taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » onderwijs » termen »

Onderwijstermen

Uitleg van Nederlandse en Vlaamse onderwijsterminologie

De lijst bevat momenteel 857 termen. De lijst wordt voortdurend verder aangevuld en verbeterd. (Laatste wijziging: 2017-11-02)

TOBA
Staat voor 'Toets Basistaalvaardigheid Anderstalige Volwassenen'.

Taaltoets die de taalvaardigheid van anderstalige volwassenen meet door hen taaltaken te laten uitvoeren. De toets werd ontwikkeld door het Steunpunt NT2 Leuven.

aanvullende lestijden
(in VL) Extra subsidie die aan scholen van overheidswege wordt uitgekeerd om bovenop het gewone lesurenpakket bijkomende lesuren te organiseren voor godsdienst, niet-confessionele zedenleer en lichamelijke opvoeding. Verder worden ook aanvullende lestijden geboden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid (GOK) en voor leerlingen met speciale zorgbehoeften.
aanwendingsplan
(in VL) Plan waarin scholen beschrijven op welke wijze bv. extra lestijden worden aangewend en dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan bv. de overheid. Het plan kan voorwerp zijn van inspectie en/of voorwaarde om een subsidie te krijgen/behouden. Voor bv. onderwijsbeleid voor migranten, maatregelen voor de schooljaren 2005-2006 tot en met 2007-2008, bevat het aanwendingsplan een omschrijving van wat de school zal doen op de verschillende actieterreinen: intercultureel onderwijs, taalvaardigheid Nederlands, preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerproblemen en betrokkenheid van de ouders. De acties worden verantwoord in functie van de doelstellingen (het schoolwerkplan, het pedagogisch project, de situatie) van de school, en van de reeds gevoerde acties in eerdere stadia. Hiertoe wordt duidelijk vermeld hoe en met welk resultaat de reeds ondernomen acties geëvalueerd zijn. Al deze acties moeten ook controleerbaar zijn voor de inspectie. Daarnaast moet het schoolbestuur in haar aanwendingsplan een aantal verbintenissen aangaan:
  1. een contract afsluiten om ouders bij het beleid te betrekken;
  2. samenwerken met het CLB;
  3. (na)vorming volgen;
  4. de begeleiding bij het beleid betrekken.
abituriënt
(in NL) Iemand die het eindexamen van een bepaalde opleiding (bv. een opleiding aan de middelbare school) met goed gevolg heeft afgelegd.
academie
(in NL+VL) Onderwijsinstelling voor hoger beroepsonderwijs.

Opgelet: in Vlaanderen wordt de term nu vooral gebruikt voor hoger artistiek onderwijs of voor een instelling die deeltijds kunstonderwijs aanbiedt.
academiejaar
(in NL+VL) Schooljaar op een universiteit of hogeschool. Een academisch jaar kan bestaan uit twee semesters, waarvan het eerste begin oktober start, en het tweede begin februari. Tussen de beide semesters ligt een onderwijsvrije week. In het Angelsaksische model wordt het academisch jaar evenredig verdeeld in drie trimesters.
academische bachelor
(in NL+VL) Graad in het hoger onderwijs die aangeeft dat een student een academische bacheloropleiding met succes voltooid heeft. Academische bachelors bestaan meestal uit 180 studiepunten en geven toegang tot een aansluitende masteropleiding. Een academische bachelor wordt georganiseerd door een universiteit.

Naast een academische bachelor, bestaat ook een professionele bachelor.
ACO
(in NL) Staat voor 'Adviescommissie Onderwijsaanbod'.

Orgaan dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen adviseert over de wenselijkheid van het toelaten van nieuwe opleidingen in het hoger onderwijs. De commissie beoordeelt kandidaturen op basis van onder meer kwaliteit, arbeidsmarktbehoefte, overlapping met reeds bestaande opleidingen en landelijke spreiding.

ACOA
(in NL) De inmiddels alweer opgeheven 'Adviescommissie Onderwijs-Arbeidsmarkt'.

De Adviescommissie Onderwijs-Arbeidsmarkt wordt ingesteld door de minister van OCW en adviseert de landelijke organen beroepsonderwijs (LOB) over de eindtermen. Bovendien adviseert ze de minister over de doelmatigheid van nieuwe en/of bestaande beroepsopleidingen.

AdeKUS
(in SR) Staat voor 'Anton de Kom Universiteit van Suriname'.

De Anton de Kom Universiteit van Suriname telt momenteel vijf faculteiten: de faculteit der Maatschappijwetenschappen met zes studierichtingen en veertien afstudeerrichtingen, de faculteit der Medische Wetenschappen met twee studierichtingen en de faculteit der Technologische Wetenschappen met zes studierichtingen en dertien afstudeerrichtingen, de faculteit der Humaniora, met twee studierichtingen, de faculteit der Wis- en Natuurkundige wetenschappen, met twee studierichtingen. De Adekus heeft ook nog twaalf onderzoeksinstituten.

Website: www.uvs.edu.

ADIOV
(in VL) Staat voor 'Automatisch Documentatie- en Informatiesysteem voor het Onderwijs in Vlaanderen'. Kortweg 'databank Onderwijsliteratuur'.

Databank van onderwijsdocumenten die aanwezig zijn op het departement Onderwijs, meer bepaald in de afdeling Informatie en Documentatie - Hendrik Consciencegebouw - Koning Albert II-laan 15 - 1210 Brussel. In de databank worden boeken, naslagwerken, tijdschriftartikels, cd-roms en persartikels beschreven aan de hand van trefwoorden en een korte inhoud.

Alleen personeelsleden van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming kunnen documenten uitlenen. Alle geïnteresseerden kunnen de documenten ter plaatse raadplegen en tijdschriftartikels kopiëren

Website: www.ond.vlaanderen.be/adiov.

Adviesbureau opleiding en beroep
(in NL) Keten van expertisebureaus die actief zijn op het gebied van studie- en beroepskeuze: diagnostisch onderzoek en begeleiding van leerlingen, organisatieondersteuning voor het management van de scholen en nascholing van docenten. Als missie voor het werkveld Onderwijs geldt: jeugdigen adviseren en ondersteunen bij het ontwikkelen van talenten en bij het voorbereiden op een plaats in de maatschappij en op het deelnemen aan arbeid; docenten, ouders en management van schoolorganisaties en instellingen voor jeugdhulpverlening behulpzaam zijn bij het ontwikkelen en inzetten van begeleidingsvaardigheden en bij het organiseren van een efficiënt en doelmatig onderwijs- en begeleidingsproces.

afstandsonderwijs
(in NL+VL) Onderwijsvorm waarbij de studenten niet fysiek in de les aanwezig zijn, maar via een systeem van e-learning de leerstof verwerken. Tegenhanger van contactonderwijs.
afstroom
(in NL) Fenomeen waarbij leerlingen in het voortgezet onderwijs eerst kiezen voor de moeilijkste onderwijsvorm of studierichting en na (herhaald) falen gradueel 'afdalen' naar een makkelijker onderwijsvorm.

'Afstroom' wordt in Vlaanderen 'watervaleffect' genoemd.
afstudeervariant
(in NL) Gebruikelijke term voor extra vakken die een student bovenop zijn gewone curriculum wil volgen. Als die vakken een internationale oriëntering hebben (bv. international management), dan spreekt men van een internationale afstudeervariant.
Agentschap voor Integratie en Inburgering
(in VL) Het Agentschap voor Integratie en Inburgering gaat uit van de Vlaamse Overheid en voert de algemene doelstelingen van het Vlaamse integratiebeleid uit. De opdrachten van het Agentschap bestaan uit:
    • Inburgeringstrajecten en een vormings- en begeleidingsaanbod opzetten voor personen van vreemde herkomst • De toegankelijkheid van voorzieningen voor personen van een vreemde herkomst vergroten via taalbeleid, integratiewerk, juridisch advies en dienstverlening voor sociaal tolken en vertalen • Een inclusief en gecoördineerd integratiebeleid faciliteren door advies en ondersteuning te bieden • Een bijdrage leveren aan het maatschappelijk draagvlak voor het samenleven in diversiteit
Sinds 1 januari 2015 maken de Huizen van het Nederlands deel uit van het agentschap.

Voor respectievelijk Gent, Brussel en Antwerpen bestaan er nog stedelijke agentschappen voor integratie en inburgering: In-Gent, Atlas en Huis van het Nederlands Brussel.

Meer informatie op www.integratie-inburgering.be.
aggregatie
(in VL) Verouderde benaming voor het diploma dat een student behaalt die de universitaire lerarenopleiding met succes heeft afgerond. Het diploma stelt hem in staat les te geven in de tweede en derde graad van het secundair onderwijs en in het hoger onderwijs (ho). De aggregatie geldt als voorloper van de huidige benaming, SLO (Specifieke Lerarenopleiding).

Zie ook: geaggregeerde.
AHKCO
(in SR) Staat voor 'academie voor hoger kunst- en cultuuronderwijs'.

De Academie voor Hoger Kunst- en Cultuuronderwijs (AHKCO) leidt mensen op die in staat zijn om op verantwoorde wijze het proces van kunst, communicatie en cultuuruitingen te analyseren en te begeleiden op zowel individueel als groeps- en nationaal niveau en die waar nodig aan het proces richting geven.
De opleidingen zijn:

  • beeldende kunsten;
  • sociaal-cultureel vormingswerk;
  • journalistiek.
Ahovoks
(in VL) Staat voor 'Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen'. Ahovoks is een uitvoerend agentschap binnen het Ministerie van Onderwijs dat zich inzet voor de totstandkoming van einddoelen en kwalificaties en ook bevoegd is voor studietoelagen. Het is de nieuwe benaming voor de Entiteit Curriculum (daarvoor Dienst voor Onderwijsontwikkeling genoemd). Meer informatie op de website van Ahovoks.
aio
(in NL) Staat voor 'assistent in opleiding'. De term is sinds 2004 vervangen door promovendus.

De universitaire doctorandus- of mastertitel geeft toegang tot universitaire promotie, met name de graad van doctor (dr., of in het buitenland: Ph.D.). De promovendus die dit in de hoedanigheid van assistent in opleiding (aio) doet, is als werknemer in dienst van de universiteit. Onder de begeleiding van de promotor werkt hij of zij gedurende vier jaar aan zijn proefschrift.

Alfa NT2
(in NL+VL) Term die verwijst naar het onderwijs voor niet-gealfabetiseerde NT2-cursisten omdat ze bijvoorbeeld in hun thuisland geen scholing kregen.
alfavakken
(in NL) Verzamelterm voor de menswetenschappelijke vakken: Nederlands, Engels, Duits, Frans, beeldende vakken enz.
algemeen vak
(in VL) Leervak dat bijdraagt tot de algemene kennis van leerlingen en dat is opgenomen in de lessenroosters van de vier onderwijsvormen bso, tso, kso en aso, bv. talen, wetenschappen, lichamelijke opvoeding enz. Naast de algemene vakken onderscheidt men de technische vakken, artistieke vakken en beroepsvakken.
ALTE
Staat voor 'Association of Language Testers in Europe'.

Vereniging van Europese instellingen die taalexamens opstelt en certificaten uitreikt. Elk lid van de vereniging stelt examens op voor de taal van zijn eigen land of taalgebied.

Voor het Nederlands is het CNaVT lid van de vereniging.

Website: www.alte.org.

ama
(in NL+VL) Staat voor 'alleenstaande minderjarige asielzoeker'.

Asielzoeker jonger dan achttien jaar die alleen, dat wil zeggen zonder meerderjarige bloed- of aanverwant, naar Nederland of België komt. Een meerderjarige bloed- of aanverwant kan een ouder zijn of ook bijvoorbeeld een meerderjarige broer.

In Vlaanderen is de gangbare term niet-begeleide minderjarige vreemdeling (NBMV )

amanuensis
(in NL+VL) Een technisch geschoold persoon die helpt bij het voorbereiden en uitvoeren van natuurkundige en scheikundige proeven in laboratoria en scholen.
ambachtsschool
(in NL) Synoniem voor lager beroepsonderwijs (lbo).

Oude benaming voor de beroepsgerichte leerwegen van het vmbo.
ambulant begeleider
(in NL) Een ambulant begeleider maakt deel uit van het project Passend Onderwijs. Dit is een leerkracht uit het speciaal onderwijs die het onderwijs aan de zorgleerlingen in de school komt ondersteunen. Zie: Weer Samen Naar School en Passend Onderwijs.
anders-alfabeten
(in NL+VL)

Mensen die een ander schrift dan het Latijnse schrift beheersen.

anderstalige nieuwkomers
(in VL) Anderstalige nieuwkomers (voorheen officieel neveninstromers geheten) zijn leerlingen die heel recent uit het buitenland zijn gekomen en in het Nederlandstalige onderwijs terechtkomen. Zij voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1. ze zijn tussen vijf en achttien jaar oud;
  2. ze hebben een andere taal dan het Nederlands als moedertaal;
  3. ze beheersen de Nederlandse onderwijstaal onvoldoende om met goed gevolg de lessen te kunnen volgen;
  4. ze hebben geen Belgische of Nederlandse nationaliteit;
  5. ze hebben nog geen volledig schooljaar onderwijs gevolgd in een school met het Nederlands als onderwijstaal.

In bepaalde gevallen kan een school een onthaalklas inrichten voor anderstalige nieuwkomers die er school lopen.

APS
(in NL) Staat voor 'algemeen pedagogisch studiecentrum'. Het aps werd stopgezet in 2016.

Een van de landelijke pedagogische centra in Nederland. Het APS hield zich bezig met nascholingsactiviteiten, methodiekontwikkeling voor kwaliteitszorg, en begeleiding bij de invoering van deze methodes in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Het APS begeleidde en adviseerde de docenten en het management van scholen en onderwijsinstellingen.

De vakgroep Talen van het APS houdt zich bezig met taalonderwijs in het voortgezet onderwijs (taalaanpak in alle vakken, talen & ICT, taalbeleid op school en ondersteuning van leerlingen met taalproblemen). De Talengroep blijft, in tegenstelling tot het aps, wel voortbestaan.

Website: www.aps.nl.
Website vakgroep Talen: www.detalengroep.nl/.

ARGO
(in VL) Staat voor 'Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs'.

Vroegere benaming voor de inrichtende macht van het Gemeenschapsonderwijs.

De inrichtende macht van het Gemeenschapsonderwijs (GO!) wordt nu de Raad van het GO! genoemd

Website: www.gemeenschapsonderwijs.be.

Zie ook: onderwijsnetten in Vlaanderen.

artistiek hoger onderwijs
(in VL) Oude benaming voor onderwijs in een artistieke discipline dat onder het Ministerie van Onderwijs viel. Het hoger kunstonderwijs viel onder het Ministerie van Cultuur. Nu is alle hoger onderwijs in een artistieke discipline verbonden aan een hogeschool.

Het hoger onderwijs voor sociale promotie (hosp) was opgedeeld in aan aantal categorieën, die op hun beurt een aantal opleidingen (afdelingen) groepeerden. Het artistiek hoger onderwijs korte type is er daar één van. Het omvatte twee studierichtingen, nl. bouwkunde en openbare werken.
asbo
(in VL) Staat voor 'aanvullend secundair beroepsonderwijs'.

Dit is de oude benaming voor de vierde graag van het beroepsonderwijs dat aansluit op het beroepssecundair onderwijs (bso). Het aanvullend secundair beroepsonderwijs bestond uit drie afdelingen: kunst, kleding en verpleging. Sinds het schooljaar 2008-2009 werd de vierde graad van het bso omgevormd tot HBO5.

aso
(in VL) Staat voor 'algemeen secundair onderwijs'.

Dit is de afdeling algemene theoretische vorming van het secundair onderwijs die jongeren in de eerste plaats voorbereidt op een hogere studie.

Zie: secundair onderwijs.

assistent
(in VL) Mandaat aan een hogeschool of universiteit. Assistenten voeren wetenschappelijke onderzoeksactiviteiten uit en/of onderwijsactiviteiten. Er zijn vier types mandaten:
  • Onderzoeksassistent met procentuele onderwijstaak;
  • Onderwijsassistent met gerichte participatie in onderzoeksactiviteiten;
  • Doctor-assistent;
  • Praktijkassistent;
atheneum
(in NL) Een van de drie schooltypes van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van 12 tot 18 jaar. Andere schooltypen in het vwo zijn het gymnasium en het lyceum.
Aan het atheneum wordt geen Grieks en Latijn gegeven. In sommige gevallen is het mogelijk deze vakken als keuzevak te volgen. Het vwo is de vervolgopleiding na het basisonderwijs die voorbereidt op een studie aan de universiteit en duurt zes jaar.

Opgelet: in Vlaanderen heeft atheneum een andere betekenis.
atheneum
(in VL) Scholen in het secundair onderwijs die behalve algemeen (aso) ook kunst- (kso), technisch (tso) en beroepsonderwijs (bso) geven, heten 'atheneum' (athénée) als het gaat om officiële (neutrale) scholen en 'lyceum' of 'college' als het gaat om vrije scholen. Instellingen waar technisch of beroepsonderwijs wordt gegeven, worden meestal 'instituut' genoemd.

Opgelet: in Nederland heeft atheneum een andere betekenis.
attest (A, B, C)
(in VL) Aan het eind van een leerjaar in het secundair onderwijs behaalt een leerling een oriënteringsattest dat zijn/haar overgang naar een hoger jaar al of niet mogelijk maakt. De leerling krijgt ofwel:
  • een A-attest: de leerling is geslaagd; hij kan zonder enige beperking naar een volgend leerjaar overgaan en vrij kiezen welke studierichting hij wil volgen;
  • een B-attest: de leerling is geslaagd, maar kan in een volgend leerjaar niet kiezen voor één of verschillende onderwijsvormen en/of studierichtingen. Dit wordt clausulering genoemd. De school in kwestie bepaalt tot welke onderwijsvormen en/of studierichtingen de leerling toegang krijgt en tot welke niet. De school moet meedelen waarom ze deze beslissing neemt. Wil de leerling toch een richting volgen waarvoor de school geen toegang gaf, dan kan hij/zij beslissen om het jaar over te doen en zo proberen een oriënteringsattest A te behalen;
  • een C-attest: de leerling is niet geslaagd en moet zittenblijven. De school deelt de reden van deze beslissing mee. Ook als een leerling tijdens het schooljaar van school verandert krijgt hij bij de overstap naar zijn nieuwe school, een oriënteringsattest C mee, dit als bewijsstuk dat hij/zij de lessen van het schooljaar gevolgd heeft.

Ouders kunnen in beroep gaan tegen de beslissing van de school.

autonome school
(in VL) School die zich in zijn aanbod beperkt tot één onderwijsniveau, bv. autonome kleuterschool (enkel kleuteronderwijs), autonome lagere school (enkel lager onderwijs), autonome middenschool (enkel de eerste graad van het secundair onderwijs).
AVI
(in NL+VL) Staat voor 'analyse van indivualiseringsnormen'.

Systeem waarmee men de technische leesvaardigheid van kinderen en het leestechnisch niveau van teksten meet. AVI heeft in het basisonderwijs grote bekendheid gekregen. Het ontstond in 1977 als KPC-project, dat zich richtte op het individualiseren van het leesonderwijs. In de oorspronkelijke versie werden er negen AVI-niveaus onderscheiden, in de vernieuwde versie (die beheerd wordt door Cito) zijn er twaalf niveaus.

Meer info over het nieuwe AVI-systeem: website van het Cito

avo
(in NL) Staat voor 'algemeen vormend onderwijs'. Opleidingen die niet direct gericht zijn op het uitoefenen van een beroep, met name vmbo, havo en vwo.
avo
(in NL) Staat voor 'algemeen voortgezet onderwijs'. Verzamelterm voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo).
AVS
(in NL) Staat voor 'Algemene Vereniging van Schoolleiders'.

De AVS is een vak- en beroepsorganisatie voor schoolleiders en hun scholen van het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs in Nederland.

Website: www.avs.nl.

bétavakken
(in NL) Verzamelterm voor de natuurwetenschappelijke vakken biologie, verzorging, techniek, natuurkunde, scheikunde, enz.
bachelor
(in NL+VL) Graad die aangeeft dat een student succesvol een bacheloropleiding aan het hoger onderwijs voltooid heeft. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een academische bachelor en een professionele bachelor.

Zie: bachelor-master.

bama
(in NL+VL) Staat voor 'bachelor-master'.

Populaire aanduiding voor de bachelor-masterstructuur. Dat is een nieuw Europees organisatiemodel voor het hoger onderwijs naar Angelsaksisch model, dat bestaat uit een driejarige wetenschappelijke bacheloropleiding gevolgd door een masteropleiding. Omdat het de bedoeling is het studiejaarsysteem af te schaffen, is het eigenlijk beter om te spreken over een bachelor van 180 studiepunten, gevolgd door een master van 60 of 120 studiepunten (uitzonderlijk zelfs iets omvangrijker).

Het bachelor-masterstelsel is een nadere uitwerking van de afspraken die 29 Europese landen in 1999 in Bologna hebben gemaakt om tegen 2009 te komen tot één Europese hogeronderwijsruimte. Elk land streeft naar onderling vergelijkbare graden in het hoger onderwijs. Zo zal het hogeronderwijssysteem in elk land gebaseerd zijn op twee cycli: 'undergraduate' en 'graduate'. Niet de duur van een opleiding maar het behaalde eindniveau is het criterium waarmee men opleidingen internationaal kan vergelijken. In de Bolognaverklaring zijn ook afspraken gemaakt over meer samenwerking op het gebied van kwaliteitszorg en curriculumontwikkeling.

basisberoepsgerichte leerweg
(in NL) Dit is een richting binnen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. Zie ook: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo).
basiscompetenties
(in VL) De kennis, vaardigheden en attitudes waarover elke afgestudeerde moet beschikken om op een volwaardige manier in een beroep te kunnen stappen en erin te functioneren.

Meer specifiek wordt 'basiscompetenties' ook gebruikt voor de doelen waaraan gewerkt wordt in opleidingen voor volwassenenonderwijs in Vlaanderen, georganiseerd door CVO's.

Vergelijk met: ontwikkelingsdoelen.
basisonderwijs
(in VL)

Overkoepelende term voor kleuteronderwijs (ko) en lager onderwijs (lo).

Zie ook: primair onderwijs.

Opgelet: in Nederland heeft de term basisonderwijs een enigszins andere betekenis.

basisonderwijs
(in NL) Met de "Wet op het primair onderwijs" van 1985 fuseerden in totaal 17 000 kleuter- en lagere scholen tot 8 500 nieuwe basisscholen. Sindsdien spreekt men van basisonderwijs. De oude twee kleuterklassen en zes klassen van de lagere school werden de acht groepen van de basisschool. De start van de leerplichtige leeftijd werd een jaar vervroegd: van zes naar vijf jaar. De meeste kinderen beginnen echter al op hun vierde jaar.

Opgelet: in Vlaanderen heeft de term basisonderwijs een enigszins andere betekenis.
basisvorming
(in NL)

Sinds 1993 beginnen alle leerlingen het voortgezet onderwijs met een periode van basisvorming van drie jaar, ongeacht het feit of ze vmbo, havo of vwo volgen. Het doel is een brede vorming te geven aan leerlingen tussen 12 en 15 jaar. Er is geen strikte scheiding tussen algemene en technische vakken. Basisvorming is geen schooltype, maar een inhoudelijke vernieuwing die geldt voor alle schooltypen binnen het voortgezet onderwijs die aanvangen na het basisonderwijs.

In het schooljaar 2006/2007 is de basisvorming vereenvoudigd; sindsdien kunnen de scholen ook meer zelfstandig het programma in de eerste leerjaren vastleggen. 'Basisvorming' is sindsdien een wat beladen term geworden, die steeds vaker vervangen wordt door het neutralere 'nieuwe onderbouw'.

Opgelet: in Vlaanderen heeft basisvorming een andere betekenis.

basisvorming
(in VL) Het voltijds secundair onderwijs wordt sedert 1989 georganiseerd volgens de eenheidsstructuur waarin aan de basisvorming veel belang gehecht wordt. De basisvorming is het gedeelte van de vakken dat door alle leerlingen in bepaalde graden, onderwijsvormen en studierichtingen moet worden gevolgd.

In het eerste leerjaar A en in het eerste leerjaar B van de eerste graad van het secundair onderwijs is er naast de brede basisvorming een (beperkt) keuzegedeelte. In het tweede leerjaar A van de eerste graad van het secundair onderwijs kunnen de leerlingen naast de basisvorming basisopties kiezen (en soms nog een keuzegedeelte). In het beroepsvoorbereidend leerjaar van de eerste graad van het secundair onderwijs onderscheidt men naast de basisvorming de beroepenvelden (en soms nog een keuzegedeelte).

Voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs wordt een onderscheid gemaakt tussen de basisvorming, het specifiek gedeelte en het complementaire gedeelte.

Opgelet: in Nederland heeft basisvorming een andere betekenis.

bbl
(in NL) Staat voor 'beroepsbegeleidende leerweg'.

De beroepsbegeleidende leerweg (bbl) is een vorm van middelbaar beroepsonderwijs (mbo) waarbij het praktijkdeel zestig procent of meer van de studieduur bedraagt. Het aandeel praktijkervaring is dus meer dan in de beroepsopleidende leerweg (bol). Vaak wordt het vormgegeven als 1 dag naar school en 4 dagen werken. De deelnemer heeft ook een arbeidscontract ('praktijkovereenkomst').

Tot 1997 heette deze leerweg het 'leerlingwezen' of het 'leerlingenstelsel'. Vandaag wordt deze manier van opleiden aangeduid met de term 'mbo - werkend leren'.

be
(in NL+VL) Staat voor 'basiseducatie'.

Onderwijs aan volwassenen gericht op het aanleren en verbeteren van basisvaardigheden die nodig zijn om zelfstandig te kunnen functioneren in de maatschappij. De onderwijsvorm is bestemd voor in Nederland en Vlaanderen wonende autochtone en allochtone volwassenen die niet leerplichtig zijn en een onderwijsachterstand hebben of laaggeschoold zijn. Basiseducatie vervult een belangrijke rol bij de integratie van allochtonen.

Vlaanderen:
In Vlaanderen maakt basiseducatie deel uit van het volwassenenonderwijs (vroeger onderwijs voor sociale promotie). Lokale centra, verspreid over het Vlaamse en Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, organiseren opleidingsprogramma's taal, wiskunde, maatschappijoriëntatie en ICT.

Website: www.basiseducatie.be

Zie ook: Vlaams Ondersteuningscentrum voor Basiseducatie (VOCB).

