studie- en beroepskeuze, of bij de keuze van vakken. (In deze betekenis ook wel 'schooldecaan' genoemd.)
In de tweede fase is de decaan een tweedelijnfunctionaris geworden, die het hele keuzeproces op het gebied van studie en beroep moet aansturen. Het is meestal de mentor die de gesprekken met de leerling voert.
decreet
(in VL) Verordening uitgevaardigd door de gemeenschapsraad en -regering of door de gewestraad en -regering. Een decreet staat op hetzelfde niveau als een wet. Omdat onderwijs in België sinds 1989 een federale materie is (elke Gemeenschap beslist autonoom over zijn onderwijswetgeving), spreekt men sindsdien niet van een nieuwe onderwijswet maar van een nieuw onderwijsdecreet.
decrolyschool
(in NL+VL) School die werkt volgens de beginselen van de Belgische psycholoog en pedagoog Ovide Decroly (Ronse 23 juli 1871-Brussel 12 sept. 1932). Als doctor in de geneeskunde stichtte hij in 1901 in Ukkel een school voor geestelijk en/of fysiek gehandicapte kinderen. Na veel studie en onderzoek paste hij zijn beginselen toe op normale kinderen, in wat hij noemde de 'école pour la vie par la vie' (school voor en door het leven). Zijn ideeën zijn sterk vervlochten met de totaliteitspsychologie. Voor het onderwijs ontleent hij hieraan vier principes:
  1. het concretiseren van de leerstof;
  2. de actieve deelname van het kind;
  3. de globalisatie (het kind ziet eerder het geheel dan de delen);
  4. de belangstellingscentra.
Zie ook: methodeschool, traditionele vernieuwingsschool.
deelkwalificatie
(in NL) Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) kent eindtermen die aangeven wat de leerlingen aan kennis en vaardigheden moeten leren. Het examenprogramma wordt vastgesteld op basis van deze eindtermen en ingedeeld in onderdelen die overeenkomen met zogenaamde deelkwalificaties. Een deelkwalificatie is dus een hoeveelheid bij elkaar horende leerstof uit een mbo-opleiding.

Deelkwalificaties hebben elk een betekenis in het kader van de beroepsuitoefening of doorstroming naar het vervolgonderwijs:

  • men heeft recht op het diploma wanneer men alle deelkwalificaties behorende bij de opleiding met een voldoende heeft afgesloten;
  • wanneer men na het behalen van het diploma wil doorstuderen, krijgt men vrijstelling voor die deelkwalificaties die men reeds heeft behaald in een eerdere opleiding.
Zie ook kernkwalificatie.
deeltijdonderwijs
(in VL) In Vlaanderen moeten alle leerlingen tot hun achttien jaar onderwijs volgen. Vanaf de leeftijd van vijftien of zestien jaar kan een leerling wel overstappen naar het deeltijdonderwijs.
De vijftienjarige die een werkgever-opleider vindt, kan kiezen voor het leercontract. Zijn baas geeft hem een praktijkopleiding, die aangevuld wordt met een bijscholing bij Syntra.

Of de leerling kiest voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso). Daarvoor kan hij terecht in een centrum voor deeltijds onderwijs (cdo), dat verbonden is aan een tso- of bso-school. De leerling krijgt enkele dagen per week les en gaat de andere dagen werken. Hij kan industriële beroepen aanleren, zoals kantoorbediende, lasser, keukenhulp, dakdekker, carrossier enz. Deze opleidingen worden gehonoreerd met een studiegetuigschrift, soms aangevuld met een kwalificatiegetuigschrift.

Websites: www.syntravlaanderen.be; www.syntra.be; www.deeltijdsonderwijs.be

Opgelet: in Nederland heeft deeltijds onderwijs een iets andere betekenis.
deeltijdonderwijs
(in NL) 1. Deeltijdse opleidingen komen voor in het hoger beroepsonderwijs (hbo) en in de volwasseneneducatie, maar ook in het voortgezet onderwijs (vo), in het kader van de partiële leerplicht.

Zodra een leerling op 16-jarige leeftijd zijn volledige leerplicht beëindigt, begint zijn partiële leerplicht, die een jaar duurt. De leerling moet dan in principe gedurende twee dagen geregeld onderwijs volgen aan een instelling voor gedeeltelijke leerplicht. Partieel leerplichtige jongeren die een beroepspraktijkovereenkomst hebben in een bepaalde bedrijfstak volgen één dag per week onderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) en volgen vier dagen per week de praktijkopleiding.

Opgelet: in Vlaanderen heeft deeltijds onderwijs een iets andere betekenis.

2. Hoger onderwijs
  • dat gedurende minder dan 7 maanden gegeven wordt;
  • van gedurende 7 maanden of meer dat minder dan 16 klokuren of 19 lesuren per week wordt gegeven;
  • dat gegeven wordt aan studenten voor wie het volgen van onderwijs niet de voornaamste bezigheid is.
Zie ook: voltijdonderwijs.
deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso)
(in VL) Vanaf de leeftijd van vijftien of zestien jaar kunnen Vlaamse leerlingen het regulier dagonderwijs verlaten en kiezen voor deeltijds leren. Een mogelijkheid is het deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso). Daarvoor kunnen jongeren terecht in een centrum voor deeltijds onderwijs (cdo), dat verbonden is aan een tso- of bso-school.
De leerlingen krijgen enkele dagen per week les en gaan de andere dagen werken in een zaak. Zij kunnen er industriële beroepen aanleren, zoals kantoorbediende, lasser, keukenhulp, dakdekker, carrossier enz. Deze opleidingen worden gehonoreerd met een studiegetuigschrift, soms aangevuld met een kwalificatiegetuigschrift.
deeltijds kunstonderwijs (dko)
(in VL) Vorm van volwassenenonderwijs. 170 'academies' bieden een curriculum aan binnen vier hoofdopleidingen: dans, muziek, woordkunst en visuele kunsten. De opleidingen worden aangeboden op halftijdse basis (avonden, woensdagmiddagen, weekends). Omdat de opleidingen van het deeltijds kunstonderwijs niet onder de leerplicht vallen, dient een inschrijvingsgeld betaald. De term volwassenenonderwijs is hier wat misleidend. Het dko staat immers open voor alle leeftijden. 75 procent van de studenten zijn zelfs jonger dan achttien.
deliberatie
(in VL) Zie delibererende klassenraad.
delibererende klassenraad
(in VL) Vergadering van leerkrachten die lesgeven in hetzelfde leerjaar van een secundaire school, bijgestaan door de schooldirecteur. De delibererende klassenraad beslist aan het eind van het schooljaar of een leerling al of niet slaagt (dit wordt 'deliberatie' genoemd).

Afhankelijk van het leerjaar beslist de delibererende klassenraad over de toekenning van een oriënteringsattest, een getuigschrift, een studiegetuigschrift of een diploma.

Zie ook klassenraad.
departement Onderwijs
(in VL) De volledige term luidt: departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. Vlaamse tegenhanger van het Nederlandse ministerie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het verschil met Nederland is dat Onderwijs in België gefederaliseerd is. Dit houdt in dat Vlaanderen, het Brussel Hoofdstedelijk Gewest en de Franstalige Gemeenschap hun eigen onderwijsadministratie, -financiering en -beleid hebben.