Nederland:
In Nederland zijn de basiseducatie en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) sinds 1998 samengevoegd onder de noemer volwasseneneducatie. Deze vorm van onderwijs vindt plaats in regionale opleidingencentra. In 1998 waren er in Nederland 54 instellingen voor basiseducatie.

begeleidende klassenraad
(in VL) Orgaan dat binnen elke school verantwoordelijk is voor het onderwijs en de vorming van een bepaalde groep leerlingen (klas, jaar, graad ...), de evaluatie van hun vorderingen en het advies over hun toelating tot het volgende leerjaar. Deze klassenraad kan niet beslissen over het al of niet geslaagd zijn van een leerling. Zie daarvoor: delibererende klassenraad. In de begeleidende klassenraad zetelen: het instellingshoofd of zijn afgevaardigde (voorzitter) en het betrokken onderwijzend personeel (stemgerechtigd). Dit kan worden uitgebreid door de aanwezigheid van de onderdirecteur, werkplaatsleider en/of werkmeester; administratief en/of opvoedend hulppersoneel; een deskundige van buiten de onderwijsinstelling in onderwijsvormen en leerjaren die een geïntegreerde proef inhouden(raadgevend); een personeelslid van de centra voor leerlingbegeleiding (adviserend).
bekwaamheidsbewijs
(in VL)

Bewijs van professionele bekwaamheid dat gekoppeld is aan het lerarendiploma. Het bewijs van bekwaamheid bepaalt:

  • welke ambten (bv. leraar secundair onderwijs, kleuteronderwijzer, leermeester lichamelijke opvoeding ...) een leraar mag uitoefenen;
  • welke vakken hij/zij mag geven;
  • in welk soort onderwijs (bv. gewoon of buitengewoon), het onderwijsniveau (bv. kleuteronderwijs, lager onderwijs, secundair onderwijs), de onderwijsvormen en de graden waarin een leraar mag lesgeven;
  • in welke weddeschaal hij/zij bezoldigd zal worden;
  • of een leraar al of niet vast benoemd kan worden.
Zie ook: bewijs van pedagogische bekwaamheid.

BENT2-plannen
(in VL) In de basiseducatie (be) in Vlaanderen zijn de eindtermen/basiscompetenties voor Nederlands als Tweede Taal geformuleerd in opleidingsprofielen, genaamd de BENT2-plannen. De eindtermen zijn onderverdeeld in modules. Elke module omvat 60u. Het uitstroomniveau van de basiseducatie in Vlaanderen is A2 (richtgraad 1).
beroepskolom
(in NL) De doorstroom van vmbo via mbo naar hbo heet de beroepsonderwijskolom of kortweg de beroepskolom.

De verbetering van deze doorstroom is een prioriteit voor het Nederlandse ministerie van Onderwijs, gezien het tekort aan goed opgeleide vakmensen.

Zie ook: het dossier beroepskolom van het ministerie voor OCW.
beroepskwalificatie
(in NL) Iemand heeft een beroepskwalificatie op een bepaald niveau als hij/zij in het bezit is van een diploma primair leerlingwezen, vbo, mbo-lang of -kort, hbo en wo.

Zie ook: beroepsniveau.
beroepsonderwijs
(in VL) Zie: bso, beroepssecundair onderwijs.

Opgelet: In Nederland heeft beroepsonderwijs een andere betekenis.
beroepsonderwijs
(in NL) Omvat de opleidingen voor leerlingen vanaf circa 16 jaar die gericht zijn op het uitoefenen van een of meer beroepen. Hiertoe worden gerekend het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en hoger beroepsonderwijs (hbo). Beroepsonderwijs sluit aan op het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) en het algemeen voortgezet onderwijs (avo).

Vanaf augustus 1997 omvat het beroepsonderwijs vier opleidingsniveaus:
  1. de assistentopleiding;
  2. de basisberoepsopleiding;
  3. de vakopleiding;
  4. de middenkader- of specialistenopleiding.
Alle opleidingen bevatten een beroepsopleidende leerweg (bol) (beroepspraktijkvorming 20 - 60%) en een beroepsbegeleidende leerweg (bbl) (meer dan 60% beroepspraktijkvorming).

Opgelet: In Vlaanderen heeft beroepsonderwijs een andere betekenis.

beroepsprofiel
(in NL)

Een beroepsprofiel is een omschrijving van de eisen en de kwalificaties waaraan een beroepsbeoefenaar tenminste moet voldoen om gekwalificeerd te kunnen worden als een goede beroepsbeoefenaar. De beroepsprofielen worden door de sociale partners opgesteld en dienen als uitgangspunt voor de daarop te baseren eindtermen.

beroepsvoorbereidend onderwijs
(in NL)

Zie: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo).

Niet te verwarren met beroepsvoorbereidend leerjaar in Vlaanderen.

bevoegdheidsbewijs
(in VL) Zie: bekwaamheidsbewijs.
bewijs van bekwaamheid
(in NL) Verlening van bevoegdheid tot het geven van basis­onderwijs.

In Vlaanderen vergelijkbaar met bewijs van pedagogische bekwaamheid.

bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding
(in NL) Verlening van bevoegdheid tot lesgeven in een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (havo en mavo), voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) of praktijkonderwijs.

In Vlaanderen vergelijkbaar met bewijs van pedagogische bekwaamheid.
bijzonder onderwijs
(in VL) Officieuze benaming voor het buitengewoon onderwijs (vergelijkbaar met speciaal onderwijs in Nederland).

Opgelet: in Nederland heeft bijzonder onderwijs een andere betekenis.
bijzonder onderwijs
(in NL) Onderwijs dat wordt gegeven op scholen die door een vereniging of stichting worden bestuurd. Gaat uit van een bepaalde godsdienst of levensovertuiging en/of een bepaalde opvoedings- of onderwijsmethode.

Opgelet: in Vlaanderen heeft bijzonder onderwijs een andere betekenis.
bijzondere school
(in NL) Generieke term voor scholen die opgericht zijn door de privésector, maar gesponsord worden door de publieke sector. Zij moeten voldoen aan dezelfde voorwaarden als de instituten uit de publieke sector. Bijzondere scholen werken vanuit een bepaalde godsdienst of levensovertuiging: rooms-katholiek, protestants-christelijk, joods, islamitisch, hindoeïstisch, humanistisch of vrij (deze laatste noemt men vrije scholen).

In Vlaanderen vergelijkbaar met de confessionele school.

Zie ook: bijzonder onderwijs.
BIS
(in VL) Staat voor 'begeleid individueel studeren'.

Vorm van volwassenenonderwijs. Schriftelijke formule met gedrukte cursussen, aangevuld met didactisch materiaal. Cursisten verwerken de leerstof thuis, maken opdrachten en versturen die naar de BIS-opleiding. Een begeleider corrigeert de taken en geeft extra uitleg, indien nodig.

Sinds 2003 is BIS een virtueel platform en verloopt de communicatie en uitwisseling van studiepakketten digitaal. Sinds 2007 is deze vorm van afstandsonderwijs uitsluitend bedoeld voor volwassenen die een getuigschrift of diploma willen behalen voor de Examencommissies van de Vlaamse Gemeenschap en voor gedetineerden.

Sinds 2009 bundelt KlasCement de 4000 lessen die bestaan uit computeractiviteiten en syllabi. De lessen zijn gratis beschikbaar via www.klascement.be/bis/.

bissen
(in VL) Een studiejaar overdoen. Synoniemen: zittenblijven, doubleren. In Vlaanderen noemt men dit verder ook 'dubbelen' en 'overzitten'.

Afgeleide woorden: 'bisser', 'bisjaar'.
bko
(in VL) Staat voor 'buitengewoon kleuteronderwijs'.

Buitengewoon onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften uit het kleuteronderwijs.

Zie: buitengewoon basisonderwijs.

blo
(in VL) Staat voor 'buitengewoon lager onderwijs'. Buitengewoon onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften uit het lager onderwijs.

Zie ook: buitengewoon basisonderwijs.
bol
(in NL) Staat voor 'beroepsopleidende leerweg'.

Ook 'mbo-dagonderwijs' genoemd. De beroepsopleidende leerweg (bol) is een richting in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo).

Een beroepsopleidende leerweg omvat een praktijkdeel van tenminste 20% en minder dan 60%. Er wordt in deze opleiding meer tijd op school doorgebracht dan bij de andere leerweg in het middelbaar beroepsonderwijs: de beroepsbegeleidende leerweg (bbl).

Tegenwoordig wordt deze manier van opleiden ook aangeduid met de term mbo-dagonderwijs.

Bolognaverklaring
(in NL+VL)

Beginselverklaring over het creëren van een Europese ruimte voor hoger onderwijs. De verklaring werd op 19 juni 1999 ondertekend door 29 Europese ministers van Onderwijs in de Italiaanse stad Bologna. De principes van de Bolognaverklaring zijn:

  • de overheid (niet de privésector) neemt het initiatief de kennismaatschappij bij zoveel mogelijk Europeanen te brengen;
  • de mobiliteit in Europa wordt bevorderd door vergelijkbare diploma's (het bachelor-masterstelsel);
  • overdracht van studiepunten;
  • uitwisseling van studenten en docenten;
  • samenwerking tussen opleidingsinstituten wordt bevorderd;
  • onafhankelijke kwaliteitscontrole.
De bijeenkomst van Bologna kreeg een vervolg in conferenties in Praag, Berlijn, het Noorse Bergen (mei 2005) en Londen (2007). Meer dan 1 600 opleidingsinstituten uit 46 landen of regio's zijn vandaag aangesloten via hun regeringen. Daaronder ook landen van buiten de Europese Unie.

BoW
(in NL) Staat voor 'Blik op Werk'. Onafhankelijk kwaliteits- en kennisinstituut dat de deelname aan de arbeidsmarkt wil toegankelijker en duurzamer maken voor iedereen. BoW beheert het Blik op Werk-Keurmerk. Dat wordt uitgereikt aan bedrijven die ervoor zorgen dat mensen op een kwalitatieve en duurzame manier kunnen deelnemen aan de maatschappij.

Website: www.blikopwerk.nl.
bpb
(in VL) Staat voor 'bewijs van pedagogische bekwaamheid'.

Getuigschrift dat aangeeft dat de houder ervan een pedagogische scholing gevolgd heeft. Een bekwaamheidsbewijs bestaat uit verschillende elementen:

  • het basisdiploma: bijvoorbeeld diploma van master van de taal en letteren, diploma van geaggregeerde lager secundair onderwijs, diploma van hoger technisch onderwijs;
  • een bewijs van pedagogische bekwaamheid: bijvoorbeeld diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs.
    Opgelet: sommige diploma's - bijvoorbeeld van (kleuter)onderwijzer combineren in één diploma zowel het basisdiploma als het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
  • eventueel nuttige ervaring: voor een aantal ambten of vakken kan de praktijkervaring, d.i. de tijd waarin men als werknemer of zelfstandige een beroep of ambacht uitoefende buiten het onderwijs, , als een onderdeel van het bekwaamheidsbewijs erkend worden.
In Nederland vergelijkbaar met het bewijs van bekwaamheid en het bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding.
bpt
(in VL) Staat voor 'bijzondere pedagogische taken'.

Deel van het lestijdenpakket dat scholen kunnen gebruiken om bijzondere pedagogische taken uit te voeren. De lestijden (ook: bpt-uren) kunnen toegewezen worden aan het onderwijzend personeel, het paramedisch personeel en het medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel, maar uitsluitend voor schoolgebonden opdrachten. Ze zijn gericht op het optimaliseren van de pedagogisch-didactische organisatie. Dit kan onder meer gebeuren door het toekennen van coördinatieopdrachten aan personeelsleden. De uren mogen ook toegekend worden aan een directeur die met een gedeeltelijke onderwijsopdracht belast is. Scholen mogen maximum drie procent van het toegekende lestijden- en urenpakket reserveren voor bijzondere pedagogische taken.

bpv
(in NL) Staat voor 'beroepspraktijkvorming'.

Iedere mbo-opleiding bevat een praktijkdeel. Dat wordt in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) beroepspraktijkvorming (bpm) genoemd.

Hiervoor wordt ook gebruik gemaakt van de term 'praktijkleren'.

BPV werd ingevoerd in 1996 en is een essentieel onderdeel van elke beroepsopleiding, ongeacht de leerweg of het niveau. Het onderdeel beslaat 20 tot 80 % van de studieduur en moet met succes worden doorlopen om een diploma te behalen.

brede school
(in NL)

Samenhangend netwerk van toegankelijke en goede voorzieningen voor kinderen, jongeren en gezin, met de school als middelpunt. Het systeem is opgericht met drie doelen: de ontwikkelingskansen van kinderen vergroten, een continue ontwikkelingslijn realiseren en een sluitend netwerk rond het kind creëren.

Inhoudelijke samenwerking tussen scholen en andere instellingen is hét kenmerk van brede scholen. Hoe die samenwerking vorm krijgt, met welke instellingen een school samenwerkt en wat ze daarmee wil bereiken, hangt af van plaatselijke behoeften en omstandigheden. Brede scholen zijn er dus in vele soorten en maten. Ze zijn ook overal te vinden.

Website: http://www.bredeschool.nl/website/index.html.

Zie ook: vensterschool.

Opgelet: In Vlaanderen heeft brede school een afwijkende betekenis.

brede school
(in VL) Verzamelnaam voor scholen en organisaties die samen behalve louter kennisoverdracht allerlei nevendiensten willen aanbieden, gericht op de integrale ontwikkeling van leerlingen. Tegelijk wil men door dit stimulerend aanbod een krachtige leeromgeving creëren, die extra kansen biedt aan achtergestelde groepen, en/of een zinvolle vrijetijdsbesteding voor kinderen uit gezinnen waar beide ouders uit werken gaan.

Website: www.bredeschool.org.

Opgelet: in Nederland wordt het begrip brede school enigszins anders ingevuld.

brossen
(in VL) Informele benaming voor 'spijbelen'.

Afgeleid woord: 'brosser'.
brugklas
(in VL)

Eerste jaar van het secundair onderwijs voor leerlingen vanaf 11 jaar die geen getuigschrift basisonderwijs behaalden, ook eerste leerjaar B of brugjaar genaamd. Voor deze brugklas wordt een apart kerncurriculum vastgelegd. Na de brugklas kunnen leerlingen overstappen naar het eerste jaar A of naar het tweede beroepsvoorbereidende leerjaar (bvl).

Opgelet: in Nederland heeft brugklas een andere betekenis.

brugklas
(in NL) Startjaar of -jaren in het voortgezet onderwijs. De meeste scholen voor voortgezet onderwijs hebben een brugklas van één jaar. Aan de hand van de resultaten die de leerling in de brugklas behaalt, kiest hij daarna voor vmbo, havo of vwo. De brugklas is vergelijkbaar met het eerste jaar resp. de eerste graad van het secundair onderwijs in Vlaanderen.

Opgelet: in Vlaanderen heeft brugklas een andere betekenis.
bso
(in VL) Staat voor 'beroepssecundair onderwijs'.

Het bso of beroepssecundair onderwijs is een van de vier onderwijsvormen waarvoor jongeren na de eerste twee jaren van het secundair onderwijs kunnen kiezen. Deze onderwijsvorm richt zich op jongeren die vooral al doende leren.

In de derde graad worden hun lesuren opgesplitst in praktijk en stage enerzijds en algemene vorming en technische scholing anderzijds. Het bso wil leerlingen tot het niveau brengen van de startende vakman. Leerlingen die afstuderen in het bso behalen een getuigschrift in het zesde jaar. Slagen ze in een aansluitend zevende jaar, dan behalen ze het diploma secundair onderwijs, dat hen het recht geeft een hogere studie aan te vatten.

Opmerkingen:

  1. Er zijn in Vlaanderen ook een aantal scholen die het bso via een modulair systeem aanbieden.

  2. Er bestaat in het bso ook een vierde graad. Die start na het zesde jaar. In het schooljaar 2008-2009 werd die vierde graad omgevormd tot HBO5. Een voorbeeld is de driejarige opleiding voor verpleegkundige. Daarnaast bestaan in deze graad ook de tweejarige richtingen kleding en plastische kunsten. Zie ook: asbo.
bubao
(in VL) Staat voor 'buitengewoon basisonderwijs'.

Onderwijsvorm bedoeld voor kinderen die tijdelijk of permanent speciale hulp nodig hebben. Mogelijke redenen daarvoor zijn een lichamelijke of geestelijke handicap, ernstige gedragsproblemen, emotionele problemen, zware leerstoornissen etc. In het buitengewoon basisonderwijs onderscheidt men negen types:

  1. kinderen met een lichte mentale handicap;
  2. kinderen met een matige of zware mentale handicap;
  3. kinderen met ernstige emotionele problemen en/of gedragsproblemen;
  4. kinderen met een lichamelijke handicap;
  5. kinderen die voor langere tijd zijn opgenomen in een ziekenhuis;
  6. kinderen met een visuele handicap;
  7. kinderen met een auditieve handicap;
  8. kinderen met ernstige leerstoornissen;
  9. voor jongeren met autismespectrumstoornis, maar zonder verstandelijke beperking (sinds september 2015).
Een school voor buitengewoon basisonderwijs kan een of meer types organiseren. Type 1 en 8 worden niet georganiseerd in het buitengewoon kleuteronderwijs (bko).

Voor Nederland, zie: 'Speciaal Onderwijs'.

buitengewoon onderwijs
(in VL) Niet-officieel ook 'bijzonder onderwijs' genoemd. Onderwijsvorm bedoeld voor leerlingen die tijdelijke of permanent speciale hulp nodig hebben. Mogelijke redenen daarvoor zijn een lichamelijke of geestelijke handicap, ernstige gedragsproblemen, emotionele problemen, zware leerstoornissen. Er zijn drie onderwijsniveaus:
  1. bko (buitengewoon kleuteronderwijs) voor leerlingen van 2,5 tot 6 à 8 jaar;
  2. blo (buitengewoon lager onderwijs) voor leerlingen van 6 tot 13 à 15 jaar (bko en blo vormen samen het buitengewoon basisonderwijs);
  3. buso (buitengewoon secundair onderwijs) voor leerlingen van 13 (eventueel 12) tot 21 jaar of ouder.
De start- en eindleeftijd wordt gedeeltelijk bepaald door de aard van de handicap of het probleem.

De term buitengewoon onderwijs wordt ook gebruikt in Nederland, maar officieel spreekt men daar van speciaal onderwijs.

buizen
(in VL) Gemeenzame uitdrukking voor 'zakken', 'niet slagen voor een examen'. Naar analogie met het werkwoord buizen, wordt ook wel over 'een buis' gesproken: 'Hij heeft dit jaar vijf buizen.'
Bureau ICE
(in NL) Staat voor 'Bureau Interculturele Evaluatie'.

Bureau ICE is actief op het gebied van toetsing. Sinds de oprichting in 1990 heeft Bureau ICE een belangrijke rol gespeeld in de wereld van NT2 en inburgering. Bureau ICE ontwikkelt al ruim 20 jaar (taal)toetsen, traint het docenten in dit vakgebied, en helpt het scholen actief op weg met het vormgeven en het concreet uitvoeren van taalbeleid.

De ondersteuningsactiviteiten van ICE zijn gericht op het vaststellen van taalachterstanden, het diagnosticeren van de oorzaken, het wegwerken van de achterstanden en het stimuleren van de verdere ontwikkeling van taal- en rekenvaardigheid. Bureau ICE werkt zowel in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs.

Website: www.bureau-ice.nl.

Bureau voor Nieuwkomers
(in NL)

Het Bureau voor Nieuwkomers helpt immigranten in Nederland een nieuw bestaan op te bouwen. Het bureau voert daarmee de Wet Inburgering Nieuwkomers (Win) uit. Deze wet is door de Nederlandse overheid in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat deze mensen zich zo snel mogelijk zelfstandig kunnen redden.

Het Bureau voor Nieuwkomers verplicht nieuwkomers van buitenlandse afkomst om een inburgeringsprogramma te volgen. Dat bestaat uit de volgende onderdelen:

  • gemiddeld 600 uur Nederlandse taal;
  • een cursus maatschappijoriëntatie;
  • een cursus beroepenoriëntatie;
  • maatschappelijke begeleiding;
  • trajectbegeleiding.
Immigranten moeten het inburgeringsprogramma binnen een jaar afronden door een landelijke toets Nederlandse taal en Maatschappijoriëntatie af te leggen. Na afronding ontvangen zij het 'inburgeringscertificaat'.

buso
(in VL) Staat voor 'buitengewoon secundair onderwijs.'

Onderwijs voor tot jongeren van 13 tot 21 jaar met een handicap of met leer- of opvoedingsmoeilijkheden. De structuur van het buitengewoon secundair onderwijs bestaat uit vier opleidingsvormen. Binnen elke opleidingsvorm kan men leerlingen uit verschillende types samenbrengen. Er zijn zeven types:

  1. type 1: voor jongeren met een lichte mentale handicap;
  2. type 2: voor jongeren met een matige of ernstige mentale handicap;
  3. type 3: voor jongeren met karakteriële stoornissen;
  4. type 4: voor jongeren met een fysieke (= lichamelijke) handicap;
  5. type 5: voor langdurig zieke jongeren;
  6. type 6: voor jongeren met een visuele handicap;
  7. type 7: voor jongeren met een auditieve handicap;
  8. type 9: voor jongeren met autismespectrumstoornis, maar zonder verstandelijke beperking.
De onderverdeling in opleidingsvormen heeft te maken met de doelstellingen die men nastreeft.

Zie ook: buitengewoon onderwijs.

In Nederland spreekt men van speciaal voortgezet onderwijs.
bve
(in NL) Staat voor 'beroepsonderwijs en volwasseneneducatie'.

Overkoepelende benaming voor beroepsopleidingen en de volwasseneneducatie.

Zo'n 39 procent van de Nederlandse beroepsbevolking heeft een beroepsopleiding achter de rug. Elk jaar kiezen ongeveer 435 000 jongeren voor een beroepsopleiding in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo).

Regionale opleidingencentra (roc's) bieden naast beroepsonderwijs ook volwasseneneducatie aan. Zo'n 200 000 volwassenen maken daar elk jaar gebruik van. Zij leren onder andere (beter) lezen en schrijven, volgen inburgeringsprogramma's of een vmbo-, havo- en vwo-opleiding.

bvl
(in VL) Staat voor 'beroepsvoorbereidend leerjaar'.

Tweede leerjaar in het secundair onderwijs dat voorbereidt op een bso-richting. Vervolg op het eerste leerjaar B.

In het bvl (ook wel eens 2bvl genoemd) krijgen de leerlingen de kans om naast de basisvorming kennis te maken met enkele beroepenvelden. Op basis daarvan kiezen ze dan vanaf de tweede graad bso een meer definitieve richting.

Niet te verwarren met beroepsvoorbereidend onderwijs in Nederland.

BVNT2
(in NL+VL) Staat voor 'beroepsvereniging van docenten Nederlands als tweede taal'. Deze Nederlands-Vlaamse vereniging biedt docenten (Nl)/leraren (Vl) NT2 een platform voor informatie-uitwisseling, belangenbehartiging en deskundigheidsbevordering, advies, ondersteuning. De beroepsvereniging organiseert onder andere de jaarlijkse NT2-conferentie.

Meer info: http://www.bvnt2.org.
CBE
(in VL) Staat voor 'Centrum voor Basiseducatie'.

Een onafhankelijke, pluralistische instelling waar laaggeschoolde volwassenen lessen kunnen volgen om beter mee te kunnen in de maatschappij.

Zie: basiseducatie.
cbo
(in NL) Staat voor 'cursorisch beroepsonderwijs'.

Verzamelterm voor leerlingwezen, deeltijd-mbo en specifieke scholingen.

Zie ook: Wet Educatie en Beroepsonderwijs

CDO
(in VL) Staat voor 'Centrum voor deeltijdonderwijs'. Een instelling waar scholieren deeltijdonderwijs kunnen volgen.

Zie: deeltijdonderwijs.
ce
(in NL) Staat voor 'centraal examen'.

Afsluitend examen van het voortgezet onderwijs (vo) in Nederland. Het centraal examen kent verschillende soorten toetsen:

  1. Het vmbo basisberoepsgerichte leerweg kent voor de praktijkvakken een centraal schriftelijk en praktisch examen (cspe) en uitsluitend voor de algemeen vormende vakken een centraal schriftelijk examen (cse);
  2. Het vmbo kaderberoepsgerichte leerweg heeft naast het cse (centraal schriftelijk examen), voor de praktijkvakken ook nog een cie (centrale integratieve eindtoets);
  3. Het vmbo gemengde leerweg, vmbo theoretische leerweg, havo en vwo hebben alleen een cse (centraal schriftelijk examen).
CED
(in NL) Staat voor 'Centrum voor Educatieve Dienstverlening'.

Synoniem voor schoolbegeleidingsdienst.

CED-Groep
(in NL)

Voorheen het Centrum Educatieve Dienstverlening. CED-groep is een onderwijsbegeleidingsdienst uit Rotterdam die werkt aan kwaliteitsverbetering in onderwijs en jeugdzorg.

Bijzonder aan het CED is haar deskundigheid op het gebied van achterstandsbestrijding, onderwijs aan leerlingen uit minderheidsgroepen en onderwijs aan kinderen met ontwikkelings-, leer- of gedragsproblemen. CED-groep is de ontwikkelaar van Nieuwsbegrip, een veelgebruikt instrument dat begrijpend lezen en actualiteit met elkaar verbindt.

Website: www.cedgroep.nl.

cefr
(in NL+VL) Staat voor 'Common European Framework of Reference'.

Zie: Gemeenschappelijk Europees Referentiekader.

Centra voor Middenstandsopleiding
(in VL) Oude benaming voor Syntra.
Centrum voor Taal en Spraak
(in VL)

Het Centrum voor taal en spraak (UA Antwerpen) is in 2006 opgegaan met het ICTL/Steunpunt Taal en Communicatie (UFSIA Antwerpen) en Didascalia in Linguapolis, naar aanleiding van de fusie van de Antwerpse universiteiten UFSIA en UA.

certificaat
(in NL) Officieel bewijs van met succes geleverde prestaties voor een afgerond leergeheel (vak, cursus ...). Voor een met succes afgerond vak of deelkwalificatie kan een leerling/cursist een certificaat krijgen. Meerdere certificaten kunnen leiden tot een diploma, ter afsluiting van een volledige opleiding. Certificaten worden behaald in het algemeen vormend onderwijs (avo), het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo), educatie en beroepsonderwijs (sinds 1 augustus 1997) en de Open Universiteit.
CEVO
(in NL) Staat voor 'Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven'.

De CEVO is in 2010 opgegaan in het College voor Examens (CvE).

chemie
(in NL+VL) Wetenschappelijk vak in het voortgezet/secundair onderwijs, ook 'scheikunde' genoemd.
CINOP
(in NL) CINOP is een (inter)nationaal adviesbureau op het gebied van leren, opleiden en ontwikkelen. CINOP is gevestigd in 's Hertogenbosch. De organisatie werkt, samen met zijn opdrachtgevers, aan duurzame oplossingen en innovatie voor opleiders, organisaties en overheden.

Website: www.cinop.nl.
Cito
(in NL) Staat voor 'Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling'.

Instituut dat standaardtesten, examens en examensystemen ontwikkelt voor het basisonderwijs en de basisvorming. Via het Cito-leerlingvolgsysteem kan men resultaten van een individuele school vergelijken met landelijke gemiddelden. De Cito-groep meet (leer)prestaties om leerlingen en cursisten enerzijds en onderwijsleerprocessen en onderwijssystemen anderzijds te beoordelen. Naast het ontwikkelen en aanbieden van toetsen ondersteunt de Cito-groep organisaties en onderwijsgevenden met advies, training en cursussen op het gebied van toetsing en evaluatie.

Website: www.citogroep.nl.

Cito-groep
(in NL) Oude naam van het Cito.
Citotoets
(in NL)

Zie Eindtoets Basisonderwijs.

ckv
(in NL) Staat voor 'culturele en kunstzinnige vorming'.

Schoolvak dat leerlingen in contact brengt met allerlei vormen van kunst en cultuur. Afhankelijk van de onderwijsvorm wordt ckv anders ingevuld. Men spreekt van ckv 1, 2 en 3. Gymnasiumleerlingen krijgen in plaats van ckv 1 het vak klassieke culturele vorming (kcv).

Ckv is een verplicht vak, maar leerlingen moeten er geen examen voor afleggen. Het wordt gegeven door leerkrachten met een eerstegraadsbevoegdheid voor een kunstvak of een taal. Scholen benoemen bovendien een of twee kunstcoördinatoren, die onder meer contacten onderhouden met culturele instellingen en bemiddelingsinstanties.

Als extra stimulans voor het vak heeft het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de ckv-bon in het leven geroepen, een betaalmiddel voor culturele uitstappen. De basisvormingsbonnen staan op naam van de school, andere bonnen staan op naam van leerlingen en studenten.

CLB
(in VL) Staat voor 'Centrum voor Leerlingenbegeleiding'.

Vroeger 'PMS-MST'. Door de overheid gefinancierde dienst waarop leerlingen, ouders, leerkrachten en schooldirecties een beroep kunnen doen voor informatie, hulp en begeleiding. Het CLB waakt over het welbevinden van leerlingen en speelt een belangrijke rol bij de contacten tussen leerlingen, ouders, school, welzijns- en gezondheidsinstellingen. De begeleiding door het CLB is gratis en werkt op vier domeinen:

  1. leren en studeren;
  2. de schoolloopbaan;
  3. preventieve gezondheidszorg;
  4. sociaal-emotionele ontwikkeling.
De CLB's zijn per onderwijsnet georganiseerd.

De Nederlandse pendant is schoolbegeleidingsdienst.

CLB-inspectie
(in VL) Staat voor 'Inspectie Centra voor Leerlingenbegeleiding'.

Team van deskundigen dat kwaliteit beoordeelt van de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB's). De CLB-inspectie:

  • geeft advies over de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden;
  • gaat na of en hoe de centra hun begeleidingsopdracht realiseren;
  • controleert de uitvoering van de decretale en reglementaire bepalingen;
  • gaat na of het beleidsplan of het beleidscontract alle vereiste elementen bevat;
  • oefent toezicht uit op de toepassing van de taalwetgeving, de hygiëne en de bewoonbaarheid van de lokalen en de kwaliteit van de uitrusting;
  • ziet erop toe of de centra een kwaliteitsbeleid voeren;
  • brengt beleidsadviezen uit over de werking van de centra;
  • controleert of de contractueel aanvullende opdrachten die het CLB aanneemt voldoen aan de voorwaarden vermeld in het CLB-decreet.
CNaVT
(in NL+VL) Staat voor 'Certificaat Nederlands als Vreemde Taal'.

Project van de Nederlandse Taalunie dat wordt uitgevoerd door het Centrum voor Taal en Onderwijs (KU Leuven). Het CNaVT is verantwoordelijk voor toetsing en certificering van leerders die het Nederlands als Vreemde Taal leren. Binnen die taak ontwikkelt het CNaVT examens Nederlands als Vreemde Taal (NaVT) en stelt een takenbank samen voor leerkrachten Nederlands over de hele wereld.

Website: www.cnavt.org.

college
(in NL+VL) In Vlaanderen en Nederland:
  1. Les van een hoogleraar;
  2. School voor voortgezet/secundair onderwijs. In Vlaanderen zijn colleges altijd vrije scholen, die oorspronkelijk enkel toegankelijk waren voor jongens (de tegenhanger, lycea, waren oorspronkelijk enkel toegankelijk voor meisjes). Sinds 1994 mag in Vlaanderen echter niemand meer de toegang worden geweigerd tot een secundaire school op basis van geslacht.
Enkel in Nederland:
  1. Courant gebruikt als naam voor een scholengemeenschap;
  2. Courant gebruikt als naam voor regionale opleidingscentra.
collegegeld
(in NL+VL) Bedrag dat studenten moeten betalen om aan de colleges van een universiteit of hogeschool te mogen deelnemen. In sommige landen, bv. de Scandinavische landen (Denemarken, Noorwegen, Zweden) is het collegeld nihil. In andere landen betalen studenten een uniform collegegeld (Nederland, Engeland, Vlaanderen) of een variabel collegegeld (Australië, Nieuw-Zeeland).
combinatieklas
(in NL) Ook wel 'combinatiegroep' genoemd. Een klas met leerlingen uit meer dan één leerjaar, bv. een klas waar kinderen uit het eerste en tweede leerjaar samenzitten.

In Vlaanderen noemt men dit een graad(s)klas.
Comenius
(in NL+VL)

De Europese Commissie heeft een aantal van haar vroegere programma's in het domein van onderwijs en opleiding gegroepeerd in het Programma Erasmus+. Het Comenius-programma is daar één van. Het richt zich tot alle geledingen van het schoolonderwijs: het basisonderwijs, alle vormen van het secundair onderwijs (ASO, TSO, (D)BSO en KSO), het buitengewoon (basis- en secundair) onderwijs maar ook de lerarenopleiding en nascholing.

Het wil bij jongeren en het onderwijspersoneel de kennis over de culturele en taalkundige diversiteit in Europa ontwikkelen en de waarde daarvan laten inzien en ervaren. Daarenboven beoogt het bij de doelgroep de basisvaardigheden en -competenties die nodig zijn voor de persoonlijke ontwikkeling, de toekomstige tewerkstelling en het actief Europees burgerschap te verscherpen.

Dit gebeurt concreet door subsidie te bieden voor het ondersteunen van regionale samenwerking op het gebied van schoolonderwijs en de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken tussen regio's en gemeentes in Europa over onderwerpen die door de regio's in kwestie gekozen worden.

Zie ook: Leonardo da Vinci, Grundtvig, Erasmus.

In Vlaanderen worden de Europese programma's begeleid door EPOS.
In Nederland worden de Europese programma's begeleid door EP-Nuffic.

Commissie Laakbare Praktijken
(in VL) Oude benaming voor commissie zorgvuldig bestuur.
concentratieschool
(in VL) Een school die een hoge concentratie aan leerlingen heeft met een gelijkaardige etnische of sociale achtergrond. In de praktijk vooral gebruikt voor scholen waarvan de meerderheid van de leerlingen van allochtone afkomst is. In dat geval spreekt men ook wel van 'zwarte school'.
confessionele school
(in VL) School uit het gesubsidieerd vrij onderwijs. Confessionele scholen organiseren hun onderwijs op basis van een religie. Zo zijn er onder meer katholieke, protestantse, joodse, orthodoxe en islamitische scholen.

In Nederland vergelijkbaar met de bijzondere school.

conrector
(in NL) Onderdirecteur, oorspronkelijk alleen van een gymnasium, nu ook van scholen of scholengemeenschappen die voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) aanbieden.

Synoniem: mederector.

Opgelet: in Vlaanderen noemt men deze functie onderdirecteur.

contactonderwijs
(in NL+VL) Traditionele vorm van onderwijs, met directe interactie tussen leerling en leerkracht/docent.
contacturen
(in NL) Het aantal uren dat er effectief 'contact' (les) is in het hoger onderwijs. Het aantal contacturen wordt meestal uitgedrukt per leerstofonderdeel.
counselor
(in NL) Leerkracht of andere daartoe aangestelde persoon binnen de school die fungeert als vertrouwenspersoon voor de leerlingen, bij wie de leerlingen terecht kunnen met persoonlijke problemen, die niet direct met de studie of de school te maken hebben.

Zie ook: mentor en decaan.

In Vlaanderen spreekt men van groene leerkracht.
covaartest
(in VL) Afkorting voor 'cognitieve vaardigheidstest'.

Studievaardigheidstest die onthaalbureaus voor basiseducatie helpt om te bepalen in welk studieniveau anderstalige nieuwkomers thuishoren. De test werd ontwikkeld in opdracht van de werkgroep volwassenen van de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR).

Covab
(in SR) Staat voor 'Centrale Opleiding voor Verpleegkundige en Aanverwante Beroepen'.

Covab is een overheidsinstelling voor verpleegkundig beroepsonderwijs. Zij biedt een negental opleidingen aan. Tot de hogere opleidingen worden gerekend: de opleiding tot leraar in de verpleegkunde, de opleiding voor verpleegkundige in de maatschappelijke zorg, de managementopleiding voor kaderpersoneel en de opleiding tot anesthesieverpleegkundige.

CPS
(in NL) Staat voor 'Christelijk Pedagogisch Centrum'.

Een landelijk pedagogisch centrum in Nederland, gevestigd in Amersfoort. Het CPS geeft advies, organiseert cursussen, conferenties en studiedagen, verricht onderzoek en ontwikkelt materiaal voor het totale onderwijsveld.

Website: www.cps.nl.

crebo
(in NL) Staat voor 'centraal register beroepsopleidingen'.

Het centraal register beroepsopleidingen (crebo) is een verzameling van gegevens die betrekking hebben op de opleidingen uit het beroepsonderwijs die door de bekostigde en niet-bekostigde instellingen verzorgd worden. Het crebo bevat een overzicht van opleidingen per instelling en registreert voor elke deelkwalificatie welke exameninstellingen de externe legitimering kunnen verzorgen.

CSBO
(in VL) Staat voor 'Centrale voor Studie- en Beroepsoriëntering'.

Voormalige naam van de koepelorganisatie van de vrije centra voor leerlingbegeleiding (CLB's). Nu VCLB-Koepel.

cspe
(in NL) Staat voor 'centraal schriftelijk en praktisch examen'.

Samentrekking van cse (centraal schriftelijk examen) en cpe (centraal praktisch examen). Sinds 2005 de enige examenvorm voor het centraal examen (ce) in het beroepsgerichte programma (afdelingsvak of intrasectoraal programma) in de basisberoepsgerichte leerweg (bb). Daarin wordt de vaktheorie uit het beroepsgerichte vak gekoppeld aan de praktijkopdrachten.

CTM
(in VL) Staat voor 'Centrum voor Taal en Migratie'.

De oude benaming voor wat sinds 2006 Centrum voor Taal en Onderwijs heet.

CTO
(in VL) Staat voor 'Centrum voor Taal en Onderwijs'.

Het CTO (vroegere naam: Centrum voor Taal en Migratie) is een universitair centrum verbonden aan de K.U.Leuven dat al sinds 1990 het taalvaardigheidsonderwijs Nederlands in Vlaanderen ondersteunt door middel van onderzoek, de ontwikkeling van materialen en het bieden van begeleiding en nascholing.

Het CTO is actief in alle onderwijsgeledingen, en werkt samen met scholen, bedrijven, organisaties en overheden die werk willen maken van taalonderwijs Nederlands.

Het CTO is één van de drie partners die samen het Steunpunt GOK vormen. Binnen die structuur worden de activiteiten van het vroegere Steunpunt NT2 voortgezet.

Meer info: www.cteno.be.

cumifaciliteiten
(in NL) Extra middelen die een school krijgt toegewezen voor leerlingen uit culturele minderheden, die extra aandacht nodig hebben om zich aan te passen aan het Nederlandse onderwijs. Zo'n leerling krijgt een factor toegekend en kan bv. voor anderhalve leerling tellen in de toekenning van subsidies (bv. 1,9 voor allochtone leerlingen, 1,25 voor sociaal achtergestelde leerlingen, 1,4 voor leerlingen met een handicap enz.; het maximum is 1,9).
De extra middelen zijn vooral 'docentenuren' en eventueel geld om tijdelijk een extra leerkracht aan te trekken. Het komt er in de praktijk op neer dat een 'zwarte school'. met veel allochtone leerlingen meer leerkrachten (en dus kleinere klassen) heeft dan een 'witte school'. De mate van cumitoekenning hangt af van de vraag hoe ver de kennis van de leerling achterloopt en hoeveel extra begeleiding er nodig is.
cumileerlingen
(in NL) Zie: cumifaciliteiten.
curriculum
(in NL+VL)

Samenhangend geheel van studieonderdelen die samen een opleiding vormen. Een curriculum omvat een plan voor onderwijzen en leren, dat bestaat uit schoolboeken, modules, cursussen, lespakketten, leerplannen en lijsten met eindtermen. Deze plannen kunnen worden opgesteld voor een enkele les, een bepaald leerjaar of voor een schooltype/onderwijsvorm.

Curriculum.nu
(in NL) Curriculum.nu is een gezamenlijk initiatief van de Onderwijscoöperatie, PO-raad, VO-raad, AVS, LAKS en Ouders & Onderwijs. In de uitvoering wordt inhoudelijk samengewerkt met SLO. Curriculum.nu organiseert de participatie van scholen aan de ontwikkeling van nieuwe eindtermen en kerndoelen. Meer informatie op https://curriculum.nu.
CvE
(in NL) Staat voor 'College voor examens'.

De CvE heeft een coördinerende en toezichthoudende taak bij het maken van landelijke schriftelijke examens voor het reguliere voortgezet onderwijs, de volwasseneneducatie, de staatsexamens voor VO en voor Nederlands als tweede taal (NT2). Sinds 2010 kwamen daar de centrale examens voor het mbo bij.

De CvE produceert zelf geen examenopgaven. Zij geeft een opdracht voor de productie van de opgaven en de toetsen voor het centraal examen aan de Cito-groep, en begeleidt het productiewerk.

CVEN
(in NL) Staat voor 'Commissie Vernieuwing Eindexamenprogramma's Nederlands'.

Een door het Ministerie van Onderwijs ingestelde commissie die in 1991 een rapport publiceerde met voorstellen om de Eindexamenprogramma's voor Nederlands te hervormen. Deze hervormingen hadden vooral betrekking op een uitbreiding van de domeinen en de lesstof van het vak Nederlands.

Ondanks protesten hiertegen van het sectiebestuur Nederlands van Levende Talen vakvereniging VON, die vreesden voor een te hoge werkdruk voor de docenten, werden deze voorstellen grotendeels overgenomen.

Cvl
(in NL) Staat voor 'Commissie voor Indicatiestelling'.

Selectieorgaan voor leerlinggebonden financiering. Volgens de Wet op de leerlinggebonden financiering mag een leerling die aangewezen is op een school voor speciaal onderwijs (so), daar alleen naartoe als de commissie voor indicatiestelling daarover een uitspraak heeft gedaan. De commissie onderzoekt de leerling niet zelf, maar bekijkt de gegevens van een leerling en beslist op basis daarvan of deze leerling in aanmerking komt voor leerlinggebonden financiering (lgf), ook wel 'Rugzak' genoemd.

CVO
(in VL) Staat voor 'Centrum voor Volwassenenonderwijs'.

Een instelling waarin volwassenen onderwijs kunnen volgen.

Zie: volwassenonderwijs.

CVPO
(in VL) Staat voor 'Cel voor het Vlaams Provinciaal Onderwijs'.

Voormalige naam van het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen, de koepelorganisatie van alle provinciale scholen in het Vlaamse Gewest.

Zie: POV.

CvTE
(in NL) Staat voor ‘College voor Toetsen en Examens’. Nieuwe benaming voor ‘Centrum voor examens’ sinds 1 augustus 2014 omdat er een nieuwe taak bij kwam: de uitvoering van de centrale eindtoets in het primair onderwijs.

Het CvTE blijft, net zoals het CvE, verantwoordelijk voor verschillende toetsen en examens. Ze zijn werkzaam in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs, en NT2. Het CvTE waakt over het niveau en de kwaliteit van de examens in samenspraak met het onderswijsveld.
CZB
(in VL) Staat voor 'Commissie Zorgvuldig Bestuur'.

Onafhankelijk klachtenbureau voor onderwijs. Wie een mogelijke inbreuk op de onderwijswetgeving vaststelt of hiervan het slachtoffer is, kan zich tot deze commissie richten. Zorgvuldig bestuur betekent dat scholen (basis, secundair, deeltijds kunstonderwijs en internaten) en centra (centra voor leerlingenbegeleiding en centra voor volwassenonderwijs) zich in de dagelijkse werking aan een aantal principes moeten houden:

  • kosteloosheid;
  • eerlijke concurrentie;
  • verbod op politieke activiteiten;
  • handelsactiviteiten;
  • reclame en sponsoring;
  • participatie.

D-cursus
(in VL) Verouderde benaming van Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid (GPB). De GPB-opleiding wordt nu specifieke lerarenopleiding (slo) genoemd.
daltonschool
(in NL+VL)

Daltonscholen hanteren een vorm van methodeonderwijs die steunt op drie grote principes: verantwoordelijkheid, zelfstandigheid en samenwerking.

De wortel van het daltononderwijs ligt in 1905 in een school in Wisconsin in de Verenigde Staten. De jonge, net afgestudeerde onderwijzeres Helen Parkhurst werd er aangesteld om als enige leerkracht de veertig kinderen van zes tot en met twaalf jaar op dit eenmansschooltje les te geven. De pas begonnen docente koos voor een onderwijsvorm afgestemd op het individu in plaats van het frontale klassikale onderwijs.

Zie ook: methodeschool, traditionele vernieuwingsschool.

dbso
(in VL) Staat voor 'deeltijds beroepssecundair onderwijs'.

Vanaf de leeftijd van vijftien of zestien jaar kunnen Vlaamse leerlingen het regulier dagonderwijs verlaten en kiezen voor deeltijds leren. Een mogelijkheid is het deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso). Daarvoor kunnen jongeren terecht in een centrum voor deeltijds onderwijs (cdo), dat verbonden is aan een tso- of bso-school.
De leerlingen krijgen enkele dagen per week les en gaan de andere dagen werken in een zaak. Zij kunnen er industriële beroepen aanleren, zoals kantoorbediende, lasser, keukenhulp, dakdekker, carrossier enz. Deze opleidingen worden gehonoreerd met een studiegetuigschrift, soms aangevuld met een kwalificatiegetuigschrift.

Debatstichting
(in NL+VL) Nederlands-Vlaamse stichting die de ontwikkeling van taal-, argumentatie-, en debatvaardigheden van jongeren willen ondersteunen. De stichting is in 2016 opgericht op initiatief van docenten uit Nederland en Vlaanderen. De stichting organiseert de Benelux Debatcompetitie, zette de DebatUnie, een platform voor docenten, op en maakt lesmateriaal voor docenten die met debatteren aan de slag willen gaan in de klas. De Debatstichting wordt ondersteund door de Nederlandse Taalunie.

Voor meer informatie: http://debatstichting.nl.
decaan
(in NL+VL) In Nederland en Vlaanderen:
hoofd van een faculteit aan een universiteit.

Alleen in Nederland:
een leraar in het voortgezet onderwijs (vo) of op een hogeschool die leerlingen helpt bij profielkeuze, bij studie- en beroepskeuze, of bij de keuze van vakken. (In deze betekenis ook wel 'schooldecaan' genoemd.)
In de tweede fase is de decaan een tweedelijnfunctionaris geworden, die het hele keuzeproces op het gebied van studie en beroep moet aansturen. Het is meestal de mentor die de gesprekken met de leerling voert.
decreet
(in VL) Wettelijke akte uitgevaardigd door het gemeenschapsparlement en de gemeenschapsregering of door de gewestraad en -regering. Een decreet staat op hetzelfde niveau als een wet. Omdat onderwijs in België sinds 1989 een geregionaliseerde materie is (elke Gemeenschap beslist autonoom over haar onderwijswetgeving), spreekt men sindsdien niet van een nieuwe onderwijswet maar van een nieuw onderwijsdecreet.
decrolyschool
(in NL+VL)

School die werkt volgens de beginselen van de Belgische psycholoog en pedagoog Ovide Decroly (Ronse 23 juli 1871-Brussel 12 sept. 1932). Als doctor in de geneeskunde stichtte hij in 1901 in Ukkel een school voor geestelijk en/of fysiek gehandicapte kinderen. Na veel studie en onderzoek paste hij zijn beginselen toe op normale kinderen, in wat hij noemde de 'école pour la vie par la vie' (school voor en door het leven). Zijn ideeën zijn sterk vervlochten met de totaliteitspsychologie. Voor het onderwijs ontleent hij hieraan vier principes:

  1. het concretiseren van de leerstof;
  2. de actieve deelname van het kind;
  3. de globalisatie (het kind ziet eerder het geheel dan de delen);
  4. de belangstellingscentra.
Zie ook: methodeschool, traditionele vernieuwingsschool.

deelkwalificatie
(in NL)

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) kent eindtermen die aangeven wat de leerlingen aan kennis en vaardigheden moeten leren. Het examenprogramma wordt vastgesteld op basis van deze eindtermen en ingedeeld in onderdelen die overeenkomen met zogenaamde deelkwalificaties. Een deelkwalificatie is dus een hoeveelheid bij elkaar horende leerstof uit een mbo-opleiding.

Deelkwalificaties hebben elk een betekenis in het kader van de beroepsuitoefening of doorstroming naar het vervolgonderwijs:

  • men heeft recht op het diploma wanneer men alle deelkwalificaties behorende bij de opleiding met een voldoende heeft afgesloten;
  • wanneer men na het behalen van het diploma wil doorstuderen, krijgt men vrijstelling voor die deelkwalificaties die men reeds heeft behaald in een eerdere opleiding.
Zie ook: kernkwalificatie.

deeltijdonderwijs
(in VL) In Vlaanderen moeten alle leerlingen tot hun achttien jaar onderwijs volgen. Vanaf de leeftijd van vijftien of zestien jaar kan een leerling wel overstappen naar het deeltijdonderwijs.
De vijftienjarige die een werkgever-opleider vindt, kan kiezen voor het leercontract. Zijn baas geeft hem een praktijkopleiding, die aangevuld wordt met een bijscholing bij Syntra.

Of de leerling kiest voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso). Daarvoor kan hij terecht in een centrum voor deeltijds onderwijs (cdo), dat verbonden is aan een tso- of bso-school. De leerling krijgt enkele dagen per week les en gaat de andere dagen werken. Hij kan industriële beroepen aanleren, zoals kantoorbediende, lasser, keukenhulp, dakdekker, carrossier enz. Deze opleidingen worden gehonoreerd met een studiegetuigschrift, soms aangevuld met een kwalificatiegetuigschrift.

Websites: www.syntravlaanderen.be; www.syntra.be; www.deeltijdsonderwijs.be.

Opgelet: in Nederland heeft deeltijdonderwijs een iets andere betekenis.
deeltijdonderwijs
(in NL)

1. Deeltijdse opleidingen komen voor in het hoger beroepsonderwijs (hbo) en in de volwasseneneducatie, maar ook in het voortgezet onderwijs (vo), in het kader van de partiële leerplicht.

Zodra een leerling op 16-jarige leeftijd zijn volledige leerplicht beëindigt, begint zijn partiële leerplicht, die een jaar duurt. De leerling moet dan in principe gedurende twee dagen geregeld onderwijs volgen aan een instelling voor gedeeltelijke leerplicht. Partieel leerplichtige jongeren die een beroepspraktijkovereenkomst hebben in een bepaalde bedrijfstak volgen één dag per week onderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) en volgen vier dagen per week de praktijkopleiding.

Opgelet: in Vlaanderen heeft deeltijdonderwijs een iets andere betekenis.

2. Hoger onderwijs

  • dat gedurende minder dan 7 maanden gegeven wordt;
  • van gedurende 7 maanden of meer dat minder dan 16 klokuren of 19 lesuren per week wordt gegeven;
  • dat gegeven wordt aan studenten voor wie het volgen van onderwijs niet de voornaamste bezigheid is.
Zie ook: voltijdonderwijs.

deliberatie
(in VL) De beslissing aan het einde van een schooljaar of een leerling al dan niet slaagt. Dat gebeurt in de delibererende klassenraad.
delibererende klassenraad
(in VL) Vergadering van leerkrachten die lesgeven in hetzelfde leerjaar van een secundaire school, bijgestaan door de schooldirecteur. De delibererende klassenraad beslist aan het eind van het schooljaar of een leerling al of niet slaagt (dit wordt 'deliberatie' genoemd).

Afhankelijk van het leerjaar beslist de delibererende klassenraad over de toekenning van een oriënteringsattest, een getuigschrift, een studiegetuigschrift of een diploma.

Zie ook: klassenraad.
Deltaplan Inburgering
(in NL) Het Deltaplan Inburgering is een actieplan dat werd aangekondigd in 2007 in het coalitieakkoord van het kabinet Balkenende IV. Het doel van het Deltaplan Inburgering is om de kwaliteit van de inburgering danig te verbeteren dat meer mensen erin slagen om hun inburgeringstraject af te ronden met een hoger niveau en zowel economisch, sociaal als cultureel kunnen participeren in de samenleving.
departement Onderwijs
(in VL)

De volledige term luidt: departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. Vlaamse tegenhanger van het Nederlandse ministerie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het verschil met Nederland is dat Onderwijs in België gefederaliseerd is. Dat houdt in dat Vlaanderen, het Brussel Hoofdstedelijk Gewest en de Franstalige Gemeenschap hun eigen onderwijsadministratie, -financiering en -beleid hebben.

Website: www.ond.vlaanderen.be.

detachering
(in VL) Leerkrachten kunnen tijdelijk hun loopbaan onderbreken om in te gaan op een detachering. Dat is een statuut waarbij deze leerkrachten gedurende een of meer jaren een functie buiten de school op zich nemen, die een beroep doet op hun pedagogische vaardigheden en bekwaamheden.
Gedetacheerde leerkrachten gaan bijvoorbeeld aan de slag in het jeugdwerk, een cultureel centrum, een niet-gouvernementele organisatie, een overheidsdienst. Na afloop van zijn opdracht of detacheringsperiode keert de leerkracht terug naar zijn school en neemt hij zijn onderwijstaak weer op.
Diatoetsen
(in NL+VL) Nieuwe en uitgebreide versie van ‘Diataal’. Reeks van methodeonafhankelijke diagnostische toetsen voor taal en rekenen. De toetsen worden zowel in Nederland als in Vlaanderen gebruikt. Bij de toetsen is ook oefenmateriaal ontwikkeld.

Meer informatie op diatoetsen.be of diatoetsen.nl.
Didascalia
(in VL)

Didascalia is in 2006 met het Centrum voor taal en spraak (UIA Antwerpen) en het ICTL/Steunpunt Taal en Communicatie (UFSIA Antwerpen) opgegaan in Linguapolis.

diploma
(in NL)

Officieel bewijsstuk dat een persoon voldaan heeft aan de eisen die een eindexamen aan hem gesteld heeft. Een diploma wordt bij het met succes afronden van een bepaalde opleiding uitgereikt aan leerlingen uit het algemeen vormend onderwijs (avo), het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), educatie en beroepsonderwijs (na 1-8-97) en voor de deeltijdopleiding tot leraar speciaal onderwijs (so).

Opgelet: in Vlaanderen heeft de term diploma een iets andere invulling

diploma
(in VL)

Schriftelijk bewijs van een met succes afgeronde studierichting in het secundair en/of hoger onderwijs. Aan het eind van het lager onderwijs krijgen leerlingen geen diploma, maar het getuigschrift basisonderwijs. De klassenraad kan ook beslissen om een getuigschrift basisonderwijs toe te kennen aan leerlingen die het volledig lager onderwijs (nog) niet doorlopen hebben (bijvoorbeeld aan een hoogbegaafde leerling uit het vierde of vijfde leerjaar).

Opgelet: in Nederland heeft de term diploma een iets andere invulling.

Diploma A1, A2, A3, enz.
(in VL) Vroegere benamingen voor diploma's in verschillende onderwijsniveaus. Afgestudeerden in een hogeschool behaalden een A1-diploma, afgestudeerden in het technisch secundair onderwijs (tso) behaalden een A2-diploma, enz.
dissertatie
(in NL+VL) Zie: proefschrift.
Diva
(in VL) Staat voor 'Dienst Informatie Vorming en Afstemming'.