Website: www.ond.vlaanderen.be

derde graad
(in VL) zie graad.
detachering
(in VL) Leerkrachten kunnen tijdelijk hun loopbaan onderbreken om in te gaan op een detachering. Dat is een statuut waarbij deze leerkrachten gedurende een of meer jaren een functie buiten de school op zich nemen, die een beroep doet op hun pedagogische vaardigheden en bekwaamheden.
Gedetacheerde leerkrachten gaan bijvoorbeeld aan de slag in het jeugdwerk, een cultureel centrum, een niet-gouvernementele organisatie, een overheidsdienst. Na afloop van zijn opdracht of detacheringsperiode keert de leerkracht terug naar zijn school en neemt hij zijn onderwijstaak weer op.
didactische hulpmiddelen
(in NL+VL) Middelen om effectief en efficiënt les te geven: schoolboeken en werkbladen, software, allerlei teksten, audiovisuele hulpmiddelen (cd-speler, multimedia-pc, beamer, film, radio ...l, technische hulpmiddelen (bv. labo, grondstoffen, gereedschap, knutselmateriaal ...) enz.

Zie ook: didactische werkvormen.
didactische werkvormen
(in NL+VL) Manier(en) om leren in de klas zo te organiseren, dat leerlingen zoveel mogelijk leren. De oudste en meest traditionele didactische werkvormen zijn doceren (de leraar/docent doet zijn verhaal) en het onderwijsleergesprek (leraar/docent doet een verhaal, stelt af en toe vragen aan de klas). Afhankelijk van het lesonderwerp en de doelen die aan een les verbonden zijn, kan de leraar/docent andere werkvormen hanteren, bv. groepswerk, duowerk, coöperatief leren, begeleid zelfstandig leren enz.

Zie ook: didactische hulpmiddelen.
Dienst Informatie Vorming en Afstemming (Diva)
(in VL) Deze overheidsdienst heeft tot doel het vormingsbeleid in Vlaanderen te stroomlijnen en permanente vorming te stimuleren. De Edufora (overlegorganen tussen de organisaties die actief zijn in het volwassenenonderwijs in Vlaanderen) werden in deze dienst geïntegreerd. Diva is onder andere verantwoordelijk voor wordwatjewil.be, een website waarop men kan zoeken naar opleidingen van een groot aantal aanbodsverstrekkers.

Website: http://diva.vlaanderen.be
Dienst voor Onderwijsontwikkeling (DVO)
(in VL)

Zie: Entiteit Curriculum.

diploma
(in NL)

Officieel bewijsstuk dat een persoon voldaan heeft aan de eisen die een eindexamen aan hem gesteld heeft. Een diploma wordt bij het met succes afronden van een bepaalde opleiding uitgereikt aan leerlingen uit het algemeen vormend onderwijs (avo), het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), educatie en beroepsonderwijs (na 1-8-97) en voor de deeltijdopleiding tot leraar speciaal onderwijs (so).

Opgelet: in Vlaanderen heeft deze term een iets andere invulling

diploma
(in VL) Schriftelijk bewijs van een met succes afgeronde studierichting in het secundair en/of hoger onderwijs. Aan het eind van het lager onderwijs (lo) krijgen leerlingen geen diploma, maar het getuigschrift basisonderwijs. De klassenraad kan ook beslissen om een getuigschrift basisonderwijs toe te kennen aan leerlingen die het volledig lager onderwijs (nog) niet doorlopen hebben (bijvoorbeeld aan een hoogbegaafde leerling uit het vierde of vijfde leerjaar).

Opgelet: in Nederland heeft deze term een iets andere invulling

Diploma A1, A2, A3 enz.
(in VL) Vroegere benamingen voor diploma's in verschillende onderwijsniveaus. Afgestudeerden in een hogeschool behaalden een A1-diploma, afgestudeerden in het technisch secundair onderwijs (tso) behaalden een A2-diploma enz.
dissertatie
(in NL+VL) Zie proefschrift.
docent
(in NL) Leraar in het middelbaar of hoger onderwijs.

Opgelet: in Vlaanderen heeft docent een andere betekenis.
docent
(in VL) Hoogleraarsgraad beneden ordinarius (= gewoon hoogleraar aan een universiteit). Behalve door docenten wordt aan de hogeschool ook onderwijs verstrekt door lectoren, assistenten en professoren.

Voor een volledige beschrijving van de ambten in de Vlaamse hogescholen, zie hogeschoolpersoneel.