Diva vzw is omgevormd tot het Regionaal Technologisch Centrum of RTC-Netwerk.

Deze overheidsdienst had tot doel het vormingsbeleid in Vlaanderen te stroomlijnen en permanente vorming te stimuleren. De Edufora (overlegorganen tussen de organisaties die actief zijn in het volwassenenonderwijs in Vlaanderen) werden in deze dienst geïntegreerd. Diva was onder andere verantwoordelijk voor wordwatjewil.be, een website waarop men kan zoeken naar opleidingen van een groot aantal aanbodsverstrekkers.
dko
(in VL) Staat voor 'deeltijds kunstonderwijs'. 170 'academies' bieden een curriculum aan binnen vier hoofdopleidingen: dans, muziek, woordkunst en visuele kunsten. De opleidingen worden aangeboden op halftijdse basis (avonden, woensdagmiddagen, weekends). Omdat de opleidingen van het deeltijds kunstonderwijs niet onder de leerplicht vallen, dient een inschrijvingsgeld betaald. De term volwassenenonderwijs is hier wat misleidend. Het dko staat immers open voor alle leeftijden. 75 procent van de studenten zijn zelfs jonger dan achttien.
docent
(in NL) Leraar in het middelbaar of hoger onderwijs.

Opgelet: in Vlaanderen heeft docent een andere betekenis.
docent
(in VL) Hoogleraarsgraad beneden ordinarius (= gewoon hoogleraar aan een universiteit). Behalve door docenten wordt aan de hogeschool ook onderwijs verstrekt door lectoren, assistenten en professoren.

Voor een volledige beschrijving van de ambten in de Vlaamse hogescholen, zie hogeschoolpersoneel.

Opgelet: in Nederland heeft docent een andere betekenis.
doctor
(in NL+VL) Hoogste academische graad die een universiteit aan haar studenten kan geven. Normaal gebeurt dit na het afleggen van examens en/of het vervaardigen en verdedigen van een proefschrift.

In Nederland:
In Nederland worden het doctoraat en de daarbij behorende titel van doctor verworven door een promotie aan een universiteit. Hiertoe dient men een proefschrift te schrijven onder supervisie van een of meer promotoren. Ook kan men na het behalen van een wo-diploma tijdens een vierjarige aanstelling als assistent in opleiding (aio) een dissertatie schrijven.

In Vlaanderen:
In Vlaanderen wordt de graad (en wettelijke titel) van doctor in de rechten, doctor in de letteren en wijsbegeerte en doctor in de wetenschappen uitsluitend verkregen door een promotie op een proefschrift. Het doctoraat in de godgeleerdheid en in het kerkelijk recht is geen wettelijke maar een wetenschappelijke titel. Die verkrijgt men door een promotie op een proefschrift. Andere doctoraten, bv. in de politieke en sociale wetenschappen, in de economische wetenschappen, in de psychologie, in de pedagogische wetenschappen, in de criminologie enz. worden eveneens toegekend als wetenschappelijke titel, bij een promotie op een proefschrift.
In de geneeskunde was het tot 1991 zo dat wie afstudeerde aan de opleiding genees-, heel- en verloskunde, automatisch de titel 'doctor in de geneeskunde' mocht dragen. Vanaf 1991 is deze situatie gelijkgetrokken, en dient men ook in de geneeskunde te promoveren op een proefschrift om de titel 'doctor' te verwerven.
doctoraalexamen
(in NL) Benaming voor het examen dat tot 2003 werd afgelegd voor het behalen van de titel 'doctorandus'. Met het doctoraalexamen sloten de studenten hun studie af.

Zie doctorandus.

doctoraalscriptie
(in NL+VL) Benaming tot 2003 voor masterproef.
doctoraat
(in NL+VL)

De hoogste academische graad die men kan behalen. De titel die daaraan verbonden is, heet doctor.

In Vlaanderen gebruikt men de termen doctoraat en doctoraatsthesis ook om een proefschrift aan te duiden.

doctoraatsthesis
(in VL)

Synoniem voor proefschrift.

doctorandus
(in NL) Benaming tot 2003 voor 'master'.

Wettelijk beschermde titel. Wie aan een Nederlandse universiteit of hogeschool met goed gevolg een doctoraal examen heeft afgelegd waaraan niet de titel van meester of ingenieur is verbonden, mag zich doctorandus noemen.

Opgelet: sinds het Bologna-akkoord voor de hervorming van het hoger onderwijs in Europa, spreekt men van 'master'. Dat geldt ook voor Vlaanderen, waar men voor Bologna de term 'licentiaat' gebruikte.

Zie ook: bachelor-master.

Opgelet: doctorandus heeft in Vlaanderen een iets andere betekenis.

doctorandus
(in VL)

In Vlaanderen gebruikt om iemand aan te duiden die een academisch proefschrift maakt.

Opgelet: doctorandus heeft in Nederland een iets andere betekenis.

doorlichting
(in VL)

De Vlaamse onderwijsinspectie gaat via schooldoorlichtingen na of de school haar maatschappelijke opdracht vervult en/of de gemeenschapsgelden op verantwoorde wijze worden gebruikt. Zij doet dit in opdracht van de overheid. Op basis van een doorlichting brengt de inspectie een advies uit over het al of niet erkennen of subsidiëren van scholen. Het inspectieteam heeft de volle bevoegdheid voor alle vakken die op school worden aangeleerd, met uitzondering van filosofische of godsdienstige vakken. Daarnaast heeft de inspectie een adviesfunctie naar het beleid toe. De informatie over de effecten van het gevoerde beleid op de scholen en het onderwijs in het algemeen is belangrijk voor de verdere uitstippeling van het beleid. De taken van de inspectie zijn bij wet vastgelegd.

Het inspectieteam:

  • controleert de ontwikkeling en realisatie van de leerplannen die zijn goedgekeurd door de regering;
  • controleert of de school de vak- of leergebiedgebonden eindtermen bereikt en of ze de ontwikkelingsdoelen en/of vak- of leergebiedoverschrijdende eindtermen in voldoende mate nastreeft;
  • controleert de toepassing van de schooltijd;
  • controleert de hygiëne van de schoolaccommodatie, de taalwetgeving, de onderwijs- en schooluitrusting;
  • geeft advies over de financiering van de onderwijsinstellingen;
  • formuleert beleidsadviezen over het onderwijs.
De inspectie controleert niet louter of een aantal wettelijke voorschriften qua onderwijs worden nageleefd, maar heeft ook aandacht voor de bredere schoolcontext, zoals het schoolklimaat, de relaties tussen de verschillende groepen, de infrastructuur ...

De vertegenwoordigende organen van elke erkende filosofische of religieuze gemeenschap organiseren zelf de inspectie en de ondersteuning van de filosofische en godsdienstige vakken die op school worden onderwezen.

doorstroom
(in NL) Lineaire overgang naar een hoger leerjaar of onderwijstype, of naar een hogere studierichting.
dubbelen
(in VL) Synoniem voor zittenblijven, een jaar overdoen, doubleren. In Vlaanderen noemt men dit verder ook 'overzitten' en 'bissen'.
DUO
(in NL) Staat voor ‘Dienst Uitvoering Onderwijs’. De dienst voert de onderwijswetten- en regelingen uit. Verder is DUO verantwoordelijk voor de studiefinanciering voor studenten, scholieren en leraren. MBO-studenten betalen hun lesgeld aan DUO. Ten slotte ondersteunt DUO de gemeenten ook bij het uitvoeren van de Wet Inburgering. Ontstaan in 2010 als fusie van de IB-groep en het ICO. Website: www.duo.nl.
DVO
(in VL) Staat voor 'Dienst voor Onderwijsontwikkeling'.

Zie: Entiteit Curriculum.

eao
(in NL+SR) Staat voor 'economisch en administratief onderwijs'.

Studierichting binnen het (hoger) beroepsonderwijs (hbo).

Voor Suriname, zie ook: imeao

ebo
(in SR) Staat voor 'eenvoudige beroepsonderwijs'.

Het eenvoudig beroepsonderwijs bestaat uit het eenvoudig technisch onderwijs (eto) en het eenvoudig nijverheidsonderwijs (eno). De opleidingen duren elk in totaal achttien maanden, waarin drie blokcursussen van zes maanden worden gegeven.

educatie
(in NL) Volwasseneneducatie gericht op het leren functioneren in de samenleving. Het omvat opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren, opleidingen Nederlands als tweede taal en opleidingen gericht op sociale redzaamheid.

Opgelet: in Vlaanderen spreekt men van basiseducatie.
educatieve medewerker
(in VL)

Lesgevers in de basiseducatie in Vlaanderen worden gewoonlijk 'educatieve medewerkers' genoemd.

Edufora
(in VL) Tot 2003 de benaming voor subregionale overlegorganen tussen organisaties in het volwassenenonderwijs die met overheidsmiddelen werken. Sinds 31 maart 2003 is de eduforawerking opgenomen in Diva, de Dienst Informatie Vorming en Afstemming van de Vlaamse overheid, later omgevormd tot het Regionaal Technologisch Centrum of RTC-Netwerk.
EDventure
(in NL)

Koepel van Nederlandse onderwijsadviesbureaus.

Website: www.edventure.nu.

eenheidsstructuur

Zie eenheidstype
eenheidstype
(in VL)

In 1989 ingevoerde vernieuwing op het vlak van de structuur van het secundair onderwijs. Het eenheidstype verzoende het in 1975 ingevoerde vernieuwd secundair onderwijs (vso, type 1) en het traditionele secundair onderwijs dat men type 2 noemt.

Niet te verwarren met de onderwijstypes in het buitengewoon onderwijs.

Zie ook: onderwijstype, vernieuwd secundair onderwijs.

eerste jaar B
(in VL) Zie: brugklas.
eerstelijnszorg
(in VL)

Zorg voor leerlingen die prioritair bij de school ligt. Elke school organiseert de studieoriëntering van leerlingen, pakt leerproblemen aan en vangt de sociaal-emotionele problematiek op. Het centrum voor leerlingbegeleiding (CLB) is een ondersteunende instantie hiervoor. In tegenstelling tot vroeger houdt het zich niet meer met álle leerlingen bezig, maar enkel met die leerlingen die een bijzondere opvang vragen (tweedelijnszorg), waarvoor de school tekortschiet. Het CLB kan zich ook toespitsen op de kinderen bij wie de problemen dreigen groter te zijn: kleuters en kinderen van de eerste en zesde klas, de 1B-brugklas, enz.

eersteopvangschool
(in NL) Officiële benaming voor wat vroeger 'internationale schakelklas' heette. Het betreft een overgangsklas, een schooltype voor leerlingen die nog niet toe zijn aan het reguliere voortgezet onderwijs (vo), omdat ze het Nederlands nog onvoldoende beheersen. Bedoeling is dat de leerlingen na de schakelklas doorstromen naar het regulier onderwijs.

Opgelet: In Vlaanderen spreekt men van onthaalklas. De term schakelklas wordt er slechts sporadisch gebruikt, met een iets andere betekenis.
eindexamen
(in NL) Het eindexamen van voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) en de algemene vakken in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) bestaat uit twee delen:
  1. het schoolexamen (tot 1998 'schoolonderzoek' genoemd) wordt georganiseerd door de school;
  2. het centraal examen (ce): dit is een landelijk examen dat voor alle scholen gelijk is.
eindtermen
(in NL+VL) In Nederland:
Omschrijvingen van de kennis en vaardigheden waarover een leerling of student aan het eind van ieder onderwijsniveau moet beschikken. Er zijn zowel eindtermen voor het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs, het hoger onderwijs als de volwassenenducatie.
De eindtermen voor het basisonderwijs worden kerndoelen genoemd.

In Vlaanderen:
Minimumdoelen op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid als noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. Scholen moeten deze eindtermen realiseren in het gewoon lager onderwijs (lo) en in het secundair onderwijs. De overheidsinspectie controleert tijdens regelmatige doorlichtingen of dit inderdaad gebeurt. Voor het kleuteronderwijs en het buitengewoon onderwijs heeft de overheid ontwikkelingsdoelen geformuleerd, die de eindtermen vervangen.
De eindtermen taal in het Vlaamse onderwijs kan men nalezen op de website van het departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap: eindtermen taal lager onderwijs en eindtermen taal secundair onderwijs.

De eindtermen dienen als basis bij het uitschrijven van de leerplannen.
eindtoets basisonderwijs
(in NL)

Deze toets, beter bekend als de Citotoets, is ontwikkeld door de Cito Groep. Veel Nederlandse basisscholen nemen deze toets af van hun leerlingen en stellen aan de hand van de toetsresultaten een advies op voor het vervolgonderwijs.

Ook de 'ontvangende' school in het voortgezet onderwijs moet het eens zijn met de gemaakte keuze en er kan eventueel nader overleg of een heroverweging plaatsvinden.

Basisscholen kunnen deze toets ook gebruiken om hun resultaten te meten en te vergelijken met andere scholen.

EN
(in NL) Staat voor 'Expertisecentrum Nederlands'.

Centrum dat de beschikbare expertise op het terrein van de NT1- en NT2-didactiek bundelt, uitbreidt en geschikt maakt voor leerkrachten in de klas, met interactief taalonderwijs als centrale doelstelling.

Website: www.expertisecentrumnederlands.nl.

Entiteit Curriculum
(in VL)

De Entiteit Curriculum (vroegere naam: Dienst Voor Onderwijsontwikkeling - DVO) ressorteert onder het departement Onderwijs, ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De dienst vervult vooral een beleidsvoorbereidende opdracht. In die zin geeft hij wetenschappelijk onderbouwde adviezen aan de Vlaamse regering en aan de onderwijsminister. De huidige activiteiten van de Entiteit Curriculum omvatten:

  • eindtermen en ontwikkelingsdoelen;
  • ontwikkeling van instrumenten;
  • voorbereiding opleidingenstructuur;
  • adviseren en deskundigheidsinbreng;
  • beleidsvoorbereidend studiewerk;
  • samenwerkingsverbanden met andere diensten van het departement Onderwijs;
  • internationale samenwerkingsverbanden;
  • publicaties en implementatie eindtermen en ontwikkelingsdoelen;
  • dienstverlening.
Deze activiteiten hebben betrekking op een of meer onderwijsniveaus of ze behandelen thema's die relevant zijn voor alle niveaus.

Website: www.ond.vlaanderen.be/curriculum.

enveloppenfinanciering
(in VL)

Subsidieregeling voor de hogescholen, ingevoerd in 1986. De Vlaamse Gemeenschap draagt met een jaarlijkse uitkering bij in de financiering van de werking van de hogescholen. De hogeschool beslist autonoom over de besteding ervan (werkingsmiddelen, personeelskost, enz.). In Nederland werd de enveloppenfinanciering op bredere schaal ingevoerd.

In Nederland spreekt men van lumpsumfinanciering.

Epno
(in NL) Staat voor 'Europees Platform voor het Nederlandse Onderwijs'.

In 1990 door de minister van Onderwijs & Wetenschappen ingesteld nationaal samenwerkingsverband. Sinds 1 januari 1994 is het Platform een stichting van de onderwijskoepelorganisaties: de Nederlandse Algemeen Bijzondere Schoolraad (NABS), de Nederlandse Katholieke Schoolraad (NKSR), de Nederlandse Protestants-Christelijke Schoolraad (NPCS) en het Contactcentrum Bevordering Openbaar Onderwijs (CBOO) / Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Het Epno heeft als opdracht het versterken van de Europese dimensie en het bevorderen van de internationalisering van het onderwijs in Nederland. Het voert een verscheidenheid aan activiteiten uit, waarvan het functioneren als agentschap voor gesubsidieerde internationaliseringprogramma's tot de belangrijkste taak behoort. Het betreft hier onder andere het Europese programma Socrates, gefinancierd door de Europese Commissie, en de nationale programma's en bilaterale programma's, gefinancierd door het Nederlandse Ministerie van Onderwijs.

Websites:
EPNO: www.europeesplatform.nl.
NKSR: www.nksr.nl.
CBOO: www.cboo.nl.
VNG: www.vng.nl.

EPOS
(in VL) Staat voor 'Europese Programma's voor Onderwijs, Opleiding en Samenwerking'.

EPOS vzw is het agentschap dat door de Vlaamse overheid belast is met het implementeren van het Europees Programma Leonardo da Vinci, Grundtvig en Erasmus.

Website: www.epos-vlaanderen.be

De Nederlandse tegenhanger van EPOS is EP-Nuffic.

Erasmus
(in NL+VL) Sinds 2014 heeft de Europese Commissie een aantal van haar vroegere programma's in het domein van onderwijs en opleiding gegroepeerd in het Programma Erasmus+ dat het voormalige programma Een Leven Lang Leren (Lifelong Learning Programme, LLP) vervangt. Erasmus is er één van. Het is bedoeld om de Europese activiteiten van hogeronderwijs-instellingen te ondersteunen en de mobiliteit en uitwisseling van studenten, docenten en stafleden te bevorderen.

Universiteiten en hogescholen die over een Erasmus University Charter (EUC) beschikken kunnen deelnemen aan het Erasmus-programma en een aanvraag voor subsidie doen. De toegekende gelden kunnen worden gebruikt om de studenten- en stafmobiliteit mogelijk te maken.. Erasmus ondersteunt ook intensieve programma's, multilaterale projecten en netwerken of andere initiatieven die passen binnen het kader van de doelstellingen van Erasmus.

Zie ook: Leonardo da Vinci, Grundtvig, Comenius.

In Vlaanderen worden de Europese programma's begeleid door EPOS.
In Nederland worden de Europese programma's begeleid door Nuffic.

Erasmus+
(in NL+VL) Internationaal programma van de EU dat het programma Een Leven Lang Leren (Lifelong Learning Programme, LLP) vervangt. Het Erasmus+-programma loopt van 2014-2020. De basisgedachte wil mensen ongeacht hun leeftijd of achtergrond stimuleren om zich voortdurend te ontwikkelen ofwel een leven lang te leren. Het Erasmus+-programma omvat ook de voormalige programma’s Erasmus, Grundtvig en Leonardo da Vinci.
ERK
(in NL+VL) Staat voor ‘Europees Referentiekader Talen’. Dit is een vastgesteld Europees Referentiekader van niveauomschrijvingen voor moderne vreemde talen. Het ERK onderscheidt zes niveaus van taalbeheersing: wat moet je kunnen op een bepaald niveau en hoe goed moet je het kunnen.
  • A-niveau: basisgebruiker - A1 en A2
  • B-niveau: onafhankelijke gebruiker - B1 en B2
  • C-niveau: vaardige gebruiker - C1 en C2
Deze niveaus worden gebruikt als maatstaf bij officiële toetsen en examens. Website: http://taalunieversum.org/inhoud/erk-nederlands.
ervaringsgericht onderwijs
(in NL+VL)

Onderwijsmethode die het beste wil halen uit lerenden door te focussen op de kwaliteit van het proces, met name het welbevinden en de betrokkenheid van de lerenden. Van de leerkracht en alle betrokkenen bij de school wordt een ervaringsgerichte houding verwacht, uitgaande van aanvaarding, echtheid en empathie. Waar sommige scholen vooral uitgaan van aanbod en andere van producten (testgegevens), richt het ervaringsgericht onderwijs zich op het proces dat zich afspeelt in kinderen, in de groep. Leerkrachten hebben aandacht voor een goed voorbereide omgeving en ruimte voor initiatieven van kinderen, en zijn in gesprek met kinderen. Zij hebben permanente aandacht voor de betrokkenheid en het welbevinden van kinderen en nemen interventies op basis van die observaties, waardoor diepgaand leren tot stand komt op eigen niveau en tempo. Het ervaringsgericht onderwijs wil op die manier bijdragen tot een gave emotionele ontwikkeling, fundamenteel leren, ontwikkeling in de breedte en meer verbondenheid.

Zie ook: methodeschool, traditionele vernieuwingsschool.

Websites: www.cego.be; www.cego.nl.

eto
(in SR) Staat voor 'eenvoudig technisch onderwijs'.

Een driejarige opleiding die aan jongeren eenvoudige, technische vakopleidingen biedt.

ETS
(in SR) Staat voor 'Eenvoudige Technische School'. Op de Eenvoudige Technische School wordt eenvoudig technisch onderwijs (eto) verzorgd.
Europees Platform
(in NL)

Het Europees Platform was tot 2015 belast met het uitvoeren van nationale, bilaterale en Europese onderwijsprogramma's gericht op studiebezoeken van leraren en schoolleiders, uitwisselingen van leerlingen, grensoverschrijdende onderwijssamenwerking en tweetalig onderwijs, versterkt talenonderwijs en vroeg vreemdetalenonderwijs.

Sinds 2015 is het Europees Platform met Nuffic gefusioneerd tot EP-Nuffic en later weer tot Nuffic.

Zie ook: Erasmus, Comenius, Grundtvig en Leonarde Da Vinci.

Website: www.nuffic.nl

De Vlaamse tegenhanger van het Europees Platform is Epos.

evc
(in NL+VL) Staat voor 'elders verworven competenties'.

Systeem om kennis en kunde te erkennen die op het werk of in de vrije tijd werden opgedaan. Die competenties kunnen geofficialiseerd worden en ingezet worden voor eventuele vrijstellingen tijdens de lerarenopleiding.

EVO
(in VL) Staat voor 'Educatieve Vereniging voor Ouderwerking in het Officieel Onderwijs'.

Oude benaming voor de ondersteunende koepelorganisatie voor het officieel onderwijs. De Educatieve Vereniging voor Ouderwerking in het officieel onderwijs wordt eind 2010 opgeheven. Haar taken worden overgenomen door de Koepel van Ouderverenigingen van het Officieel Gesubsidieerd Onderwijs en GO!Ouders.

Zie ook: koepel van ouderverenigingen.

examen
(in VL)

Vorm van productevaluatie in het secundair en hoger onderwijs. In België werd bij de hervorming van het secundair onderwijs het traditionele examen vervangen door een vorm van globale evaluatie, zodat examen er als verzamelterm kan worden gebruikt voor toetsen, proefwerken, enz. In de praktijk wordt de term examen nog vaak gebruikt in zijn oorspronkelijke betekenis. Examens worden nog wel afgelegd in het hoger onderwijs, voor het verkrijgen van de bachelor- en mastertitels of de andere academische graden, geaggregeerde en doctor.

Opgelet: in Nederland heeft examen een iets andere betekenis.

examen
(in NL)

Afsluiting van een opleiding of een deel daarvan. Het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en de algemene vakken in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) zijn voltooid na het examen.

De meeste opleidingen in beroepsonderwijs en educatie kunnen worden afgesloten met een examen of een staatsexamen.

In het hoger onderwijs kan er aan het eind van het eerste studiejaar een propedeutisch examen zijn. Na vier jaar is er een afsluitend examen. Zie ook: centraal examen.

Zie ook: tentamen.

Opgelet: in Vlaanderen heeft examen een iets andere betekenis.

examencommissie
(in NL+VL)

Voor Nederland:
Zie: eindexamen en Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven.

Voor Vlaanderen:
Zie: Examencommissies van de Vlaamse Gemeenschap.

Examencommissies van de Vlaamse Gemeenschap
(in VL) Wie in Vlaanderen geen erkende opleiding heeft gevolgd, kan toch het bijhorende getuigschrift of diploma verkrijgen, door examens af te leggen voor een van de examencommissies van de Vlaamse Gemeenschap (voorheen 'middenjury' genoemd). Er zijn examencommissies voor het basisonderwijs, het secundair onderwijs en het hoger onderwijs (zowel universitair als niet-universitair).

Meer info op de website van het departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap.

In Nederland is er sprake van de staatsexamencommissie.
extra lestijden
(in VL) Subsidie voor bijkomende lesuren, bovenop de wettelijk bepaalde, waarmee een school bv. een bijkomende leraar kan aanstellen om tegemoet te komen aan specifieke onderwijsbehoeften binnen de school.

Zie ook: gelijke onderwijskansen.
extraneus
(in NL) Een extraneus is een universiteitsstudent die geen of verminderd collegegeld betaalt, en daardoor uitsluitend recht heeft op het afleggen van examens en tentamens. Een extraneus mag dus in regel geen lessen bijwonen, noch gebruik maken van de andere onderwijsvoorzieningen en faciliteiten die de universiteit biedt.
Federatie Centra voor Basiseducatie vzw
(in VL)

Koepelorganisatie die de algemene inhoudelijke en organisatorische belangen van de 13 Centra voor Basiseducatie bewaakt en behartigt. De Federatie treedt ten aanzien van verschillende overheden en instanties op als vertegenwoordiger van de aangesloten Centra voor Basiseducatie en geeft beleidsadvies.

finaliteit
(in VL)
  1. Laatste leerjaar (secundair of hoger onderwijs);
  2. Einddoelstelling in het hoger onderwijs.
formatie
(in NL) Met de term 'formatie' wordt in het Nederlandse onderwijs verwezen naar de personeelsbezetting. Bijvoorbeeld: "Dankzij de gewichtenregeling kunnen heel wat scholen rekenen op extra formatie".
formeel onderwijs
(in VL) Formeel onderwijs wordt georganiseerd en aangeboden door reguliere onderwijsinstellingen (bv. CVO's, hogescholen, universiteiten, Syntra...). De kennisoverdracht wordt binnen het formeel onderwijs steeds via een lesgever tot stand gebracht. De diploma's van het formeel onderwijs worden erkend door (a) het ministerie van onderwijs en vorming, (b) het ministerie van landbouw en visserij of (c) het ministerie van landsverdediging. De opleidingen in het formeel onderwijs worden bovendien gekenmerkt door een goed gestructureerde hiërarchie van onderwijsactiviteiten.

In Nederland heeft men het in dit verband over formele educatie.
formele educatie
(in NL) Formele educatie wordt georganiseerd en aangeboden door reguliere onderwijsinstellingen (bv. roc's, hogescholen, universiteiten...). De kennisoverdracht wordt binnen het formeel onderwijs steeds via een lesgever tot stand gebracht. De diploma's van de formele educatie worden erkend door het ministerie van OCW. De opleidingen binnen de formele educatie worden bovendien gekenmerkt door een goed gestructureerde hiërarchie van onderwijsactiviteiten.

In Vlaanderen heeft men het in dit verband over formeel onderwijs.
freinetschool
(in NL+VL)

Methodeschool die werkt volgens de pedagogie van Celestin Freinet. De basisprincipes van dit onderwijs zijn:

  1. Het onderwijs is ervaringsgericht: zelf ontdekken, onderzoeken en uitproberen is de basis van het leren, experimenteren, samenwerken met anderen;
  2. Kinderen werken graag (een kamp bouwen, een verhaal schrijven, een tekening maken...). Het is hun 'natuurlijk bezig zijn', veel meer dan vrijblijvend spelen (bv. computerspelletjes). Dat laatste doen kinderen meestal maar wanneer ze zich vervelen;
  3. De natuur van het kind moet gerespecteerd worden en in principe zijn kinderen en volwassenen gelijkwaardig;
  4. De leerkracht moet rekening houden met alle facetten van elk kind in de klas. Om dit te kunnen waarmaken zijn freinetscholen qua omvang beperkt.
Zie ook: methodeschool, traditionele vernieuwingsschool.

functiebeschrijving
(in VL) Een functiebeschrijving zou het resultaat moeten zijn van onderling overleg tussen de directie en het betrokken personeelslid. Elke functiebeschrijving omvat twee aspecten. De 'resultaatgebieden' geven de belangrijkste domeinen weer waarop binnen de functie resultaten verwacht worden. Ze sommen concreet activiteiten en taken op. De 'competenties' zijn de vaardigheden, bekwaamheden en persoonlijke eigenschappen die het personeelslid nodig heeft om de resultaten te kunnen realiseren.
functioneringsgesprek
(in VL) Periodiek tweegesprek waarin het schoolhoofd (of diens afgevaardigde) en de leerkracht een sterkte-zwakte-analyse maken van het functioneren van de leerkracht. Het gesprek vertrekt van de functiebeschrijving van de leerkracht en maakt het mogelijk om in zijn/haar functioneren sterke en zwakke kanten te ontdekken. Eventueel wordt de functiebeschrijving als gevolg daarvan opnieuw bekeken en aangepast. Een functioneringsgesprek is géén evaluatiegesprek. In Vlaanderen is de functiebeschrijving verplicht voor elke leerkracht (die minstens 104 dagen in dienst is).

In Nederland hanteert men de term POP-gesprek.

funderend onderwijs
(in NL)

Overkoepelende term voor het basisonderwijs (bo) en het voortgezet onderwijs (vo).

In Vlaanderen gebruikt men hiervoor de aanduiding regulier onderwijs.

FVO
(in NL) Staat voor 'Federatie van Ouderverenigingen'.

Samenwerkingsverband van vijf landelijke verenigingen die opkomen voor de belangen van mensen met een verstandelijke handicap, hun ouders en verwanten.

In 2007 is de Federatie voor Ouderverenigingen opgehouden te bestaan. De collectieve taken zijn overgenomen door het Platform VG.

FWO
(in VL) Staat voor ‘Fonds Wetenschappelijk Onderzoek’. Het FWO stimuleert en financiert wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten in Vlaanderen door middel van beurzen voor onderzoekers. Daarnaast stimuleert het FWO ook de samenwerking tussen Vlaamse universiteiten en andere onderzoeksinstellingen.

De Nederlandse tegenhanger is NWO.
fysica
(in VL) Courante aanduiding in het Vlaamse secundair onderwijs voor wat in het Nederlandse voortgezet onderwijs (vo) het vak 'natuurkunde' is.
gammavakken
(in NL) Verzamelterm voor de vakken geschiedenis, aardrijkskunde, maatschappijleer en economie.
geaggregeerde
(in VL)

Verouderde benaming voor een student die de universitaire lerarenopleiding met succes heeft afgerond. Hij/zij behaalde het diploma voor het hoger secundair onderwijs. Dit diploma stelt hem/haar in staat les te geven in de tweede en derde graad van het secundair onderwijs en in het hoger onderwijs.

Zie: aggregatie en specifieke lerarenopleiding (slo)

gecombineerd onderwijs
(in NL+VL) Onderwijsvorm dat afstandsonderwijs en contactonderwijs combineert. Deze onderwijsvorm komt voornamelijk voor in het hoger onderwijs en het volwassenenonderwijs. Gecombineerd onderwijs maakt het leertraject flexibeler: studenten die niet in de mogelijkheid zijn om op regelmatige tijdstippen lessen bij te wonen, kunnen op die manier toch les volgen.
geïntegreerd onderwijs
(in NL) Deze term wordt in Nederland gebruikt voor:
  1. koppelingen tussen het algemeen voortgezet onderwijs (avo) en het beroeps- en/of praktijkgericht onderwijs. In de volwasseneneducatie wordt in dat verband ook gesproken van geïntegreerde trajecten;

  2. onderwijs waarbij verschillende vakken op een geïntegreerde manier worden gegeven, bijvoorbeeld in probleemgeoriënteerd onderwijs.

Soms wordt de term 'geïntegreerd onderwijs' in Nederland ook als synomiem gebruikt voor inclusief onderwijs.

Opgelet 'geïntegreerd onderwijs' heeft in Vlaanderen een andere invulling.

geïntegreerde lerarenopleiding
(in VL) Deze lerarenopleidingen worden georganiseerd als bacheloropleiding in het onderwijs. Zij kunnen leiden naar een diploma van kleuteronderwijzer, leraar in het lager onderwijs (onderwijzer) of leraar in het secundair onderwijs.
Deze opleidingen worden aangeboden in hogescholen en studenten kunnen ermee starten onmiddellijk na hun secundair onderwijs. De studenten verwerven in de geïntegreerde lerarenopleiding zowel een vakinhoudelijke kennisbasis als pedagogische en didactische competenties. Daarin ligt het verschil met de specifieke lerarenopleiding.
gelijkekansenindicatoren
(in VL)

Om op langere termijn te werken aan de onderwijsachterstand van kansarme leerlingen en om hun integratie te bevorderen, kunnen Vlaamse scholen van de overheid aanvullende middelen krijgen voor begeleiding en ondersteuning. Kinderen met minder ontwikkelingskansen worden hierdoor beter geholpen.
Hoeveel extra middelen scholen hiervoor krijgen, wordt bepaald door vijf gelijkekansenindicatoren. Dat zijn vijf vragen die de school over elke leerling beantwoordt. De formulieren met de antwoorden worden verzameld door het departement Onderwijs. Voor het basisonderwijs en de eerste graad van het secundair onderwijs peilen de gelijkekansenindicatoren naar de financiële situatie van het gezin, de taal die thuis gesproken wordt, e.d.

In de tweede en derde graad van het secundair onderwijs wordt bijvoorbeeld gepeild naar het aantal keren dat een leerling reeds een jaar heeft moeten overdoen. De indicatoren kwamen tot stand op basis van wetenschappelijk onderzoek naar factoren die onderwijsachterstand veroorzaken of bestendigen.

Zie ook: wegingscoëfficiënt.

Voor meer informatie, zie: www.ond.vlaanderen.be.

In Nederland gebruikt men de term gewichtenregeling.

Gemeenschappelijk Europees Referentiekader
(in NL+VL)

Het Common European Framework of Reference of het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader is ontwikkeld in opdracht van de Raad van Europa als een ijkpunt voor de beschrijving van taalvaardigheidsniveaus voor de verschillende Europese talen. Instellingen in verschillende Europese landen kunnen dit referentiekader gebruiken om het niveau van hun cursussen, materialen, diploma's en certificaten te situeren.

De niveaus worden beschreven aan de hand van zogenaamde 'can do-statements'. Voor ieder niveau wordt per vaardigheid aangegeven waartoe men in staat is. Naast niveaus voor de vier algemene vaardigheden (spreken, luisteren, schrijven en lezen), worden ook niveaus aangeduid voor zeer specifieke vaardigheden, bijvoorbeeld uitspraak of het houden van presentaties.

Meer info: op de website van de Raad van Europa.

Een Nederlandse vertaling van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader is beschikbaar op het Taalunieversum

gemeentelijk en provinciaal onderwijs
(in VL)

Onderwijs georganiseerd door steden en gemeenten resp. provincies.

Zie: ' gesubsidieerd officieel onderwijs'.

gemeentelijk onderwijs
(in VL) Zie: 'gesubsidieerd officieel onderwijs'.
gemengde leerweg
(in NL) Een van de vijf leerwegen van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo).
Gent-akkoorden
(in NL+VL) Vlaams-Nederlands akkoord over een beleidsmatige samenwerking over alle onderwijsvelden met enkele specifieke aandachtsgebieden, zoals ICT en lerarenbeleid. Op 13 oktober 2003 werd het Gent 6-akkoord ondertekend.
gesubsidieerd vrij onderwijs
(in VL) Tot dit onderwijsnet behoren alle scholen die op privé-initiatief, door een privépersoon of privéorganisatie georganiseerd worden. De inrichtende macht is vaak een vereniging zonder winstoogmerk (vzw).

Het vrij onderwijs bestaat hoofdzakelijk uit katholieke scholen. Zij zijn verenigd in een koepel: het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO). Daarnaast zijn er ook protestantse, joodse, orthodoxe, islamitische... scholen mogelijk.

Naast deze confessionele scholen zijn er ook scholen die niet aan een godsdienst gebonden zijn. Voorbeelden zijn de freinetscholen, de montessorischolen en de steinerscholen die specifieke pedagogische methoden toepassen. Zij worden ook methodescholen genoemd.
getuigschrift
(in NL) Afgestudeerden van een hoger beroepsopleiding (hbo) of een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs (wo) ontvangen een getuigschrift. Hierop worden de studierichting en het vak vermeld. Bij wie met succes een lerarenopleiding heeft afgerond, wordt ook de bevoegdsheidgraad aangegeven. Op getuigschriften van het hbo worden ook vermeld: voltijdopleiding, deeltijdopleiding, de duur van de opleiding en de titel.

In Vlaanderen heeft de term getuigschrift een iets andere betekenis.

getuigschrift
(in VL) Een stuk waarin een getuigenis wordt gegeven omtrent iemands bekwaamheid.

In de loop van het voltijds secundair onderwijs behaalt een leerling verschillende getuigschriften:
  • Als de leerling slaagt in de eerste en tweede graad, krijgt hij telkens een getuigschrift.
  • Bezit een leerling in het secundair onderwijs om een of andere reden nog geen getuigschrift van basisonderwijs, dan krijgt hij dit getuigschrift er bovenop wanneer hij slaagt in het eerste leerjaar A of B of in het beroepsvoorbereidend leerjaar (bvl).
  • Slagen in het derde leerjaar van de tweede graad bso (vervolmakingsjaar) levert eveneens een studiegetuigschrift op. Een dergelijk studiegetuigschrift krijgt de leerling ook na het tweede leerjaar van de derde graad bso en na het derde leerjaar van de derde graad tso en kso (specialisatiejaar).
  • Het bijzonder getuigschrift over de basiskennis van het bedrijfsbeheer wordt behaald in het tweede en derde leerjaar van de derde graad en in de leerjaren van de vierde graad wanneer de leerling het programma bedrijfsbeheer beheerst. Dit studiebewijs is nodig voor leerlingen die willen starten als 'zelfstandige' (= een beroepsactiviteit uitoefenen die in het handels- of ambachtsregister wordt ingeschreven).

In Nederland heeft de term getuigschrift een iets andere betekenis.

gewichtenregeling
(in NL) Naam voor een systeem van wettelijk bepaalde criteria op basis waarvan leerlingen worden 'gewogen'. Het gewicht van een leerling bepaalt de subsidie die de school voor deze leerling krijgt. Het 'basisgewicht' van een leerling is 0,00. Voor leerlingen met een gewicht van 0,25 of hoger ontvangt de school extra ondersteuning. De weging van een leerling vindt plaats bij inschrijving. De wegingscriteria hebben te maken met de leefsituatie van de leerling:
  1. Gewicht van 0,25: Leerlingen van wie beide ouders of verzorgers maximaal een schoolopleiding hebben genoten tot of tot en met het niveau eindexamen voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). Indien het een leerling uit een eenoudergezin betreft, geldt deze opleidingseis alleen voor de ouder die de dagelijkse verzorging van het kind op zich heeft genomen;
  2. Gewicht van 0,4: Leerlingen die verblijven in een internaat of pleeggezin en van wie de vader of moeder het schippersbedrijf uitoefent of heeft uitgeoefend;
  3. Gewicht van 0,7: Leerlingen van wie de ouders werkzaam zijn in het circus- of kermisbedrijf. Leerlingen van wie één van beide ouders of voogden in een woonwagen woont of heeft gewoond;
  4. Gewicht van 0,9: Leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond die tevens voldoet aan één van de volgende voorwaarden: de vader of verzorger heeft een schoolopleiding genoten tot of tot en met het niveau eindexamen voorbereidend beroepsonderwijs de moeder of verzorgster heeft een schoolopleiding genoten tot het niveau eindexamen voorbereidend beroepsonderwijs; de meest verdienende ouder of verzorger oefent een beroep uit in loondienst, waarin hij/zij lichamelijke of handarbeid verricht, of geniet geen inkomsten uit tegenwoordige arbeid
In Vlaanderen spreekt men van gelijkekansenindicatoren.

gip
(in VL) Staat voor 'geïntegreerde proef'.

Proef waarin beroepsvaardigheden, manuele vaardigheden, algemene kennis en communicatievaardigheden evenwichtig en aangepast aan de studierichting aan bod komen. Ze wordt afgelegd door leerlingen die het laatste jaar van het beroepssecundair onderwijs (bso) volgen. Als een leerling nog een aansluitend homologatiejaar (zevende jaar) volgt, leggen ze opnieuw een geïntegreerde proef af.

De gip is voor de leerling een aanleiding om in een realistisch kader beroepsvaardigheden geïntegreerd aan te leren en dit gedurende een heel schooljaar. Doel van de proef is aan te tonen dat de leerling gestructureerd mondeling en schriftelijk kan rapporteren en vragen beantwoorden en geleidelijk complexere taken kan uitvoeren waarin verschillende deelvaardigheden aan bod komen.

De gip moet een duidelijk beeld geven van de rijpheid van de leerling om deel te nemen aan het beroepsleven en om te functioneren in het maatschappelijk proces en is één van de elementen waardoor de delibererende klassenraad zich zal laten leiden bij zijn eindoordeel over de leerling.

In Nederland vergelijkbaar met het profielwerkstuk.

glo
(in SR) Staat voor 'gewoon lager onderwijs'.

Het gewoon lager onderwijs telt zes leerjaren en kinderen worden ingeschreven vanaf hun zesde jaar. Aan het eind van de zesde klas - ze zijn dan meestal twaalf jaar oud - doen alle leerlingen een toelatingstoets voor het meer uitgebreid lager onderwijs (mulo). Wie daar niet voor slaagt, kan naar andere vormen van vervolgonderwijs, zoals lager beroeps gericht Onderwijs (lbgo), lager technisch onderwijs (lto), lager nijverheidsonderwijs (lno), eenvoudig beroepsonderwijs (ebo) en eenvoudig technisch onderwijs (eto).

GO
(in VL) Staat voor 'gemeenschapsonderwijs'. Vroegere benaming voor het 'Go!onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap'
Go! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap
(in VL) Vroeger: 'gemeenschapsonderwijs', 'rijksonderwijs', ook 'officieel onderwijs'. Onderwijs georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap. Scholen die deel uitmaken van dit onderwijsnet moeten voldoen aan bijzondere regelingen rond neutraliteit, zoals bepaald door de grondwet.

Website: www.g-o.be.
Go! ouders
(in VL)

De Vzw GO! ouders is de koepelorganisatie die de ouderwerking ondersteunt in het Vlaamse GO! onderwijs.

GO! ouders is in de plaats gekomen van de Raad voor Ouders van het Gemeenschapsonderwijs (ROGO), die opgeheven is.

Zie ook: koepel van ouderverenigingen.

Meer info: de website van GO! ouders.

goa
(in NL) Staat voor 'gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid'.

Beleid dat zorg biedt aan leerlingen die het risico lopen achterop te raken. Via het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (goa-beleid) wil het ministerie van OCW de leerprestaties en schoolloopbanen van kinderen en jongeren in achterstandssituaties verbeteren, zodat ook zij hun talenten optimaal kunnen ontplooien. Een goa-gemeente bepaalt samen met de schoolbesturen welke scholen in de gemeente in aanmerking komen voor geld of middelen uit het goa-beleid.

In Vlaanderen kent men het gelijkeonderwijskansenbeleid.

GOK
(in VL) Staat voor 'gelijke onderwijskansen'. Door de Vlaamse overheid bij wet (decreet) geregeld geïntegreerd ondersteuningaanbod dat alle kinderen dezelfde optimale mogelijkheden wil bieden om te leren en zich te ontwikkelen. Het decreet wil tegelijk uitsluiting, sociale scheiding en discriminatie tegengaan en heeft daarom speciale aandacht voor kinderen uit kansarme milieus. Het beleid Gelijke Onderwijskansen (of gelijkekansenbeleid) bestaat uit drie onderdelen:
  1. inschrijvingsrecht (GOK I): het recht op inschrijving van een kind in een school naar keuze en de wijze waarop dit recht wordt verzekerd;
  2. zorg (GOK II): een geïntegreerd ondersteuningsaanbod dat de scholen de mogelijkheid biedt een zorgbrede werking te ontwikkelen gericht op kansarme kinderen;
  3. maatwerk in samenspraak (GOK III).
Website: www.ond.vlaanderen.be/GOK.

In Nederland vergelijkbaar met gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (goa).

gon
(in VL) Staat voor 'geïntegreerd onderwijs'.

Met geïntegreerd onderwijs wordt in Vlaanderen een regeling aangeduid die is bedoeld om jongeren met een handicap en/of leer- en opvoedingsmoeilijkheden tijdelijk of permanent, gedeeltelijk of volledig de lessen te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs. Hiervoor krijgt deze school hulp van een school voor buitengewoon onderwijs (bo), die daarvoor aanvullende lestijden krijgt (het GON-pakket).

Het geïntegreerd onderwijs kan georganiseerd worden in het kleuter-, lager , secundair en hoger onderwijs (maar niet in het universitair onderwijs). De begeleiding van GON-leerlingen in het hoger onderwijs gebeurt door een school voor buitengewoon secundair onderwijs (buso), omdat er in geen scholen voor buitengewoon hoger onderwijs bestaan.

Opgelet: geïntegreerd onderwijs is niet helemaal hetzelfde als inclusief onderwijs, al worden beide termen vaak wel door elkaar gebruikt.

In Nederland bedoelt men met dit begrip dan weer vaak iets anders.

Meer info: op de website van het Departement Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap.

GPB
(in VL) Staat voor 'Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid'.

Oude benaming van de specifieke lerarenopleiding (slo) die wordt aangeboden als volwassenenonderwijs. De opleiding is evenwaardig met de lerarenopleidingen (zie de oude term aggregatie ) aan hogescholen en universiteiten en vormt vooral leerkrachten voor beroepsvakken of sommige technische vakken. (Vroegere benaming: D-cursus.)

graad
(in VL) Periode van twee opeenvolgende leerjaren (onpaar + paar) in het lager en secundair onderwijs. Beide onderwijsniveaus tellen drie graden. De gradenstructuur is een pedagogisch-didactisch gegeven. In het eerste jaar van een graad wordt vooral nieuwe leerstof aangeboden, terwijl in het tweede jaar het accent ligt op consolidatie, verdieping en verruiming.

In het secundair onderwijs is de gradenstructuur ook een organisatorisch-administratief gegeven. Zo is de eerste graad qua leerstof voor alle leerlingen gemeenschappelijk. Pas in de tweede en derde graad kiezen zij voor een onderwijsvorm en studierichting. Per graad wordt aan de leerlingen ook een attest uitgereikt.

In het beroepssecundair onderwijs (bso), meer bepaald in de afdelingen kleding, verpleging en kunst, bestaat ook een zogenaamde 'vierde graad' (asbo).
graadcoördinator
(in VL) Leerkracht die geheel of gedeeltelijk wordt vrijgesteld voor coördinerende taken binnen twee leerjaren die samen een 'graad' vormen.
graadklas
(in VL) Een klas met leerlingen uit twee opeenvolgende leerjaren, uit een graad. Bijvoorbeeld een klas waar kinderen uit het eerste en tweede leerjaar samenzitten.

In Nederland noemt men dit een combinatieklas.
graduaat
(in VL)

Tot 2003 de benaming van een driejarige opleiding aan een hogeschool in Vlaanderen, vergelijkbaar met het Nederlandse hoger beroepsonderwijs (hbo).

Het decreet van de Vlaamse overheid van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen stelt dat graduaatsdiploma's die vóór het academiejaar 2004-2005 afgeleverd zijn door instellingen voor hoger onderwijs met volledig leerplan of door de centrale examencommissie, zijn gelijkgeschakeld met de graad van 'bachelor'.

Meer info over graduaat.

Meer info over bachelor-masterstructuur.

groene leerkracht
(in VL) Leerkracht op Vlaamse scholen die fungeert als vertrouwenspersoon voor de leerlingen en bij wie de leerlingen terecht kunnen met persoonlijke problemen.

Zie ook: Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB).

In Nederland noemt men deze functie counselor.
groep
(in NL) Leerjaar of leeftijdsgroep in het basisonderwijs. Nederlandse kinderen starten op vierjarige leeftijd in groep 1 en verlaten het basisonderwijs, als alles goed gaat, zodra ze groep 8 achter de rug hebben.
groepsleraar
(in NL) Leerkracht die lesgeeft aan een specifieke leeftijdsgroep en die de leerlingen begeleidt.

Synoniem met klasleraar in Vlaanderen.

groepswerkplan
(in VL) Het groepswerkplan maakt deel uit van het handelingsplan van een school voor buitengewoon onderwijs. In het groepswerkplan wordt gereflecteerd over de leerinhouden, de doelstellingen en de werkvormen die men in een pedagogische eenheid zal gebruiken en over de manier waarop men deze zal implementeren.
Grundtvig
(in NL+VL)

De Europese Commissie heeft een aantal van haar vroegere programma's in het domein van onderwijs en opleiding gegroepeerd in het Programma Erasmus+.

Grundtvig is er één van. Het richt zich tot alle vormen van de niet-beroepsgerichte volwasseneneducatie. Hiertoe behoren zowel het formele volwassenenonderwijs als de non-formele vorming. Het Grundtvig-programma is bedoeld voor cursisten en instellingen van de volwasseneneducatie. Het wil opleidingsmogelijkheden faciliteren waardoor volwassenen hun know-how en competenties kunnen verbeteren zodat ze zich beter kunnen aanpassen aan de snel evoluerende maatschappij.

Zie ook: Leonardo da Vinci, Comenius, Erasmus.

In Vlaanderen worden de Europese programma's begeleid door EPOS.
In Nederland worden de Europese programma's begeleid door Nuffic.

gymnasium
(in NL) Een van de drie schooltypen van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van twaalf tot achttien jaar. Andere schooltypes in het vwo zijn het atheneum en het lyceum. Op het gymnasium zijn Grieks en Latijn verplicht (voor een leerling die later bepaalde studies wil doen, bv. dokter, is kennis van klassieke talen bijna een vereiste). Binnen het vwo is het gymnasium dus de moeilijkste studie. Het vwo is een vervolgopleiding na de basisschool, ze duurt zes jaar en leidt op voor een studie aan de universiteit.
handelingsdeel
(in NL) Examenonderdeel dat een leerling moet hebben afgerond voor hij kan deelnemen aan het centraal schriftelijk eindexamen.

Opgelet: in Vlaanderen is het begrip handelingsdeel niet gebonden aan een examen.
handelingsplan
(in VL)

In het buitengewoon onderwijs stippelt de school voor elke leerling een individueel leerplan uit, dat rekening houdt met de kennis, vaardigheden en attitudes van deze leerling enerzijds en met zijn specifieke behoeften anderzijds. Dit (individueel) handelingsplan bevat de pedagogisch-didactische planning voor bedoelde leerling(en) voor een bepaalde periode en legt onder meer de keuze van ontwikkelingsdoelen vast.

Bij uitbreiding wordt de term ook gebruikt voor een plan dat in om het even welk type school wordt opgesteld voor een leerling die extra zorg nodig heeft.

Opgelet: in Nederland heeft de term handelingsplan een vergelijkbare betekenis, maar de praktische invulling verschilt.

handelingsplan
(in NL) Individueel leerplan dat wordt uitgestippeld voor elk leerling. Dit gebeurt in overleg met de ouders en de speciale school die de begeleiding gaat verzorgen. In het plan staat wat de school met de leerling wil bereiken in het onderwijs en op welke manier ze dat wil doen. Als de ouders van het kind akkoord gaan met het handelingsplan, plaatsen zij en de school er hun handtekening onder. Het opstellen van een handelingsplan is in het speciaal onderwijs (so) verplicht.

Opgelet: In Vlaanderen heeft de term handelingsplan een gelijkaardige betekenis, maar de praktische invulling verschilt.
havo
(in NL) Staat voor 'hoger algemeen voortgezet onderwijs'.

Middelste niveau in het voortgezet onderwijs (vo), naast voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). De leerlingen volgen eerst gezamenlijk met de vwo-leerlingen een twee- of driejarig gemeenschappelijk programma, de basisvorming. Na deze drie jaar basisvorming kiest de leerling voor havo of vwo. Het programma van het havo duurt daarna nog twee jaar en bereidt leerlingen voor op het volgen van een opleiding aan het hoger beroepsonderwijs (hbo).

Opgelet: in Suriname volgt havo op een andere onderbouw.

havo
(in SR) Staat voor 'hoger algemeen voortgezet onderwijs'.

Niveau van voortgezet onderwijs dat volgt op het meer uitgebreid lager onderwijs (mulo).

hbo
(in NL) Staat voor 'hoger beroepsonderwijs'.

Vorm van hoger onderwijs dat wordt verstrekt aan de hogescholen. Het hbo leidt op voor hogere en leidinggevende functies bij overheid, handel en industrie. Wie bijvoorbeeld in het leger een officiersopleiding wil volgen, moet minstens een diploma vwo of havo in handen hebben. Het hoger beroepsonderwijs verzorgt de theoretische en praktische voorbereiding, die nodig is om beroepen uit te oefenen waarvoor een hbo-opleiding vereist is of van nut kan zijn.

Afgestudeerden kunnen terechtkomen in functies op midden en hoger niveau in het bedrijfsleven, de maatschappelijke dienstverlening, de gezondheidszorg en de overheidssector. Als hoofdregel voor toelating geldt het bezit van een diploma havo, vwo of mbo op niveau 4. Het hbo kent zeven sectoren: Hoger Pedagogisch, Agrarisch, Gezondheidszorg, Economisch, Technisch, Sociaalagogisch en Kunstonderwijs.

Opgelet: in Vlaanderen heeft deze term een iets andere betekenis.

HBO-Raad
(in NL)

Tot 2013 de benaming voor de belangen- en werkgeversvereniging van de bekostigde hogescholen in Nederland. In april 2013 werd deze naam gewijzigd naar Vereniging Hogescholen.

Zie ook hbo.

Website: www.hbo-raad.nl.

HBO5
(in VL) Staat voor 'hoger beroepsonderwijs'.

Op 1 september 2009 werd het hoger beroepsonderwijs (HBO5) ingevoerd. Het verving het aanvullend secundair beroepsonderwijs. Hierin worden de opleidingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie en de opleiding verpleegkunde uit de 4e graad beroepssecundair onderwijs ondergebracht. (Decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair-na-secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs & het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II - zoals gewijzigd).

Door het niet aanwezig zijn van ingeschaalde beroepsprofielen, beroepskwalificaties en onderwijskwalificaties konden er echter nog geen nieuwe HBO5-opleidingen starten in 2009-2010.

Opgelet: in Nederland heeft deze term een iets andere betekenis.

Bron: Vlaams Eurydice rapport 2010 (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs & Vorming).

hbovo
(in NL) Staat voor 'hogere beroepsopleiding leerkrachten voortgezette opleiding' en maakt deel uit van het hoger beroepsonderwijs.

Opleiding die leerkrachten onderwijsbevoegdheid geeft voor basisvorming voortgezet onderwijs (vo) en middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Meestal tweedegraadslerarenopleidingen genoemd.

hbs
(in NL) Staat voor 'hogere burgerschool'.

De hogere burgerschool (hbs) is een oude, Nederlandse onderwijsvorm.