Opgelet: in Nederland heeft docent een andere betekenis.

doctor
(in NL+VL) Hoogste academische graad die een universiteit aan haar studenten kan geven. Normaal gebeurt dit na het afleggen van examens en/of het vervaardigen en verdedigen van een proefschrift.

In Nederland:
In Nederland worden het doctoraat en de daarbij behorende titel van doctor verworven door een promotie aan een universiteit. Hiertoe dient men een proefschrift te schrijven onder supervisie van een of meer promotoren. Ook kan men na het behalen van een wo-diploma tijdens een vierjarige aanstelling als assistent in opleiding (aio) een dissertatie schrijven.

In Vlaanderen:
In Vlaanderen wordt de graad (en wettelijke titel) van doctor in de geneeskunde verworven door het vereiste examen af te leggen. De graad (en wettelijke titel) van doctor in de rechten, doctor in de letteren en wijsbegeerte en doctor in de wetenschappen wordt uitsluitend verkregen door een promotie op een proefschrift. Het doctoraat in de godgeleerdheid en in het kerkelijk recht is geen wettelijke maar een wetenschappelijke titel. Die verkrijgt men door een promotie op een proefschrift. Andere doctoraten, bv. in de politieke en sociale wetenschappen, in de economische wetenschappen, in de psychologie, in de pedagogische wetenschappen, in de criminologie enz. worden eveneens toegekend als wetenschappelijke titel, bij een promotie op een proefschrift.
doctorandus
(in NL) Wettelijk beschermde titel. Wie aan een Nederlandse universiteit of hogeschool met goed gevolg een doctoraal examen heeft afgelegd waaraan niet de titel van meester of ingenieur is verbonden, mag zich doctorandus noemen.
Opgelet: sinds het Bologna-akkoord voor de hervorming van het hoger onderwijs in Europa, spreekt men van 'master'. Dat geldt ook voor Vlaanderen, waar men voor Bologna de term 'licentiaat' gebruikte.

Zie ook: bachelor-master.
doorlichting
(in VL) De Vlaamse onderwijsinspectie gaat via schooldoorlichtingen na of de school haar maatschappelijke opdracht vervult en/of de gemeenschapsgelden op verantwoorde wijze worden gebruikt. Zij doet dit in opdracht van de overheid. Op basis van een doorlichting brengt de inspectie een advies uit over het al of niet erkennen of subsidiëren van scholen. Het inspectieteam heeft de volle bevoegdheid voor alle vakken die op school worden aangeleerd, met uitzondering van filosofische of godsdienstige vakken. Daarnaast heeft de inspectie een adviesfunctie naar het beleid toe. De informatie over de effecten van het gevoerde beleid op de scholen en het onderwijs in het algemeen is belangrijk voor de verdere uitstippeling van het beleid. De taken van de inspectie zijn bij wet vastgelegd. Het inspectieteam:
  • controleert de ontwikkeling en realisatie van de leerplannen die zijn goedgekeurd door de regering;
  • controleert of de school de vak- of leergebiedgebonden eindtermen bereikt en of ze de ontwikkelingsdoelen en/of vak- of leergebiedoverschrijdende eindtermen in voldoende mate nastreeft;
  • controleert de toepassing van de schooltijd;
  • controleert de hygiëne van de schoolaccommodatie, de taalwetgeving, de onderwijs- en schooluitrusting;
  • geeft advies over de financiering van de onderwijsinstellingen;
  • formuleert beleidsadviezen over het onderwijs.
De inspectie controleert niet louter of een aantal wettelijke voorschriften qua onderwijs worden nageleefd, maar heeft ook aandacht voor de bredere schoolcontext, zoals het schoolklimaat, de relaties tussen de verschillende groepen, de infrastructuur ...