De hbs werd ingevoerd bij de Wet op het middelbaar onderwijs uit 1863. Aanvankelijk bestonden twee soorten, namelijk de driejarige en de vijfjarige hbs. Bij beide lag de nadruk op het onderwijs in wiskunde, exacte vakken en moderne talen. Anders dan verwacht werd vooral de vijfjarige hbs een succes; de driejarige hbs werd grotendeels verdrongen door de mulo, waar in vier jaar dezelfde stof onderwezen werd. In 1924 werd de bestaande hbs omgedoopt in hbs-b en werd als opvolger van de handelsschool de hbs-a ingevoerd, waar de nadruk op economische vakken en moderne talen lag.

Een hbs-diploma gaf toegang tot de polytechnische hogeschool (de huidige Technische Universiteit Delft), de Rijks hogere land- tuin- en bosbouwschool (de huidige Wageningen Universiteit en Researchcentrum) en de Nederlandse Handelshogeschool (de huidige Erasmus Universiteit Rotterdam).

Vanaf 1909 werden veel hbs'en opgenomen in lycea.

Met de invoering van de Mammoetwet in 1968 werd de hbs opgevolgd door het havo en het vwo (met gymnasium en atheneum). De laatste eindexamens voor de hbs werden in 1974 afgenomen.

heao
(in NL) Staat voor 'hoger economisch en administratief onderwijs'. Voormalige benaming voor economische opleidingen die nu tot het hbo behoren.

Tot dit onderwijs behoren de opleidingen accountancy, bedrijfseconomie, commerciële economie, communicatie, managementeconomie en recht (mer), en economische linguïstiek.

hgzo
Staat voor 'hoger gezondheidszorg (beroeps)onderwijs'.

Maakt deel uit van het hbo.

hko
(in NL) Staat voor 'hoger kunstonderwijs'.

Maakt deel uit van het hbo.

hoger onderwijs
(in NL) Het hoger onderwijs is voor studenten vanaf ongeveer 18 jaar en omvat het hoger beroepsonderwijs (hbo) en het wetenschappelijk onderwijs (wo). Aan een universiteit staat de wetenschap centraal, aan een hbo worden studenten voor een hoger beroep opgeleid. Om tot een universiteit toegelaten te worden, moet men een vwo-diploma hebben, voor sommige studierichtingen wordt ook een hbo-diploma aanvaard. Sinds de invoering van het Bologna-akkoord bestaat het hoger onderwijs uit drie of vier jaar bacheloropleiding, eventueel gevolgd door een of twee jaar masteropleiding. Studeren is in Nederland niet gratis, per studiejaar moeten studenten collegegeld betalen. De overheid voorziet wel in studiebeurzen voor studenten. Het hoger onderwijs is sinds het Bologna-akkoord hervormd tot een bachelor-masterstructuur.
hoger onderwijs (ho)
(in SR) Onder hoger onderwijs vallen alle instituten of opleidingen die zich bezighouden met hoger (beroeps)onderwijs. Deze instellingen worden erkend als instituten voor hoger onderwijs.
hoger onderwijs (ho)
(in VL) Het hoger onderwijs volgt in Vlaanderen op het secundair onderwijs. Het omvat opleidingen aan de universiteiten en hogescholen. Het hoger onderwijs is sinds het Bologna-akkoord hervormd tot een bachelor-masterstructuur.
hogescholenonderwijs

Verzamelnaam voor al het hoger onderwijs dat niet aan universiteiten, maar aan hogescholen gegeven wordt.

Hogescholen kunnen de volgende opleidingen verstrekken:

Basisopleidingen omvatten de professioneel gerichte bacheloropleidingen, de academisch gerichte bacheloropleidingen en de masteropleidingen. Hun studieomvang wordt uitgedrukt in studiepunten. De professionele en academische bachelors omvatten minstens 180 studiepunten. De masters sluiten aan bij een academische bachelor en omvatten minstens 60 studiepunten.

Voortgezette opleidingen sluiten aan bij de basisopleidingen. Een professionele bachelor kan een bachelor-na-bachelor volgen. Na een masteropleiding is het mogelijk om een master-na-master te beginnen. Deze opleidingen omvatten telkens 60 studiepunten.

De hogescholen kunnen ook postgraduaten organiseren, korte opleidingstrajecten van ten minste 20 studiepunten die bekrachtigd worden met een getuigschrift.

hogeschool
(in VL) Instelling voor niet-universitair hoger onderwijs.

Opmerking: tot een stuk in de twintigste eeuw verwees de term 'hogeschool' in Vlaanderen eigenaardig genoeg niet naar instellingen voor niet-universitair hoger onderwijs, maar naar universiteiten.

Opgelet: In Nederland heeft hogeschool een afwijkende betekenis.
hogeschool
(in NL) Instelling voor hoger beroepsonderwijs (hbo). Voor 1905 was hogeschool de naam voor een universitaire instelling waar technisch, economisch, of landbouwonderwijs werd gegeven.

Opgelet: in Vlaanderen heeft hogeschool een afwijkende betekenis.
hogeschoolpersoneel
(in VL)

De namen van de verschillende ambten in het hoger onderwijs zijn bij decreet geregeld. "Art. 101. De ambten van het onderwijzend personeel van de hogescholen worden in de volgende drie groepen ingedeeld:

  • 1° groep 1 : de praktijklector, de hoofdpraktijklector, de lector en de hoofdlector;
  • 2° groep 2 : het assisterend personeel: de assistent, de doctor-assistent en de werkleider;
  • 3° groep 3 : de docent, de hoofddocent, de hoogleraar en de gewoon hoogleraar.
De ambten van de eerste groep kunnen uitsluitend worden verleend in het hoger onderwijs van één cyclus, die van de tweede groep uitsluitend in het hoger onderwijs van twee cycli. De ambten van de derde groep kunnen worden verleend, zowel in het hoger onderwijs van één cyclus, als in het hoger onderwijs van twee cycli." En ook: "Het takenpakket van de praktijklector, de hoofdpraktijklector, de lector, de hoofdlector, de docent, de hoofddocent, de hoogleraar en de gewoon hoogleraar bestaat uit een of meer van de volgende taken: het verstrekken van onderwijs, begeleidingsopdrachten, projectmatig wetenschappelijk onderzoek, maatschappelijke dienstverlening, organisatorische taken en administratieve taken.

Lector en docent doen dus hetzelfde werk, maar het 'ambt' van lector bestaat alleen in de professionele bacheloropleidingen (en de 1c-opleidingen in afbouw). Het ambt van docent bestaat in de professionele én academische bacheloropleidingen en masterjaren. Aan verschillende ambten zijn verschillende barema's verbonden, dus verschillende salarissen.

In de dagelijkse communicatie springt men als volgt met deze termen om:

  1. Hogescholen (en departementen ervan) met alleen driejarige professionele opleidingen noemen hun onderwijzende personeelsleden gewoonlijk 'lectoren' (zonder het onderscheid te maken tussen praktijklector, de hoofdpraktijklector, de lector, de hoofdlector);
  2. In de langere 'academische' opleidingen (3+1) spreekt men dan van 'docenten';
  3. Hogescholen (en departementen ervan) gebruiken het woord 'docenten' echter ook wel als verzamelnaam voor 'lesgevers in het hoger onderwijs' en laten dan het ambtelijke onderscheid tussen lectoren en docenten links liggen, zeker als die hogeschool zowel korte (3) als lange (3+1) opleidingen organiseert."

hokt
(in VL) Staat voor 'hoger onderwijs van het korte type'.

Hoger niet-universitair onderwijs dat leidt tot het diploma van bachelor.

Onderwijs van het korte type is vooral gericht op de praktijk: de cursussen over het gekozen vakgebied beginnen vaak al in het eerste jaar, veel opleidingen gaan gepaard met stages in bedrijven.

Zie: hogescholenonderwijs en bachelor-master.

hoktsp
(in VL) Staat voor 'hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie'. Zie: hosp.
homologatiejaar
(in VL)

Na het zesde jaar bso krijgen de leerlingen een getuigschrift. Als de leerlingen een homologatiejaar (ook wel 'zevende jaar' genoemd), krijgen ze een diploma van het secundair onderwijs dat hen het recht verleent een hogere studie aan te vatten.

Zie ook: secundair onderwijs in Vlaanderen.

hoofdfase
(in NL) Term uit het hoger onderwijs voor de in het algemeen drie jaar durende opleiding die volgt op de propedeuse.

hoofdopdracht
(in VL) Zie: opdracht.
HOOP
(in NL) Staat voor 'hoger onderwijs en onderzoeksplan'.

Periodiek (tweejaarlijks) plan van het ministerie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen met betrekking tot het beleid voor het hoger onderwijs. In het Hoop wordt gewerkt met een indeling van opleidingen in zogenoemde "Hoop-gebieden": Economie, Gezondheidszorg, Gedrag en maatschappij, Onderwijs en Techniek. Het hoger beroepsonderwijs (hbo) krijgt extra geld om de aansluiting op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) te verbeteren.

In een nieuw bekostigingssysteem zal het geld over de universiteiten verdeeld worden op basis van kwaliteit en prestaties. In de bekostiging van de hogescholen zal geen verschil meer gemaakt worden tussen deeltijd- en voltijdonderwijs, dit om het deeltijdonderwijs te stimuleren. Het wetenschappelijk onderzoek moet sterker worden gericht op de maatschappelijke behoeften en op kwaliteit.

hosp
(in VL) Staat voor 'hoger onderwijs voor sociale promotie'.

Vroeger hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie (hoktsp) genoemd. Oude benaming voor hoger onderwijs van het korte type (hoktp) (max. drie studiejaren), georganiseerd door een centrum voor volwassenenonderwijs. Volwassenen kunnen in een hosp een diploma behalen in marketing, rechtspraktijk, bedrijfsbeleid, doventolk e.d. Een diploma van het hoger onderwijs voor sociale promotie is onderwijskundig niet gelijkwaardig aan de bachelors- of mastersgraad, uitgereikt door hogescholen en universiteiten.

Enkele opleidingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie werden vanaf het academiejaar 2004-2005 overgenomen door de hogescholen in de bachelor-masterstructuur. Enkele opleidingen uit het hoger onderwijs voor sociale promotie streven ernaar om hun graduaat om te vormen tot een bachelor. Zo werd de opleiding gezinswetenschappen in september 2007 geaccrediteerd als 'professioneel gerichte bachelor'.

hospitant
(in NL) Iemand die als aanstaand leraar lessen op een school bijwoont en/of geeft, om ervaring in het lesgeven op te doen.

In Vlaanderen spreekt men van een stagiair(e).
hovo
(in NL) Staat voor 'hoger onderwijs voor ouderen'.

Het hoger onderwijs voor ouderen biedt cursussen aan op universitair en hbo-niveau voor senioren boven de vijftig jaar. Het is bedoeld voor mensen die een nieuw vakgebied willen ontdekken, hun oude hobby in de wetenschap willen opnemen of de nieuwste ontwikkelingen in hun eigen vakgebied willen leren kennen of bijhouden. Om een cursus te volgen is geen speciale vooropleiding nodig. Wel wordt verondersteld dat de cursist door studie en levenservaring het vereiste niveau verwerken kan.

Website: www.hovo-nederland.org.

HPBO
(in NL) Staat voor 'Platform Beroepsonderwijs'.

Samenwerkingsverband tussen de hbo-raad, bve-raad, Schoolmanagers VO, VSWO en Colo, met betrokkenheid van AOC-raad en Paepon.

Het HPBO verspreidt sinds de oprichting in november 2002 kennis uit vernieuwingsprojecten in het beroepsonderwijs. Daarnaast beheert het bureau de subsidieregeling het 'Innovatiearrangement'. Het Innovatiearrangement stimuleert scholen en bedrijven vernieuwingsexperimenten te starten.

Website: www.hetplatformberoepsonderwijs.nl.

HSN
(in NL+VL) Staat voor 'Het Schoolvak Nederlands'.

Vlaams-Nederlandse die jaarlijks de conferentie Het Schoolvak Nederlands organiseert. >/p>

Website: www.hsnconferentie.org.

Huizen van het Nederlands
(in VL) Tot 1 januari 2015 kende Vlaanderen acht Huizen van het Nederlands: één in elke Vlaamse provincie en daarnaast ook nog een Huis van het Nederlands in Antwerpen, Brussel en Gent. Sinds 1 januari 2015 ontstond het Agentschap voor Integratie en Inburgering dat de verschillende huizen van het Nederlands verenigde. Enkel in Brussel is er nog een Huis van het Nederlands. In Gent en Antwerpen bestaan nog de stedelijke agentschappen voor Integratie en Inburgering: IN-Gent en Atlas.
humaniora
(in NL) Benaming voor de studie van klassieke talen (Latijn en Grieks) en klassieke literatuur. Humaniora betekent in het Latijn 'menselijker', de humaniora is dus letterlijk de studie die iemand tot mens vormt.

Opgelet: in Vlaanderen heeft humaniora een andere betekenis.
humaniora
(in VL) Oude benaming voor wat nu het algemeen secundair onderwijs (aso) is. Men spreekt ook wel over de oude en de nieuwe (moderne) humaniora, respectievelijk met en zonder de vakken Latijn en Grieks.

Opgelet: in Nederland heeft humaniora een andere betekenis.
iav
(in NL) Staat voor 'internationale afstudeervariant'.

Een afstudeervariant is de gebruikelijke term voor extra vakken die een student bovenop zijn gewone curriculum wil volgen. Als die vakken een internationale oriëntering hebben (bv. international management), dan spreekt men van een internationale afstudeervariant.

IAV
(in NL) Staat voor 'Instaptoets Anderstalige Volwassenen'.

De Instaptoets Anderstalige Volwassenen (IAV) is de allereerste gestandaardiseerde NT2-toets. Het doel van de toets was om de taalvaardigheid van cursisten (verdeeld in lezen, schrijven, luisteren en spreken) vast te stellen bij het instromen in een NT2-cursus.

De toets is gedateerd en wordt niet meer gebruikt.

In de toets was voor het eerst sprake van de zgn. taalniveaus. De omschrijving ervan heeft de norm gezet voor het vastleggen van de huidige NT2-niveaus.

IB-groep
(in NL) Staat voor 'Informatiebeheergroep'. Sinds 2010 is de IB-groep samen met de Centrale Financiën opgegaan in de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).

De Informatiebeheergroep voerde tot 2010 als zelfstandig bestuursorgaan in opdracht van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een aantal onderwijswetten en -regelingen uit.

De kerntaken van de IB-Groep waren financiering, informatiebeheer en het organiseren van examens:
  • verstrekken van studiefinanciering, ov-studentenkaart en tegemoetkoming schoolkosten;
  • verzorgen van het proces van aanmelding, selectie en plaatsing hoger onderwijs;
  • innen van lesgelden en studieschulden;
  • beheren van diverse onderwijsgerelateerde basisregistraties, waaronder het Basisregister Onderwijsnummer;
  • erkennen van diploma's;
  • organiseren van staats- en schoolexamens (o.a. het staatsexamen NT2).

De afnemers waren de individuele onderwijsvolgers en onderwijsorganisaties in Nederland.

Website: https://www.duo.nl.

IBO
(in VL) Staat voor 'Individuele Beroepsopleiding'.

Formule waarbij een bedrijf een werkzoekende een opleiding geeft. Het bedrijf betaalt geen loon, geen rijkssociale zekerheid, enkel een productiviteitspremie. Wordt deze opleiding succesvol afgerond, dan is het bedrijf verplicht om de cursist aan te werven met een contract voor onbepaalde duur.

Website: www.vdab.be/ibo

Opgelet: niet te verwarren met individueel beroepsonderwijs in Nederland.

ibo
(in NL) Staat voor 'individueel beroepsonderwijs'. Zie: ivbo.
ICE
(in NL) Zie: Bureau ICE.
ICO
(in NL) Staat voor 'Informatiecentrum Onderwijs'.

Tot 2010 was het het informatiepunt van de Centrale Financiën Instellingen (CFI). In 2010 is het ICO samen met de IB-groep gefusioneerd tot de Dienst Uitvoering Onderwijs.

Deze uitvoeringsorganisatie was belast met twee taken: de bekostiging van onderwijsinstellingen en informatievoorziening. De CFI was verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige toedeling van financiële middelen aan de afzonderlijke door de minister bekostigde instellingen voor onderwijs, onderzoek en verzorging.

Website: www.duo.nl.

ICT
(in NL+VL) Staat voor 'informatie- en communicatietechnologie'.

Verzamelterm voor computers en toebehoren, dataprojectiesystemen, audio en video, enz. In de praktijk verwijst men met deze term vooral naar computers en software.

ICTL
(in VL) Staat voor 'Interfacultair Centrum voor Toegepaste Linguïstiek'.

Het ICTL (of: Steunpunt Taal en Communicatie van UFSIA Antwerpen) is in 2006 opgegaan met het Centrum voor taal en spraak (UIA Antwerpen) en Didascalia in Linguapolis, naar aanleiding van de fusie van de Antwerpse universiteiten UFSIA en UA.

Idos
(in SR) Staat voor 'Instituut voor dienstverlening, onderzoek en studiebegeleiding'. Een enquête- en onderzoeksbureau dat verbonden is aan de academie voor hoger kunst- en cultuuronderwijs (AHKCO).
IEA
(in NL+VL) Staat voor 'International Association for the Evaluation of Educational Achievement'.

Onafhankelijke, internationale koepelorganisatie van onderzoeksinstituten die zich bezighouden met de vergelijkende studie van onderwijs.

Website: www.iea.nl.

ILKO
(in VL) Staat voor 'Initiële lerarenopleiding kleuteronderwijs'

Vroegere benaming voor de geïntegreerde lerarenopleiding voor het kleuteronderwijs.

ILLO
(in VL) Staat voor 'Initiële lerarenopleiding lager onderwijs'.

Vroegere benaming voor de geïntegreerde lerarenopleiding voor het lager onderwijs.

IMEAO
(in SR) Staat voor 'Instituut voor Middelbaar Economisch en Administratief Onderwijs'.

Het IMEAO bestaat uit twee richtingen: een tweejarige secretariële opleiding en een driejarige economisch-administratieve opleiding. Tot het eerste leerjaar van het IMEAO worden leerlingen met een mulo diploma toegelaten. Leerlingen met een diploma van de lbgo-AE-stream worden, op grond van bepaalde criteria, toegelaten tot het schakeljaar.

inburgering
(in NL+VL)

Proces van het als buitenlander (allochtoon) gradueel opgenomen worden in een gemeenschap, onder meer door de verwerving van de taal en de gewoonten.

In Nederland:
In Nederland gebruikt men de term ook voor de eerste fase van integratie van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving. Hierbij wordt gestreefd nieuwkomers door een vlot en intensief programma zo snel mogelijk een vorm van zelfredzaamheid te laten bereiken. Het inburgeringstraject heeft een welzijns- en educatieve component. De educatieve component is een programma dat kan bestaan uit onderwijs in Nederlands als tweede taal (NT2), maatschappelijke oriëntatie en beroepenoriëntatie.

Zie ook: de Wet inburgering nieuwkomers.

In Vlaanderen:

Het inburgeringsbeleid is bedoeld voor inburgeraars en minderjarige anderstalige nieuwkomers. Inburgeraars zijn vreemdelingen van achttien jaar en ouder die zich langdurig in Vlaanderen of Brussel komen vestigen. Ook Belgen die niet in België geboren zijn en van wie minstens een van de ouders niet in België geboren is, behoren tot de doelgroep van het inburgeringsbeleid. Inburgeraars hebben recht op een inburgeringstraject, dat wordt gecoördineerd door één van de onthaalbureaus. Het traject bestaat o.m. uiteen vormingsprogramma en individuele begeleiding. Het vormingsprogramma wordt samengesteld uit lessen Nederlands, maatschappelijke oriëntatie en loopbaanoriëntatie. Sommige inburgeraars hebben ook een inburgeringsplicht.

Naast meerderjarigen, behoren ook minderjarige anderstalige nieuwkomers tot de doelgroep van het inburgeringsbeleid. Voor hen wordt onthaalonderwijs georganiseerd.

Zie ook: onthaalbeleid.

inburgeringscertificaat
(in NL) Zie: Bureau Nieuwkomers. Certificaat dat nieuwkomers ontvangen nadat zij de toets Nederlandse taal en Maatschappijoriëntatie afgelegd hebben.
inburgeringscursus
(in NL+VL)

Een inburgeringscursus is een onderwijspakket, bedoeld voor immigranten.

Zie: inburgering
inburgeringsexamen
(in NL)

Na de inburgeringscursus kan een inburgeringsplichtige in Nederland intekenen voor het inburgeringsexamen. Het examen bestaat uit een praktijkdeel (1 examen) en een centraal deel (3 examens). Slechts wanneer men slaagt voor alle examens, wordt het inburgeringsdiploma uitgereikt.

inclusief onderwijs
(in NL+VL) Inclusief onderwijs houdt in dat gewone onderwijsinstellingen openstaan voor alle leerlingen, zowel hoogbegaafden als leerlingen met leermoeilijkheden en/of een belemmering. Een inclusieve school probeert op een zinvolle manier tegemoet te komen aan de verschillende behoeften van al deze kinderen. Om dit te realiseren hebben gewone scholen nood aan de nodige ondersteuning en middelen.
Er bestaan aparte onderwijsinstellingen voor personen met een beperking. In Nederland heeft men het over speciaal onderwijs (so); in Vlaanderen over buitengewoon onderwijs (bo).

Zowel in Nederland als in Vlaanderen is het echter een streven om personen met een beperking zoveel mogelijk school te laten lopen in het reguliere onderwijs. In Vlaanderen werd deze gedachte vastgelegd in het M-decreet en in Nederland is dit idee beschreven in het project Passend onderwijs.

Als onderbouwing van inclusief onderwijs wordt vaak verwezen naar 'The Standard Rules for Equal Opportunities for the disabled', een tekst van de Verenigde Naties (1993) over de voorkoming van discriminatie van kinderen en volwassenen met een belemmering. Lees meer op de website van de VN.

individueel handelingsplan
(in VL) Zie: handelingsplan
Initiatief voor buitenschoolse opvang
(in VL) Georganiseerde opvang van schoolgaande kinderen (kleuter- en lager onderwijs). Het opvang gebeurt voor en na schooltijd, op woensdagnamiddagen, tijdens schoolvakanties en op snipperdagen, in een niet-schoolse sfeer, op initiatief van een privéorganisatie of lokale overheid.

Voor meer informatie zie: website van Kind & Gezin: www.kindengezin.be.
initieel onderwijs
(in NL)

Het normale vierjarige hoger onderwijs, ter onderscheiding van nascholing en/of post-hbo-onderwijs.

initiële lerarenopleiding
(in VL)

Vroegere benaming voor de geïntegreerde lerarenopleiding.

initiële lerarenopleiding van academisch niveau
(in VL)

Vroegere benaming van de lerarenopleiding aan universiteiten en hogescholen die studenten opleidt tot geaggregeerde voor het onderwijs. Dit diploma stelt hen in staat les te geven in het secundair onderwijs en in het hoger onderwijs.

Zie: specifieke lerarenopleiding

inrichtende macht
(in VL)

Instantie die verantwoordelijk is voor een of meerdere scholen, te vergelijken met een raad van bestuur in een bedrijf. De inrichtende macht kan de vorm aannemen van een overheid, een natuurlijke persoon of een rechtspersoon/rechtspersonen. Een inrichtende macht van een basisschool wordt 'schoolbestuur' genoemd.

De leden van de inrichtende macht zijn verantwoordelijk om de school goed te laten functioneren. Om deze taak te vervullen, werven zij een directie en leraren aan. De inrichtende macht ontvangt ook de werkingsmiddelen voor de school van het departement Onderwijs. Ze huurt of bezit de schoolgebouwen.

De inrichtende macht werkt voor de school/scholen die zij onder haar bevoegdheid heeft een pedagogisch project uit. De keuze van de levensbeschouwelijke of filosofische basis van waaruit onderwijs wordt gegeven (het zogenaamde pedagogisch project) staat vrij. Het gemeenschapsonderwijs is echter verplicht neutraal qua levensbeschouwing en het gesubsidieerd officieel onderwijs (OGO) moet openstaan voor alle levensbeschouwingen.

Daarnaast is ook de keuze van een opvoedingsconcept en de daaraan gekoppelde opvoedingsmethode vrij. Wil een school echter erkend worden of financieel gesteund worden door de overheid, moet ze wel een aantal bepalingen nakomen. De school moet bijvoorbeeld voldoende uitgerust zijn en beschikken over voldoende didactische hulpmiddelen. De gebouwen moeten bijvoorbeeld bewoonbaar, veilig en hygiënisch zijn.

inschrijvingsrecht
(in VL)

Decreet dat de inschrijving van leerlingen in een school regelt. Elke leerling heeft wettelijk het recht op een inschrijving in de school en vestigingsplaats die zijn ouders kiezen. Het algemene principe daarbij luidt: wie eerst komt, wordt eerst ingeschreven. Slechts onder bepaalde omstandigheden mag een school weigeren een leerling in te schrijven. Een uitzondering op het principe vormt ook de inschrijving van broers en zussen van reeds ingeschreven leerlingen. Zij krijgen voorrang. Een leerling of ouder die meent dat een weigering tot inschrijving onterecht is, kan zich tot het Lokale Overlegplatform(LOP) wenden. Als het LOP geen oplossing vindt, kan een klacht worden ingediend bij een speciale commissie. Nog volgens de wet kunnen leerlingen die al schoollopen in een school rekenen op een gewaarborgde inschrijving voor het volgende schooljaar, zelfs al kregen ze een B-attest of C-attest met een advies voor een andere studierichting of school. Het inschrijvingsrecht maakt deel uit van het gelijkekansenbeleid.

inschrijvingsverslag
(in VL) Een leerling wordt enkel doorverwezen naar het buitengewoon onderwijs na multidisciplinair overleg op school of na een medisch onderzoek. De resultaten daarvan worden opgenomen in het inschrijvingsverslag. Meestal wordt dit opgesteld door een CLB. Het inschrijvingsverslag bestaat uit een inschrijvingsattest en een verantwoordingsprotocol. Met dit verslag kan de leerling worden ingeschreven in een school voor buitengewoon onderwijs.
inspectie, inspecteur
(in NL+VL)

Team van deskundigen dat in opdracht van de overheid de kwaliteit van het onderwijs van (bijna) alle onderwijsinstellingen beoordeelt. Dit gebeurt onder andere door op de scholen een onderzoek te houden.

Voor Nederland:
Zie: www.onderwijsinspectie.nl.

Voor Vlaanderen:
Zie: www.onderwijsinspectie.be.

instroomprofiel
(in NL) Zie: profiel.
interconfessioneel onderwijs
(in NL) Onderwijs dat gebaseerd is op verschillende geloofsovertuigingen. Interconfessionele scholen zijn meestal ontstaan uit de fusie van een protestantse en een katholieke school.

Zie ook: samenwerkingsschool.

Vergelijk met Vlaanderen: pluralistisch onderwijs en confessionele school.
interimaris
(in VL) Synoniem voor invalkracht, plaatsvervanger, vooral gebruikt met betrekking tot leerkrachten, maar ook wel met betrekking tot andere beroepen. Vaak afgekort tot interim(leerkracht).
interne begeleider
(in NL) Functie in het basisonderwijs. De interne begeleider heeft een eigen positie en taak op het terrein van de zorgverbreding tussen kinderen, leerkrachten, directie en ouders. Hij/Zij organiseert, coördineert en bewaakt de leerlingenzorg binnen de school, ondersteunt collega's bij het uitvoeren van zorgverbredingsactiviteiten en zorgt voor een afstemming van deze activiteiten op schoolniveau, voert gesprekken met ouders en leerkrachten en ziet erop toe dat gemaakte afspraken nageleefd worden. Daarnaast neemt de ib'er toetsen af bij individuele kinderen en observeert hij/zij incidenteel in de groepen.

In Vlaanderen spreekt men van de zorgcoördinator.
iobk
(in NL) Staat voor 'in hun ontwikkeling bedreigde kleuters'.

Onderwijs voor kinderen van drie tot zeven jaar met ontwikkelingsachterstand. Sinds 1998 zijn er geen afzonderlijke scholen meer voor moeilijk lerende kinderen (mlk-scholen), scholen voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom-scholen) en hun afdelingen voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk-afdelingen). Voor kinderen met dit soort problemen zijn er nu de speciale scholen voor basisonderwijs.

IOL
(in SR) Staat voor 'Instituut voor de Opleiding van Leraren'.

Het IOL leidt vakleraren op met de bevoegdheid onderwijs te verzorgen bij het voj (beperkt bevoegd: te vergelijken met een derde- of tweedegraads bevoegdheid) en het vos (volledig bevoegd: te vergelijken met een eerstegraads bevoegdheid).

isk
(in NL) Staat voor 'internationale schakelklas'. Internationale schakelklas heet nu officieel 'eerste opvangschool'. Benaming voor een overgangsklas, een schooltype voor leerlingen die nog niet toe zijn aan het reguliere voortgezet onderwijs (vo) in Nederland, omdat ze het Nederlands nog onvoldoende beheersen. Bedoeling is dat de leerlingen na de schakelklas doorstromen naar het regulier onderwijs.

Opgelet: in Vlaanderen heeft schakelklas een andere betekenis. Als synoniem voor internationale schakelklas gebruikt men er de term onthaalklas.
IST
(in NL) Staat voor 'integraal schooltoezicht'.

Het toetsen door de inspectie van de onderwijspraktijk in een school aan de doelstellingen en bepalingen in de wet en de bedoeling van de wetgever. Dit gebeurt deels ter controle, deels om verdere ontwikkeling van het onderwijs te stimuleren.

Integraal toezicht verzamelt antwoorden op drie vragen:

  1. Is het onderwijsleerproces in de groepen van voldoende kwaliteit?
  2. Realiseert de school voldoende opbrengsten?
  3. Zijn de condities op school voldoende gunstig voor de kwaliteit van het onderwijsleerproces en voor het bereiken van voldoende opbrengsten?
De inspectie doet dit door op systematische wijze informatie te verzamelen:
  • via analyse van schooldocumenten (zoals onder andere het schoolplan, de schoolgids, leerlingdossiers, handelingsplannen en groepsadministraties);
  • via analyse van vragenlijsten die zijn ingevuld door de groepsleraren en directie;
  • via observatie van onderwijsactiviteiten;
  • via gesprekken met groepsleraren, leerlingen, ouders, het bevoegd gezag, de directie en de coördinatie leerlingenzorg.
Het integraal schooltoezicht is vergelijkbaar met de schooldoorlichting in Vlaanderen.

ITNA
(in VL) Staat voor ‘Interuniversitaire Taaltoets Nederlands aan anderstaligen.’ Deze taalvaardigheidstoets is een samenwerking tussen de universiteiten van Gent, Leuven, Antwerpen en Brussel. De toets gaat na of een student talig functioneert (in het Nederlands) op het niveau B2. Kandidaten die slagen voor de toets krijgen toegang tot de academische opleidingen van de KU Leuven, de Universiteit Gent, de Universiteit Antwerpen en de Vrije Universiteit Brussel. ITNA biedt ook een examen op C1-niveau.

Meer informatie op www.itna.be.
ITTA
(in NL) Staat voor 'Instituut voor Taalonderzoek en Taalonderwijs Anderstaligen'. De missie van het ITTA is over de jaren heen verbreed en wordt nu omschreven als 'Kennisinstituut voor taalontwikkeling'.

Het ITTA is een marktgericht en universitair expertisecentrum dat zich focust op taalontwikkeling, zowel in het Nederlands als eerste en als tweede taal. Het uitgangspunt daarbij is dat taal geen barrière mag vormen om deel te nemen aan de samenleving. Het centrum focust daarbij op taalleren in een praktijkgerichte context. ITTA werkt met praktijkgerichte concepten zoals geïntegreerde scholing, inhoudsgericht taalonderwijs en taalgericht vakonderwijs. Voorts geeft het centrum advies en informatie over taalbeleid, het ontwikkelt NT2-lesmateriaal, doet onderzoek, traint en begeleidt docenten en geeft cursussen Nederlands op de werkvloer.

Voor meer informatie, zie website van het ITTA.

ivbo
(in NL) Staat voor 'individueel voorbereidend beroepsonderwijs'.

Het individueel voorbereidend beroepsonderwijs (ivbo - vroeger ibo genoemd) maakt deel uit van het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) en is bedoeld voor leerlingen van twaalf tot zestien jaar die veel hulp en individuele aandacht nodig hebben.

Het ivbo is onderwijs in de eerste fase van het voortgezet onderwijs (vo) en duurt vier jaar. Met ingang van 1 augustus 1998 is het ivbo veranderd in afdelingen voor leerwegondersteunend onderwijs.

IVN
(in NL+VL) Staat voor ‘Internationale Vereniging Neerlandistiek’. De IVN vertegenwoordigt academici die bezig zijn met Neerlandistiek in de brede zin van het woord. Daarnaast biedt de IVN studenten Neerlandistiek een forum. Voor haar werking ontvangt de IVN steun van de Nederlandse Taalunie.
Sinds 2014 ging de LVVN volledig op in de IVN.
Website: www.ivn.nu.
jaarplan
(in VL) Een werk- en planningsdocument dat de leerkracht of de vakgroep opmaakt en waarbij de uitvoering van het leerplan op een verantwoorde manier over het schooljaar gespreid wordt.
jenaplan
(in NL+VL) Methodeschool gebaseerd op de pedagogie van Peter Petersen. De basisprincipes van deze onderwijsvorm zijn:
  1. Elk mens is uniek en heeft het recht een eigen identiteit te ontwikkelen;
  2. Elk mens heeft voor het ontwikkelen van een eigen identiteit persoonlijke relaties nodig: met andere mensen, met de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid en met de niet-zintuigelijk waarneembare werkelijkheid;
  3. Elk mens wordt steeds als totale persoon erkend en waar mogelijk ook zo benaderd en aangesproken;
  4. Elk mens wordt als een cultuurdrager en - vernieuwer erkend en waar mogelijk ook zo benaderd en aangesproken;
  5. Mensen moeten werken aan een samenleving die ieders unieke en onvervangbare waarde respecteert en die ruimte en stimulansen biedt voor ieders identiteitsontwikkeling;
  6. Mensen moeten werken aan een samenleving die zorgvuldig en met respect de natuurlijke en culturele hulpbronnen beheert en waarin rechtvaardig, vreedzaam en constructief met verschillen en veranderingen wordt omgegaan;
  7. De school is een relatief autonome coöperatieve organisatie van betrokkenen. Ze wordt door de maatschappij beïnvloed en heeft er zelf ook invloed op;
  8. In de school hebben de volwassenen de taak de voorgaande uitspraken over mens en samenleving tot (ped)agogisch uitgangspunt voor hun handelen te maken;
  9. In de school wordt de leerstof zowel ontleend aan de belevingswereld van de kinderen als aan de cultuurgoederen die in de maatschappij als belangrijke middelen worden beschouwd. Wereldoriëntatie neemt een centrale plaats in, met als basis ervaren, ontdekken en onderzoeken;
  10. In de school wordt het onderwijs vormgegeven door een ritmische afwisseling van de basisactiviteiten gesprek, spel, werk en viering;
  11. In de school vindt overwegend heterogene groepering van kinderen plaats, naar leeftijd en ontwikkelingsniveau, om het leren van en zorgen voor elkaar te stimuleren;
  12. In de school worden zelfstandig spelen en leren afgewisseld en aangevuld door gestuurd en begeleid leren. Dit laatste is expliciet gericht op niveauverhoging. In dit alles speelt het initiatief van de kinderen een belangrijke rol;
  13. In de school vinden gedrags- en prestatiebeoordeling van een kind zoveel mogelijk plaats vanuit de eigen ontwikkelingsgeschiedenis van dat kind en in samenspraak met hem;
  14. In de school worden verandering en verbeteringen gezien als een nooit eindigend proces. Dit proces wordt gestuurd door een consequente wisselwerking tussen doen en denken.

Meer informatie: http://www.jenaplan.nl/.

Zie ook: methodeschool, traditionele vernieuwingsschool.

JOB
(in NL) Staat voor 'JongerenOrganisatie Beroepsonderwijs'.

Belangenbehartiger voor alle deelnemers in het beroepsonderwijs, speciaal in 1999 voor deze doelgroep opgericht door het LAKS. Het doel van de JOB is om het leefklimaat in de scholen te verbeteren. De JOB geeft scholieren persoonlijk advies en informatie bij vragen of klachten. Zij adviseert en ondersteunt jongeren ook bij het opzetten en draaiende houden van een leerlingenraad.

Website: www.job-site.nl.

JTV
(in SR) Staat voor 'Stichting Jeugdtandverzorging'.

Hbo-opleiding die jeugdtandverzorgers opleidt voor het tandheelkundig behandelen (preventief en curatief) van kinderen en jongeren van nul tot achttien jaar en het geven van tandheelkundige voorlichting.

kaderberoepsgerichte leerweg
(in NL) Zie: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo).
katholiek onderwijs
(in VL)

Zie: Katholiek Onderwijs Vlaanderen.

Katholiek Pedagogisch Centrum
(in NL) Oude benaming van de KPC-groep.
KCE
(in NL) Staat voor 'Kwaliteitscentrum Examinering'.

Voormalige door de overheid gemandateerde organisatie die de kwaliteit van de examens en de examinering in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) moet bewaken. Het KCE ontwikkelt onder meer landelijke standaarden voor examens in het middelbaar beroepsonderwijs. Het gaat ook na in hoever onderwijsinstellingen zich aan deze standaarden houden.

Website: www.kce.nl.

kcv
(in NL) Staat voor 'klassieke culturele vorming'.

Schoolvak. Klassieke culturele vorming kan door leerlingen van vwo en havo worden gevolgd. Het vak omvat onderwerpen uit de klassieke oudheid, ingedeeld volgens vier hoofdgebieden: verhalen, drama, beeldende kunst, bouwkunst.

KCV wordt sinds het schooljaar 2014-2015 uitgefaseerd. Het is de bedoeling dat het ondergebracht wordt bij Latijnse Taal en Cultuur (LTC) en Griekse Taal en Cultuur (GTC.)

Zie ook: culturele en kunstzinnige vorming.

Kenniscentrum Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven
(in NL)

Oude benaming: Landelijk Orgaan Beroepsonderwijs.

De 18 kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven (verenigd in SBB - Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven) zorgen voor de relatie tussen onderwijs en het bedrijfsleven. Ze erkennen leerbedrijven waar (v)mbo-leerlingen terechtkunnen voor het praktijkgedeelte van hun opleiding. Ook ontwikkelen en onderhouden ze kwalificatiedossiers waarin is vastgelegd wat een leerling moet kennen en kunnen als hij klaar is met zijn opleiding.

Daarnaast ontwikkelen de kenniscentra activiteiten op het gebied van arbeidsmarktinformatie en zorgen ze voor de erkenning van elders verworven competenties (evc).

Voor een lijst van de erkende leerbedrijven, zie: www.stagemarkt.nl.
Voor een lijst van alle kwalificatiedossiers, zie: www.kwalificatiesmbo.nl.

Zie ook: www.s-bb.nl.

kenniskring
(in NL)

Leerstoel van een of meer instellingen waar een lector wordt benoemd. De kenniskringen zijn ingebed in een context van vernieuwing, toegepast onderzoek en publicaties.

Zie ook: lectoraat.

kerndoelen
(in NL)

In 1998 vastgestelde eindtermen voor het onderwijs in de Nederlandse taal in het basisonderwijs. In de kerndoelen wordt beschreven wat leerlingen minimaal leren in het basisonderwijs. De kerndoelen Nederlands zijn te vinden op website van het ministerie van OCW: dossier kerndoelen basisonderwijs.

Er zijn kerndoelen voor vakken - zoals Nederlands - en voor algemene vaardigheden, bijvoorbeeld sociaal gedrag. Bepalend voor de inhoud van de kerndoelen is de vraag wat een leerling aan kennis en vaardigheden nodig heeft voor een succesvolle toekomst in vervolgonderwijs en maatschappij.
Sinds 2006 zijn de kerndoelen door SLO herzien. Sinds het schooljaar 2009-2010 zijn ze ingevoerd in de basisschool. De herziene kerndoelen zijn hier te raadplegen.

Zie ook tussendoelen.

kernkwalificaties
(in NL) Omschrijving van de kennis en vaardigheden waarover een afgestudeerde van een bepaalde opleiding moet beschikken.

Zie ook: eindtermen.

keurmerk onderwijs
(in NL) Kwaliteitslabel voor het hoger onderwijs (ho). Alle opleidingen voor hoger onderwijs worden voorzien van een keurmerk, dat aangeeft dat de opleiding voldoet aan kwalitatieve maatstaven. De onderwijsinstellingen moeten het keurmerk iedere vijf jaar laten vernieuwen. Het wordt verleend door een daartoe aangesteld orgaan.
keuzegids hoger onderwijs
(in NL)

Door de overheid gesubsidieerde 'consumentengids' voor scholieren. Elk jaar worden hierin verschillende opleidingen per hogeschool of universiteit beoordeeld op basis van onderzoek naar de waardering van studenten en/of visitatierapporten.

Website: www.keuzegids.org.

kindvolgsysteem
(in NL+VL) Zie: leerlingvolgsysteem.
klachtencommissie
(in NL) Commissie die klachten van ouders behandelt als regulier overleg met de school geen oplossing biedt. Elke school heeft een klachtencommissie of is aangesloten bij een commissie buiten de school. De klachtencommissie bestaat uit minimaal drie leden. De voorzitter moet altijd een onafhankelijk persoon zijn.
KlasCement
(in VL) KlasCement is een leermiddelennetwerk in Vlaanderen dat onderhouden wordt door de Afdeling Communicatie van het Departement Onderwijs en Vorming.

Leerkrachten kunnen eigen ontwikkeld materiaal delen met elkaar. Het materiaal wordt eerst gecontroleerd door een team van gedetacheerde leerkrachten voor het op de website komt. Ook organisaties die educatieve pakketten ontwikkelen, kunnen hun materiaal delen via KlasCement.

Het netwerk startte op initiatief van een individuele leerkracht in 1998 en is sinds 2013 een vast onderdeel van de Afdeling Communicatie van het Departement Onderwijs en Vorming.

Website: klascement.net.
klasleraar
(in VL) Leerkracht die lesgeeft aan een specifieke klas of leeftijdsgroep en deze leerlingen begeleidt. In het secundair onderwijs spreekt men meestal van een '(klas)titularis'.

Synoniem met groepsleraar in Nederland.

klassenassistent
(in NL)

Assistent van de leraar in de onderbouw (groep 1 tot en met 4) van het speciaal basisonderwijs, en is dus de tegenhanger van de onderwijsassistent in het regulier (basis)onderwijs.

Sinds 1 augustus 1997 zijn er twee functieniveaus voor klassenassistenten:
  1. Klassenassistenten met de laagste functiewaardering (schaal 3) vervullen vooral verzorgende taken, en geen onderwijsinhoudelijke taken;
  2. Klassenassistenten met de hoogste functiewaardering (schaal 4) verrichten net als de onderwijsassistent naast verzorgende ook eenvoudige, routinematige onderwijsinhoudelijke taken. Zij begeleiden bijvoorbeeld leerlingen, individueel of in kleine groepjes. De functie van klassenassistent in schaal 4 is uitwisselbaar met de functie van onderwijsassistent.
klassenraad
(in VL)

Verplicht overlegplatform van vooral leerkrachten in het secundair onderwijs. Voor elk leerjaar bestaat een afzonderlijke klassenraad. De klassenraad heeft een begeleidende en een delibererende functie (zie ook: delibererende klassenraad).

In het basisonderwijs spreekt van multidisciplinair overleg.

klastitularis
(in VL) Zie: klasleraar.
kleuterbouw
(in NL) Benaming voor groep 1 en 2 van het basisonderwijs.
kleuteronderwijs
(in VL) In Vlaanderen kunnen kinderen vanaf de leeftijd van tweeënhalf jaar naar de kleuterklas. Spelen en spelend leren zijn er het motto. Hoewel kinderen pas leerplichtig zijn vanaf zes jaar, sturen bijna alle Vlaamse ouders hun kinderen naar de kleuterschool, die als een belangrijke springplank wordt beschouwd naar het lager onderwijs.

In principe organiseert de kleuterschool drie opeenvolgende leerjaren. Kinderen jonger dan drie jaar brengen soms eerst enkele maanden door in de peuterklas/peutertuin. Pas als ze drie jaar oud zijn, stappen ze dan over naar de eerste kleuterklas. In de derde kleuterklas oefenen de kinderen voorschoolse vaardigheden (aanvankelijk lezen en rekenen, motoriek enz.). Ze worden er ook getest op hun schoolrijpheid.

Voor Nederland: zie peuteronderwijs.
kleuteronderwijs
(in SR) Kinderen gaan op de leeftijd van vier jaar naar de kleuterschool en volgen een tweejarig programma, waardoor ze voorbereid worden op de lagere school. Ze leren allerhande vaardigheden, zoals zingen, tekenen, motoriek, voorbereidend lezen en voorbereidend rekenen. Het kleuteronderwijs wordt beschouwd als deel van Early Childhood Development (ECD).
KNS
(in NL) Staat voor 'Kennis van de Nederlandse Samenleving'.

Een vak in het inburgeringsprogramma van migranten. Vroeger werd dit vak maatschappijoriëntatie genoemd.

Zie ook: Bureau voor Nieuwkomers.

koepel
(in VL) Zie: onderwijsnet.
koepel van ouderverenigingen
(in VL) Elke oudervereniging van een school kan zich aansluiten bij een ondersteunende koepelorganisatie. Afhankelijk van het onderwijsnet of de onderwijskoepel waartoe de school behoort, valt de oudervereniging onder:
Koogo
(in VL) Staat voor 'Koepel van Ouderverenigingen van het Officieel Gesubsidieerd Onderwijs'. Koepelorganisatie van ouderverenigingen en schoolraden verbonden aan gemeentelijke en provinciale scholen. Koogo ondersteunt de lokale ouderparticipatieve organen in hun werking, verleent juridisch, pedagogisch en praktisch advies, sensibiliseert en verstrekt informatie via brochures en een nieuwsbrief met ouder- en schoolgebonden onderwerpen. De organisatie behartigt de belangen van de ouders bij het beleid, in verschillende raden en overlegplatforms en begeleidt ouders die in een centrale raad een mandaat opnemen.

Website: www.koogo.be

Zie ook: koepel van ouderverenigingen.
kopklas
(in NL)

Extra jaar onderwijs voor anderstalige leerlingen (zowel neven- als zij-instromers) die aan het eind van de basisschool nog achterstand hebben op het gebied van de Nederlandse taal die het hen moeilijk zou maken in het voortgezet onderwijs. In dat extra jaar wordt vooral aandacht besteed aan het leren van het Nederlands.

Wanneer leerlingen administratief vallen onder het basisonderwijs, spreekt men van 'kopklas', wanneer ze onder het voortgezet onderwijs vallen, spreekt men van 'voetklas'.

Zie ook: schakelklassen.

kopstudie
(in NL) Benaming voor een studierichting in het hoger onderwijs die geen eigen bacheloropleiding heeft, maar die gevolgd kan worden na het succesvol afronden van de bacheloropleiding van een aantal andere studierichtingen.
kotstudent
(in VL) Gemeenzame benaming in Vlaanderen voor een student die niet meer bij de ouders thuis woont, maar op een studentenkamer (een 'kot'). Studenten die op kamers gaan wonen, 'gaan op kot'. De eigenaar of verhuurder van studentenkamers wordt gemeenzaam kotbaas of kotbazin/kotmadam genoemd.
KOV
(in VL) Staat voor ‘Katholiek Onderwijs Vlaanderen’. Sinds 1 augustus 2015 is KOV de netwerkorganisatie van het katholiek onderwijs in Vlaanderen. Onder het KOV vallen de niveaugerichte verbonden en diensten, de pedagogische begeleiding en de nascholing voor het katholiek onderwijs.

Tot 31 juli 2015 sprak men nog van het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO).
KPC-groep
(in NL)

Onderwijsadviesbureau dat in opdracht van het ministerie van OCW onderzoek verricht binnen de context van onderwijsvernieuwingen. De inzichten die hieruit voortvloeien, worden getoetst in de praktijk. KPC Groep geeft advies aan overheden, instellingen voor onderwijs en opleiding, bedrijven en non-profitorganisaties.

Website: www.kpcgroep.nl.

KSE
(in NL) Staat voor 'Kwalificatiestructuur Educatie'.

Ordeningskader voor de eindtermen voor het hele opleidingsaanbod van het beroepsonderwijs. Met dit kader wil men de kwaliteit en het profiel van de educatie bewaken. Een samenhangend geheel van eindtermen schept duidelijkheid over het aanbod van de educatie en biedt op die manier de individuele deelnemer duidelijkheid over de inhoud en het resultaat van de opleiding of cursus.

De eindtermen bieden instellingen en gemeenten mogelijkheden om afspraken te maken over de afstemming van het aanbod op de vraag en om in te spelen op nieuwe educatieve behoeften en vragen. Deze nieuwe vraag kan bijvoorbeeld voortvloeien uit de actuele discussie over 'een leven lang leren', waarin sprake is van nieuwe competenties, dat wil zeggen nieuwe kennis, vaardigheden en inzichten die van belang zijn voor het leven en werken in de toekomstige samenleving. Zulke competenties kunnen worden beschreven in eindtermen en deze eindtermen kunnen vervolgens weer een plaats krijgen in de kwalificatiestructuur.

kso
(in VL) Staat voor 'kunstsecundair onderwijs'.

Ook "kunsthumaniora'' genoemd. Een van de vier onderwijsvormen in het secundair onderwijs. Het kso is een kleine onderwijsvorm (ongeveer twee procent van de leerlingen van het secundair onderwijs kiest ervoor) en voorziet in een meer artistiek aanbod. Het kso besteedt aandacht aan kunst, biedt een artistiek en technisch-technologisch onderwijs aan en bereidt voor op het hoger (kunst)onderwijs.

kunsthumaniora
(in VL) Synoniem voor kunstsecundair onderwijs.
kwalificatiegetuigschrift
(in VL) Getuigschrift dat toegang tot functies op de arbeidsmarkt verleent.
kwalificatieniveau beroepsonderwijs
(in NL) Binnen het middelbaar beroepsonderwijs bestaan 4 kwalificatieniveaus. Aan elk niveau is een opleiding verbonden. De niveaus zijn:

1 Eenvoudige uitvoerende werkzaamheden Assistent opleiding 0,5-1 jaar
2 Uitvoerende werkzaamheden Basisberoepsopleiding 2-3 jaar
3 Volledige zelfstandige uitvoering van werkzaamheden Vakopleiding 2-4 jaar
4 Volledige zelfstandige uitvoering van werkzaamheden met brede inzetbaarheid dan wel specialisatie Middenkaderopleiding

Specialistenopleiding
3-4 jaar
1-2 jaar
kwalificatieniveau educatie
(in NL) Binnen de educatie zijn zes kwalificatieniveaus die worden aangeboden via 4 soorten opleidingen:
  1. de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo);
  2. de opleidingen Nederlands als tweede taal (NT2) I;
  3. de opleidingen Nederlands als tweede taal (NT2) II;
  4. de opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren en gericht op sociale redzaamheid (basiseducatie).
kwalificatiewinst
(in NL) Toename van het aantal gediplomeerden in de beroepskolom (vo, mbo, hbo) als gevolg van vermindering van de ongediplomeerde uitval en verbetering van de doorstroom naar de hogere opleidingsniveaus in het beroepsonderwijs.
kwaliteitskaart
(in NL) In 2007 is de kwaliteitskaart vervangen door de Toezichtkaart.

De kwaliteitskaart was een informatiekaart van elke school(vestiging) voor voortgezet onderwijs. Op de kaart stond algemene informatie, zoals de signatuur (protestants, openbaar ...), het aantal leerlingen en de verdeling van de leerlingen over de opleidingen (vbo, mavo, havo). Daarnaast bevatte de kwaliteitskaart actuele gegevens over zittenblijven, doorstroom en examenresultaten. De kwaliteitskaart gaf een beeld van enkele belangrijke kwaliteitsaspecten van de school. Ze werden overzichtelijk gepresenteerd voor ouders, leerlingen, scholen en andere belangstellenden. Op die manier was een vergelijking mogelijk met andere scholen in de regio en het landelijk gemiddelde. De kwaliteitskaarten werden elektronisch beschikbaar gesteld door de Inspectie van het Onderwijs.

kweek-A
(in SR)

Synoniem met pedagogische academie kleuteronderwijs.

De kweek-A is een vierjarige onderwijzersopleiding. Het diploma geeft de bevoegdheid les te geven aan kinderen in de leeftijd van vier tot acht jaar, d.w.z. twee jaren kleuterschool en de eerste twee jaren lagere school.
Naast het lbgo-AE-stream diploma laat de opleiding voor kleuterleidster ook studenten toe die over zijn van mulo 3 naar mulo 4 of afgewezen zijn in klas mulo 4 tot de tweede klas.

In klas 2 en 3 gaan de studenten eenmaal per week naar een kleuterschool voor praktijkoefening. Studenten van klas 4 gaan een dag per week naar een kleuterschool en een dag naar klas 1 en 2 van het glo.

Kleuterleidsters kunnen in een jaar verder opgeleid worden tot Hoofdkleuterleidster en zijn dan bevoegd een kleuterschool te leiden.

kweekschool
(in NL) Oude benaming voor: pedagogische academie basisonderwijs (pabo).
lager onderwijs
(in VL)

In Vlaanderen staat de term lager onderwijs voor de eerste zes leerjaren van het reguliere leerplichtonderwijs (zie: leerplicht). Kinderen starten in het eerste leerjaar als ze zes jaar oud zijn en verlaten het na het zesde leerjaar. Ze zijn dan twaalf of maximum dertien jaar oud.

In Nederland worden de termen lager onderwijs en lagere school minder gebruikt.

Zie: primair onderwijs.

lagere school
(in VL) Zie: lager onderwijs.
LAKS
(in NL) Staat voor 'Landelijk Aktie Komitee Scholieren'.

Het Landelijk Aktie Komitee Scholieren is een organisatie van, voor en door scholieren. Het LAKS organiseert diverse activiteiten voor scholieren en behartigt hun belangen. Doel van het LAKS is de leerling centraal te stellen en hem/haar een stem te geven. Dat gebeurt door scholieren om hun mening te vragen, klachten en vragen te beantwoorden en door cursussen te geven. Het LAKS richt zich onder andere op het vmbo, geeft mr/llr cursusses en focust op alle mogelijke vormen van leerlingparticipatie. Voor de vertegenwoordiging van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) richtte het LAKS in 1999 de Jongerenorganisatie Beroepsonderwijs (JOB) op.