De vertegenwoordigende organen van elke erkende filosofische of religieuze gemeenschap organiseren zelf de inspectie en de ondersteuning van de filosofische en godsdienstige vakken die op school worden onderwezen.
doorstroom
(in NL) Lineaire overgang naar een hoger leerjaar of onderwijstype, of naar een hogere studierichting.
dubbelen
(in VL) Synoniem voor zittenblijven, een jaar overdoen, doubleren. In Vlaanderen noemt men dit verder ook 'overzitten' en 'bissen'.
economisch en administratief onderwijs (eao)
(in NL+SR) Studierichting binnen het (hoger) beroepsonderwijs (hbo).
educatie
(in NL) Volwasseneneducatie gericht op het leren functioneren in de samenleving. Het omvat opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren, opleidingen Nederlands als tweede taal en opleidingen gericht op sociale redzaamheid.

Opgelet: in Vlaanderen spreekt men van basiseducatie.
educatieve medewerker
(in VL)

Lesgevers in de basiseducatie in Vlaanderen worden gewoonlijk 'educatieve medewerkers' genoemd.

Educatieve Vereniging voor Ouderwerking in het Officieel Onderwijs (EVO)
(in VL) Zie: koepel van ouderverenigingen.
Edufora
(in VL) Subregionale overlegorganen tussen organisaties in het volwassenenonderwijs die met overheidsmiddelen werken. Sinds 31 maart 2003 is de eduforawerking opgenomen in Diva, de Dienst Informatie Vorming en Afstemming van de Vlaamse overheid.
EDventure
(in NL) Koepel van Nederlandse schoolbegeleidingsdiensten.

Website: www.edventure.nu

eenheidstype
(in VL) In 1989 ingevoerde vernieuwing in het secundair onderwijs. Het eenheidstype verzoende het in 1975 ingevoerde vernieuwd secundair onderwijs (vso, type 1) en het traditionele secundair onderwijs dat men type 2 noemt. Niet te verwarren met de onderwijstypes in het buitengewoon onderwijs.

Zie ook: onderwijstype, vernieuwd secundair onderwijs
eenvoudig beroepsonderwijs (ebo)
(in SR) Het eenvoudig beroepsonderwijs bestaat uit het eenvoudig technisch onderwijs (eto) en het eenvoudig nijverheidsonderwijs (eno). De opleidingen duren elk in totaal achttien maanden, waarin drie blokcursussen van zes maanden worden gegeven.
eenvoudig technisch onderwijs (eto)
(in SR) Een driejarige opleiding die aan jongeren eenvoudige, technische vakopleidingen biedt.
Eenvoudige Technische School (ETS)
(in SR) Op de Eenvoudige Technische School wordt elementair technisch onderwijs (eto) verzorgd.
eerste jaar B
(in VL) Zie brugklas.
eerstelijnszorg
(in VL) Zorg voor leerlingen die prioritair bij de school ligt. Elke school organiseert de studieoriëntering van leerlingen, pakt leerproblemen aan en vangt de sociaal-emotionele problematiek op. Het centrum voor leerlingbegeleiding (CLB) is een ondersteunende instantie hiervoor. In tegenstelling tot vroeger houdt het zich niet meer met álle leerlingen bezig, maar enkel met die leerlingen die een bijzondere opvang vragen (tweedelijnszorg), waarvoor de school tekortschiet. Het CLB kan zich ook toespitsen op de kinderen bij wie de problemen dreigen groter te zijn: kleuters en kinderen van de eerste en zesde klas, de 1B-brugklas enz.

eersteopvangschool
(in NL) Officiële benaming voor wat vroeger 'internationale schakelklas' heette. Het betreft een overgangsklas, een schooltype voor leerlingen die nog niet toe zijn aan het reguliere voortgezet onderwijs (vo), omdat ze het Nederlands nog onvoldoende beheersen. Bedoeling is dat de leerlingen na de schakelklas doorstromen naar het regulier onderwijs.

Opgelet: In Vlaanderen spreekt men van onthaalklas. De term schakelklas wordt er slechts sporadisch gebruikt, met een iets andere betekenis.
eindexamen
(in NL) Het eindexamen van voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) en de algemene vakken in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) bestaat uit twee delen:
  1. het schoolexamen (tot 1998 'schoolonderzoek' genoemd) wordt georganiseerd door de school;
  2. het centraal examen (ce): dit is een landelijk examen dat voor alle scholen gelijk is.
eindtermen
(in NL+VL)
In Nederland:

Omschrijvingen van de kennis en vaardigheden waarover een leerling of student aan het eind van ieder onderwijsniveau moet beschikken. Er zijn zowel eindtermen voor het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs, het hoger onderwijs als de volwassenenducatie.
De eindtermen voor het basisonderwijs worden kerndoelen genoemd.
De eindtermen Nederlands voor de volwasseneneducatie kan men bekijken op de website van de SLO-website (zie ook: SLO).

In Vlaanderen:
Minimumdoelen op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid als noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Scholen moeten deze eindtermen realiseren in het gewoon lager onderwijs (lo) en in het secundair onderwijs. De overheidsinspectie controleert tijdens regelmatige doorlichtingen of dit inderdaad gebeurt. Voor het kleuteronderwijs en het buitengewoon onderwijs heeft de overheid ontwikkelingsdoelen geformuleerd, die de eindtermen vervangen.
De eindtermen taal in het Vlaamse onderwijs kan men nalezen op de website van het departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap: eindtermen taal lager onderwijs en eindtermen taal secundair onderwijs.

De eindtermen dienen als basis bij het uitschrijven van de leerplannen.
eindtoets basisonderwijs
(in NL) Een toetsinstrument dat basisscholen kunnen gebruiken om hun resultaten te meten en te vergelijken met andere scholen. Ongeveer 75 procent van de scholen gebruikt de eindtoets basisonderwijs van de Cito groep.
elders verworven competenties (evc)
(in NL+VL) Systeem om kennis en kunde te erkennen die op het werk of in de vrije tijd werden opgedaan.
elementair technisch onderwijs (eto)
(in SR) Een driejarige opleiding die aan jongeren eenvoudige, technische vakopleidingen biedt.
Entiteit Curriculum
(in VL) De Entiteit Curriculum (vroegere naam: Dienst Voor Onderwijsontwikkeling - DVO) ressorteert onder het departement Onderwijs, ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De dienst vervult vooral een beleidsvoorbereidende opdracht. In die zin geeft hij wetenschappelijk onderbouwde adviezen aan de Vlaamse regering en aan de onderwijsminister. De huidige activiteiten van de Entiteit Curriculum omvatten:
  • eindtermen en ontwikkelingsdoelen;
  • ontwikkeling van instrumenten;
  • voorbereiding opleidingenstructuur;
  • adviseren en deskundigheidsinbreng;
  • beleidsvoorbereidend studiewerk;
  • samenwerkingsverbanden met andere diensten van het departement Onderwijs;
  • internationale samenwerkingsverbanden;
  • publicaties en implementatie eindtermen en ontwikkelingsdoelen;
  • dienstverlening.
Deze activiteiten hebben betrekking op een of meer onderwijsniveaus of ze behandelen thema's die relevant zijn voor alle niveaus.

Website: www.ond.vlaanderen.be/dvo

enveloppenfinanciering
(in VL) Subsidieregeling voor de hogescholen, ingevoerd in 1986. De Vlaamse Gemeenschap draagt met een jaarlijkse uitkering bij in de financiering van de werking van de hogescholen. De hogeschool beslist autonoom over de besteding ervan (werkingsmiddelen, personeelskost enz.). In Nederland werd de enveloppenfinanciering op bredere schaal ingevoerd.

In Nederland spreekt men van lumpsumfinanciering.
Erasmus
(in NL+VL) Voluit: EuRopean Action Scheme for the Mobility of University/hbo Students. Dankzij het Erasmusprogramma kunnen studenten van het hoger onderwijs drie tot twaalf maanden lang in het buitenland studeren. Het basisprincipe is dat de in het buitenland opgedane studie-ervaring volledig wordt erkend door de onderwijsinstelling van het thuisland. Een Europees systeem van puntenoverdracht garandeert deze erkenning.

De Erasmusbeurzen variëren van de ene lidstaat tot de andere en zijn bedoeld om de extra uitgaven te helpen bekostigen die het buitenlandse studieverblijf met zich meebrengt. Daarnaast steunt Erasmus ook onderwijzers die in andere Europese landen werken.

Zie ook: Socrates, Lingua, Leonardo, Grundtvig, Comenius, Minerva.

ervaringsgericht onderwijs (ego)
(in NL+VL) Onderwijsmethode die het beste wil halen uit lerenden door te focussen op de kwaliteit van het proces, met name het welbevinden en de betrokkenheid van de lerenden. Van de leerkracht en alle betrokkenen bij de school wordt een ervaringsgerichte houding verwacht, uitgaande van aanvaarding, echtheid en empathie. Waar sommige scholen vooral uitgaan van aanbod en andere van producten (testgegevens), richt het ervaringsgericht onderwijs zich op het proces dat zich afspeelt in kinderen, in de groep. Leerkrachten hebben aandacht voor een goed voorbereide omgeving en ruimte voor initiatieven van kinderen, en zijn in gesprek met kinderen. Zij hebben permanente aandacht voor de betrokkenheid en het welbevinden van kinderen en nemen interventies op basis van die observaties, waardoor diepgaand leren tot stand komt op eigen niveau en tempo. Het ervaringsgericht onderwijs wil op die manier bijdragen tot een gave emotionele ontwikkeling, fundamenteel leren, ontwikkeling in de breedte en meer verbondenheid.

Zie ook: methodeschool, traditionele vernieuwingsschool.

Websites: www.cego.be; www.cego.nl
Europees Platform voor het Nederlandse Onderwijs (Epno)
(in NL) In 1990 door de minister van Onderwijs & Wetenschappen ingesteld nationaal samenwerkingsverband. Sinds 1 januari 1994 is het Platform een stichting van de onderwijskoepelorganisaties: de Nederlandse Algemeen Bijzondere Schoolraad (NABS), de Nederlandse Katholieke Schoolraad (NKSR), de Nederlandse Protestants-Christelijke Schoolraad (NPCS) en het Contactcentrum Bevordering Openbaar Onderwijs (CBOO) / Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Het Epno heeft als opdracht het versterken van de Europese dimensie en het bevorderen van de internationalisering van het onderwijs in Nederland. Het voert een verscheidenheid aan activiteiten uit, waarvan het functioneren als agentschap voor gesubsidieerde internationaliseringprogramma's tot de belangrijkste taak behoort. Het betreft hier onder andere het Europese programma Socrates, gefinancierd door de Europese Commissie, en de nationale programma's en bilaterale programma’s, gefinancierd door het Nederlandse Ministerie van Onderwijs.

Websites:
EPNO: www.europeesplatform.nl
NKSR: www.nksr.nl
CBOO: www.cboo.nl
VNG: www.vng.nl
Europees Referentiekader
(in NL+VL)

Zie: Gemeenschappelijk Europees Referentiekader

examen
(in VL) Vorm van productevaluatie in het secundair en hoger onderwijs. In België werd bij de hervorming van het secundair onderwijs het traditionele examen vervangen door een vorm van globale evaluatie, zodat examen er als verzamelterm kan worden gebruikt voor toetsen, proefwerken enz. In de praktijk wordt de term examen nog vaak gebruikt in zijn oorspronkelijke betekenis. Examens worden nog wel afgelegd in het hoger onderwijs, voor het verkrijgen van de bachelor- en mastertitels of de andere academische graden, geaggregeerde en doctor.

Opgelet: in Nederland heeft examen een iets andere betekenis.
examen
(in NL) Afsluiting van een opleiding of een deel daarvan. Het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en de algemene vakken in het voorbereidend beroepsond