Website: www.laks.nl.

De Vlaamse tegenhanger van het LAKS is de Vlaamse Scholierenkoepel (VSK).

las/lao
(in NL) Staat voor 'lager agrarisch onderwijs'.

Onderdeel van het vroegere lagere beroepsonderwijs (lbo) en in 1992 opgegaan in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). Samen met het mavo en een groot deel van het voortgezet speciaal onderwijs (vso) werd het vbo in 1999 samengevoegd tot het vmbo.

lbgo
(in SR) Staat voor 'lager beroepsgericht onderwijs'.

Het lbgo duurt vier jaar en bestaat uit twee brugjaren. Daarna kunnen leerlingen op basis van de resultaten toegelaten worden tot de volgende 'streams': de mulo, de administratief-economische, technische en huishoudelijke stroom. De laatste twee hebben geen verdere studiemogelijkheden.
Met het diploma van de administratief-economische stream kunnen leerlingen, die voldoen aan bepaalde voorwaarden, toegelaten worden tot de schakelklas van het IMEAO.

LBK GOA
(in NL) Staat voor 'Landelijk Beleidskader Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid'.

Zie: Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid (goa).

lbo
(in NL) Staat voor 'lager beroepsonderwijs'.

Ook wel 'ambachtsschool' genoemd. Het lbo werd in 1992 vervangen door het vbo. Het vbo ging in 1999 op zijn beurt op in het vmbo.

LBRT
(in NL) Staat voor 'Landelijke Beroepsvereniging Remedial Teachers'.

De LBRT is een vereniging van leerkrachten die zich hebben gespecialiseerd in de hulp aan kinderen en volwassenen met leerproblemen. De vereniging richt zich, binnen alle vormen van onderwijs, op de kwaliteitsbewaking van remedial teaching en de professionaliteit van de remedial teacher.

Meer info: http://www.lbrt.nl/.

LDC
(in NL) Staat voor 'Expertisecentrum voor Loopbaanvraagstukken'.

Organisatie die advies, trainingen, onderzoek en content voor gebruik op internet geeft binnen de domeinen arbeid, beroepen en opleidingen. De uitgeverij LDC publiceert jaarlijkse studiegidsen voor het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en het hoger onderwijs (ho), en gidsen voor de arbeidsmarkt.

Website: www.ldc.nl.

lds
(in NL) Staat voor 'lagere detailhandelsschool'.

Onderdeel van het vroegere lagere beroepsonderwijs (lbo). Is in 1992 opgegaan in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). Samen met het mavo en een groot deel van het voortgezet speciaal onderwijs (vso) werd het vbo in 1999 samengevoegd tot het vmbo.

leao
(in NL) Staat voor 'lager economisch en administratief onderwijs'.

Onderdeel van het vroegere lagere beroepsonderwijs (lbo). Is in 1992 opgegaan in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). Samen met het mavo en een groot deel van het voortgezet speciaal onderwijs (vso) werd het vbo in 1999 samengevoegd tot het vmbo.

lector
(in NL+VL) Lesgever in het hoger niet-universitair onderwijs. Zie ook: docent.

Vroeger werd deze term ook in het Nederlandse universitair onderwijs gebruikt, voor docenten met een rang onder die van hoogleraar. Sinds 1980 is de term 'lector' officieel niet meer in gebruik in het universitaire onderwijs.

Voor een volledige beschrijving van de ambten in de Vlaamse hogescholen, zie: hogeschoolpersoneel.
lectoraat
(in NL) Leerstoel van een of meer instellingen waar een lector wordt benoemd. Het lectoraat is ingebed in een context van vernieuwing, toegepast onderzoek en publicaties.

Zie ook: kenniskring.
leercontract
(in VL)

Een vorm van alternerend onderwijs voor leerlingen van 15 tot 25 jaar (vanaf 15 ½ als de leerling een tweede jaar secundair onderwijs met een volledig leerplan heeft gevolgd). Een leerling onder leercontract volgt afwisselend een theoretische opleiding (één dag per week) en een praktische beroepsopleiding in een onderneming (vier dagen per week). Samen met een erkend opleidingscentrum wordt een opleidingsplan opgemaakt.

Zie: leertijd.

Opgelet: In Nederland heeft leercontract een andere betekenis.

leercontract
(in NL)

Contract dat wordt afgesloten tussen een docent en een leerling met de bedoeling om de leerling die dat aankan meer beslissingsvrijheid te geven bij zijn studie. Binnen de krijtlijnen van het contract en gedurende een bepaalde periode kan de leerling zijn eigen leeractiviteiten regelen. Zo kan hij beslissen de lessen van sommige vakken niet bij te wonen, maar de leerstof zelfstandig te verwerken. In het leercontract staan de rechten en plichten van de leerling. Tegenover de rechten staan de verplichtingen om bepaalde opdrachten op bepaalde tijdstippen klaar te hebben. Indien de leerling zijn verplichtingen niet nakomt, vervalt het contract.

Opgelet: In Vlaanderen heeft leercontract een andere betekenis.

leergang
(in NL+VL) cursus, opleiding
leergebied
(in NL+VL)

Samenhangend geheel van leerinhouden. Verder uitsplitsbaar in deelleergebieden. Voorbeeld: meten is een deelleergebied van het leergebied wiskunde en rekenen.

leerjaar B
(in VL)

Eerste jaar van het secundair onderwijs waar alle jongeren terecht kunnen die 12 jaar zijn of die het 6de leerjaar basisonderwijs gevolgd hebben. De jongeren hoeven geen getuigschrift basisonderwijs te hebben om in te stappen. Na dit jaar kunnen de leerlingen overstappen naar het eerste jaar A of doorstromen naar het beroepsvoorbereidend leerjaar, ook 2bvl genoemd.

leerkracht
(in NL+VL) Verzamelnaam voor onderwijzend personeel.

Opgelet: in Vlaanderen en Nederland heeft deze term een verschillend bereik:

In Vlaanderen:
de algemeen gangbare verzamelnaam voor al het onderwijzend, niet-universitair personeel.

In Nederland:
lesgevers in het primair onderwijs (po); lesgevers in het voortgezet onderwijs (vo) en het hoger niet-universitair onderwijs worden in Nederland docenten genoemd.

Zie ook: onderwijzer, docent (NL), docent (VL).
leerlijn
(in NL)

Een leerlijn geeft voor een bepaald leergebied aan hoe kinderen van een bepaald beginniveau tot de kerndoelen komen. Cruciale momenten van de leerlijn worden tussendoelen genoemd.

Aan de hand van leerlijnen en tussendoelen kunnen leerkrachten de ontwikkeling van hun leerlingen veel beter volgen en hebben zij een leidraad om de kerndoelen te behalen.

De vertaling van de kerndoelen naar de dagelijkse onderwijspraktijk bleek voor veel scholen erg lastig. De kerndoelen zijn te algemeen geformuleerd om voldoende richting te geven aan het onderwijs. Daarom besloot men de leerlijnen en tussendoelen te ontwikkelen.

Opgelet: in Vlaanderen heeft leerlijn een iets andere betekenis.

leerlijn
(in VL)

Didactische term die verwijst naar de opbouw van les- of leerstofonderdelen volgens bepaalde criteria. Deze criteria kunnen variëren en worden gekoppeld aan doelen.

Een leerlijn kan chronologisch zijn (bv. in het vak geschiedenis), maar kan ook een traject weerspiegelen van gemakkelijk naar moeilijk, van concreet naar abstract, van vertrouwd naar niet-vertrouwd, van deel naar geheel (of omgekeerd) enz.

Het begrip leerlijn wordt meestal genoemd in verband met een jaarplan of breed curriculum, maar wordt ook toegepast binnen één les. In dat geval betekent leerlijn de constructieve en logische opeenvolging van fasen en activiteiten van het onderwijsproces.

Opgelet: in Nederland heeft leerlijn een iets andere betekenis.

leerlingenraad
(in NL+VL)

Participatieorgaan in het secundair onderwijs/voortgezet onderwijs.

In Vlaanderen:
In Vlaanderen is de oprichting van een leerlingenraad in het secundair onderwijs verplicht, tenzij het schoolreglement al een vorm van leerlingenparticipatie garandeert of tenzij minder dan tien procent van de leerlingen erom vraagt. Een leerlingenraad wordt door de leerlingen verkozen. In de raad hebben uitsluitend leerlingen zitting, maar zij kan wel het schoolhoofd en/of een of meerdere leerkrachten uitnodigen om de vergaderingen bij te wonen, in een kennisnemende of adviserende functie. De raad verleent advies over alle onderwerpen die de leerlingen rechtstreeks aanbelangen: van de noodzaak van een drankautomaat tot de samenstelling van het examenrooster. Voor advies kunnen leerlingenraden terecht bij de Vlaamse Scholierenkoepel.

In Nederland:
In Nederland hebben leerlingen het recht om zich te organiseren en mee te praten over beslissingen waar ze direct door geraakt worden. (art. 9, Wet Medezeggenschap Onderwijs) Dit meebeslissen gebeurt in de medezeggenschapsraad waarin alle personen die met de school te maken hebben worden vertegenwoordigd: leerlingen (in het voortgezet speciaal onderwijs (vso) vanaf 13 jaar), ouders, leerkrachten. Leerlingen kunnen naast hun vertegenwoordiging in deze raad ook hun eigen raad oprichten, een leerlingenraad. Die vertegenwoordigt de mening van scholieren op een school. Bovendien kan de raad zich bezighouden met verbetering van de sfeer op een school en met de kwaliteit van het onderwijs. Het belangrijkste recht dat de leerlingenraad heeft, is het recht om advies uit te brengen aan de medezeggenschapsraad: gevraagd en ongevraagd. De leerlingenraad kan bovendien eisen dat de medezeggenschapsraad dat advies doorgeeft aan het schoolbestuur. Het schoolbestuur moet op zijn beurt binnen drie maanden een schriftelijk antwoord geven. Leerlingen die een leerlingenraad willen oprichten, kunnen daarover advies krijgen van het LAKS.

Website: www.laks.nl.

leerlingenstatuut
(in NL) Reglement van de school waarin de rechten en plichten van alle leerlingen staan (regelingen i.v.m. te laat komen, proefwerkplanning, straffen, in beroep gaan tegen cijfers, vrijheid van uiterlijk, mogelijkheden voor het uitgeven van de schoolkrant, enz.). In het leerlingenstatuut moeten zeker de volgende vier onderwerpen geregeld zijn:
  1. wat de schoolregels zijn;
  2. hoe de school met geschillen tussen bijvoorbeeld leerkrachten en leerlingen omgaat;
  3. hoe de school de gegevens van de individuele leerling beschermt ('privacyregeling');
  4. hoe de school de kwaliteit van het onderwijs bewaakt.
Scholen zijn verplicht om een leerlingenstatuut op te stellen. Elke twee jaar moet het statuut opnieuw worden vastgesteld door het schoolbestuur. Zowel de leerlingen als de ouders in de medezeggenschapsraad moeten met het statuut instemmen. Het leerlingenstatuut is een openbaar stuk. Het moet dan ook voor leerlingen op school ter inzage liggen.
leerlingenstelsel
(in NL) In augustus 1997 opgegaan in de opleidingsniveaus van het beroepsonderwijs.

Zie: beroepsbegeleidende leerweg (bbl).
leerlingvolgsysteem
(in NL+VL) Staat voor 'leerlingvolgsysteem'.

Gestructureerde manier om de ontwikkeling van leerlingen te volgen. Er zijn systemen speciaal voor kleuters, andere voor lagereschoolkinderen of voor leerlingen secundair/voortgezet onderwijs. Via een leerlingvolgsysteem kan men de prestaties voor bepaalde vakken volgen, maar ook het welbevinden en de betrokkenheid van kinderen. Het lvs geeft leerkrachten/docenten betrouwbare informatie over de vorderingen van leerlingen én de groep als geheel. Het geeft ook inzicht in de kwaliteit van het onderwijs op school.

leerlingwezen
(in NL) Het leerlingwezen is bestemd voor jongeren vanaf 16 jaar met of zonder diploma van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). Leerlingen krijgen onderwijs en werken daarnaast in een bedrijf of een praktijkleerplaats. In augustus 1997 is het leerlingwezen opgegaan in de opleidingsniveaus van het beroepsonderwijs en heet het beroepsbegeleidende leerweg (bbl).
leerplan
(in VL)

Overzicht van leerstof die in de klas moet worden behandeld. Alle Vlaamse scholen zijn verplicht een door de overheid goedgekeurd leerplan te volgen. De belangrijkste voorwaarde voor goedkeuring van een leerplan is dat de ontwikkelingsdoelen of eindtermen die de overheid voor het lager (lo) en secundair onderwijs heeft laten opstellen, er herkenbaar in aanwezig zijn.
Leerplannen worden hetzij opgesteld door schooloverstijgende organisaties van schoolbesturen (koepels, netten), hetzij door andere instanties die gespecialiseerd zijn in leerplanontwikkeling, hetzij door de schoolbesturen.
Zo verbindt de school er zich toe om, zowel naar de overheid als naar de leerlingen en de ouders, de minimale verwachtingen, die breed maatschappelijk worden ondersteund, in haar onderwijsdoelen op te nemen. Door een bepaald leerplan te volgen geeft de school duidelijk aan welke doelen zij nastreeft en op welke manier zij die wil realiseren.

Zie ook: eindtermen.

leerplicht
(in NL+VL)

Niet te verwarren met schoolplicht.

In Nederland:
In Nederland geldt een leerplicht van vijf tot en met zestien jaar. Daarna volgt de zogenaamde kwalificatieplicht. Dat betekent dat jongeren (in principe tot hun 18e) dagonderwijs moeten volgen totdat ze een startkwalificatie (vwo, havo of mbo-2 diploma) hebben behaald.

In Vlaanderen:
In Vlaanderen begint de leerplicht op 1 september van het kalenderjaar waarin de jongere zes jaar wordt, en duurt ze vervolgens twaalf schooljaren.

leerplichtambtenaar
(in NL+VL)

Gemeentelijke ambtenaar die erop toeziet dat scholieren, ouders en schooldirecties zich houden aan de regels van de leerplicht. Bovendien zetelt hij in het bestuursorgaan dat beslist over aanvragen voor ontheffing van de leerplicht, vervangende leerplicht en extra verlof .

leertijd
(in VL)

Beter bekend onder de officieuze benaming 'leercontract' en ook wel 'leerovereenkomst' genoemd. De leertijd is een opleidingssysteem dat bestaat uit een combinatie van leren en werken voor jongeren vanaf 16 jaar. Het is een programma van ten minste zes maanden en bestaat uit twee delen: een contract voor een praktische beroepsopleiding in een zaak (minstens halftijds) en een theoretisch-praktische opleiding.
De opleiding wordt verzorgd door Syntra (Vlaams agentschap voor ondernemersvorming).

Leerplichtige jongeren kunnen met een ondernemingshoofd-opleider een leerovereenkomst (leercontract) sluiten. Wie ouder is dan 18 (en dus niet meer leerplichtig), maar weinig of geen vooropleiding heeft, kan met een stageovereenkomst noodzakelijke praktijkervaring opdoen. De jongere heeft als cursist-stagiair het statuut van leerling, maar krijgt wel een vergoeding van de patroon-opleider.

In Nederland is leerlingwezen een vergelijkbare term.

Zie ook: www.leertijd.be.

leerwegen
(in NL)

Binnen het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) kan een leerling zijn opleiding volgen in twee varianten:

  • de beroepsopleidende leerweg (bol). In de bol vindt de opleiding hoofdzakelijk op de school plaats, minimaal 20 en maximaal 60 procent van de opleiding vindt plaats in de beroepspraktijk.
  • de beroepsbegeleidende leerweg (bbl).
    In de bbl-opleiding omvat de beroepspraktijkvorming minimaal 80 procent van de studieduur.

leesdossier
(in VL) Een soort portfolio van verzamelde en zelf samengestelde informatie rond een literair werk. Elke leerling in het secundair onderwijs is vanuit de eindtermen verplicht om een leesdossier samen te stellen.
Leeswijzer Alfa NT2
(in NL+VL) De 'Leeswijzer Alfa NT2' is in opdracht van de Nederlandse Taalunie gemaakt en biedt een overzicht van ‘wat is wat’ en ‘wie is wie’ als het gaat om alfabetisering NT2 in Vlaanderen. De leeswijzer is te raadplegen op Leeswijzer Alfa NT2.
Leonardo da Vinci
(in NL+VL)

De Europese Commissie heeft een aantal van haar vroegere programma's in het domein van onderwijs en opleiding gegroepeerd in het Programma Erasmus+.

Leonardo da Vinci is er één van. Het focust op de leer- en opleidingsnoden van allen die betrokken zijn bij beroepsonderwijs en beroepsopleiding. Het heeft tot doel de competitiviteit van de Europese arbeidsmarkt te vergroten door Europese burgers te helpen nieuwe vaardigheden, kennis en kwalificaties te verwerven en om die erkend te zien over de grenzen heen.

Leonardo da Vinci staat open voor alle onderwerpen die betrekking hebben op beroepsonderwijs en -opleiding. Het ondersteunt de transfer van kennis, innovatie en expertise tussen alle sleutelactoren in dit domein.

Zie ook: Erasmus, Comenius, Grundtvig.

In Vlaanderen worden de Europese programma's begeleid door EPOS.
In Nederland worden de Europese programma's begeleid door Nuffic.

lerarendatabank
(in VL) Onlinedatabank waarop tijdelijke leraren, schoolverlaters en andere kandidaten hun curriculum vitae kunnen plaatsen. De databank wordt beheerd door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB). Scholen kunnen in de databank zoeken op regio en vak en vacatures plaatsen die automatisch bezorgd worden aan alle kandidaten die in aanmerking komen. De VDAB houdt de databank up-to-date en werkt daarvoor samen met het departement Onderwijs. De lerarendatabank vervangt sinds 1 september 2005 de vervangingspool.

Website:
http://onderwijs.vlaanderen.be/leerkrachtendatabank/.
lerarenondersteuner
(in NL) De functie van lerarenondersteuner is een relatief nieuwe functie die sinds begin 2002 bestaat. Lerarenondersteuners kunnen werkzaam zijn aan reguliere basisscholen, aan speciale scholen voor basisonderwijs (bo) en in het voortgezet speciaal onderwijs (vso).

Lerarenondersteuners hebben meer verantwoordelijkheden dan de onderwijsassistent, maar minder dan de leraar. Ook zij voeren hun taken uit onder verantwoordelijkheid van de leraar. Ze kunnen bijvoorbeeld leerlingen begeleiden bij het zelfstandig werken, instructie geven aan kleine groepjes, de voortgang van leerlingen of hun werk bijhouden. Ze leggen hierover verantwoording af aan de leraar.
lerarenopleiding voor het basisonderwijs
(in NL+VL) In Vlaanderen:
Zie: initiële lerarenopleiding.

In Nederland:
Zie: pedagogische academie basisonderwijs (pabo).
leren leren
(in VL) Een van de vakoverschrijdende eindtermen in het Vlaams Onderwijs. Leren leren of zelfstandig leren houdt in: informatie kunnen verwerven, verwerken en toepassen in allerlei situaties en ook jezelf kunnen motiveren. Je leert beter leren als je in staat bent je eigen manier van leren te observeren, te verrijken en bij te sturen waar nodig.
lessenrooster
(in VL) Schema van te geven lessen, opgesteld per week.
lestijden
(in VL)

Administratieve term die verwijst naar het aantal lesuren (van 50 minuten) dat:

  • een school in de vorm van een subsidie wordt toegewezen om zijn onderwijs te organiseren (het precieze aantal wordt berekend volgens een aantal parameters, o.a. het aantal ingeschreven leerlingen - men spreekt dan van het lestijdenpakket);
  • een onderwijsniveau of studierichting wekelijks omvat;
  • een leraar voor de klas staat;
  • enz.
Opgelet: in Nederland heeft de term lestijden een andere betekenis.

lestijden
(in NL) Term die verwijst naar de duur van een lesuur, bv. 50 minuten.

Opgelet: in Vlaanderen heeft de term lestijden een andere betekenis.
lestijdencoëfficiënt
(in VL)

Zie: wegingscoëfficiënt.

lestijdenpakket
(in VL)

Zie: lestijden.

levensbeschouwelijke vakken
(in VL) Verzamelterm voor de schoolvakken godsdienst, een op godsdienst berustende zedenleer of de niet-confessionele zedenleer, de eigen cultuur en religie of de cultuurbeschouwing. In Vlaanderen kunnen leerlingen (of hun ouders) kiezen tussen: islamitische godsdienst, Israëlitische godsdienst, niet-confessionele zedenleer, orthodoxe godsdienst, protestantse godsdienst en rooms-katholieke godsdienst.

Al deze vakken willen een mensgerichte, menswaardige maatschappij opbouwen, die wordt gekenmerkt door een voortdurende zorg voor een gezonde geest in een gezond lichaam. Daarbij worden niet de mensen maar de relaties tussen de mensen beschouwd als de hoekstenen van de samenleving.
levenslang leren
(in NL+VL)

Beleidsterm die stelt dat leren start bij de geboorte en nooit als voltooid kan worden beschouwd. Op Europees beleidsniveau wordt levenslang leren gedefinieerd als 'alle leeractiviteiten die gedurende het hele leven ontplooid worden om kennis, vaardigheden en competenties vanuit een persoonlijk, burgerlijk, sociaal en/of werkgelegenheidsperspectief te verbeteren.' De doelstellingen van levenslang leren omvatten persoonlijke ontplooiing, actief burgerschap, sociale integratie en inzetbaarheid/aanpassingsvermogen.

Naast de term levenslang is er ook de term levensbreed leren. Die term is echter enkel relevant als men levenslang leren verengt tot leren in functie van inzetbaarheid en alle andere leren tot leren met een direct economische meerwaarde.

lgf
(in NL) Staat voor 'leerlinggebonden financiering'.

Informeel ook wel 'Rugzak' genoemd. Daarmee bedoelt men faciliteiten en financiering voor leerlingen die les volgen in het gewoon onderwijs maar die specifieke zorg nodig hebben.

Ouders willen graag zelf beslissen of hun kind met een beperking naar het speciaal onderwijs (so) gaat of naar een 'gewone' school in de buurt. De rijksoverheid wil de integratie en emancipatie van mensen met een handicap bevorderen. Beide wensen zijn in 1995 verenigd in het beleidsplan 'de Rugzak'.

Het speciaal onderwijs of de rugzak is bedoeld voor kinderen met handicaps en zware leerproblemen. Om in aanmerking te komen voor het speciaal onderwijs of een Rugzak moet een leerling de goedkeuring krijgen van de commissie voor indicatiestelling. Ouders kunnen daarvoor bij één loket in de regio terecht: het regionale expertisecentrum (REC). Als leerlingen een indicatie hebben voor een bepaalde onderwijssoort, kan een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs (vso) ze niet weigeren op grond van hun handicap.

lhno
(in NL) Staat voor 'lager huishoud- en nijverheidsonderwijs'.

Onderdeel van het vroegere lagere beroepsonderwijs (lbo) en in 1992 opgegaan in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). Samen met het mavo en een groot deel van het voortgezet speciaal onderwijs (vso) werd het vbo in 1999 samengevoegd tot het vmbo.

licentiaat
(in VL) Universitaire graad behaald na een met succes afgeronde studie die in totaal vier of vijf jaar in beslag neemt. Sinds het decreet van 2003 werd deze term vervangen door master.
licentiaatsverhandeling
(in VL)

Wetenschappelijke verhandeling die een kandidaat moet schrijven en om de graad van licentiaat te krijgen.

Sinds de invoering van de bachelor-masterstructuur in 2003 worden de termen kandidaat, licentiaat en licentiaatsverhandeling niet langer gebruikt. In de plaats van licentiaatsverhandeling spreekt men nu van masterproef.

Lingua
(in NL+VL) Was onderdeel van het internationale Socrates-programma.

Lingua probeerde het talenonderwijs en de taalverwerving te bevorderen en steunde de andere Socrates-acties via maatregelen ter bevordering van taalkundige diversiteit in de Europese Unie.

Nu heeft de Europese Commissie heeft een aantal van haar vroegere programma's in het domein van onderwijs en opleiding gegroepeerd in het Programma Erasmus+.

Zie ook: Leonardo da Vinci, Grundtvig, Comenius, Erasmus, Minerva.
Linguapolis
(in VL)

Linguapolis is een expertisecentrum voor taalonderwijs. Het is een onderzoeks-, ontwikkelings- en opleidingsinstelling met als domein het leren, het onderwijzen en het toetsen van taal. Linguapolis organiseert taalopleidingen en communicatietrainingen. Het doet aan onderzoek en ontwikkelt materialen voor taalonderwijs en -toetsing.

Linguapolis is in 2006 ontstaan uit de fusie van het ICTL/Steunpunt Taal en Communicatie (UFSIA Antwerpen), het Centrum voor taal en spraak (UIA Antwerpen) en Didascalia.

Website: www.ua.ac.be/linguapolis en www.linguapolis.be.

lio
(in NL+VL) Staat voor 'leraar in opleiding'. Onderdeel van de lerarenopleiding. Als leraar in opleiding (lio) wordt de student in de laatste fase van zijn opleiding als leerling-werknemer aangesteld in een school.
lno
(in SR) Staat voor 'lager nijverheidsonderwijs'.

Het lager nijverheidsonderwijs, vroeger huishoudschool (hhs) genoemd, kende drie richtingen:

  1. een vooropleiding voor verzorgende beroepen;
  2. een opleiding voor huishoudelijke vakken;
  3. een opleiding voor naaldvakken.
De driejarige richting leidt op voor de arbeidsmarkt. Het lager nijverheidsonderwijs (lno) heeft nu zowel een drie- als een vierjarige richting. Het theoretisch en het algemeen vormende deel van de vierjarige richting komt overeen met dat van het lto, waar een nauwe samenwerking mee bestaat.

Bij het lno is er sprake van drie niveaus: A, B en C. A en B leiden op voor de arbeidsmarkt. Leerlingen van het C-niveau kunnen in aanmerking komen voor vervolgonderwijs. Studenten kunnen dan uit vijf vakrichtingen kiezen:

  1. Mode en Kleding
  2. Assistent Kinder- en Jeugdverzorging
  3. Dienstverlening en Verzorging
  4. Verzorgingsassistent(e)
  5. Horeca

LOB
(in NL) Staat voor 'Landelijk Orgaan Beroepsonderwijs.' Oude, niet meer gebruikte benaming voor Kenniscentrum Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven.
lobo
(in SR) Staat voor 'lerarenopleiding beroepsonderwijs'.

De lerarenopleiding beroepsonderwijs leidt leerkrachten op voor technische en beroepsgerichte vakken ten behoeve van het voortgezet beroepsonderwijs.

LOBO
(in NL) Staat voor 'Landelijke Oudervereniging Bijzonder Onderwijs op algemene grondslag'.

Een van de vier landelijke organisaties voor ouders in het basis-, speciaal en voorgezet onderwijs. De LOBO behartigt de rechten en belangen van ouders waarvan de kinderen naar een school voor algemeen bijzonder onderwijs gaan. Ze biedt ze ondersteuning, bv. voor bij het oprichten van een ouderraad en voert overleg met de overheid.

Website: www.lobo.nl.

LOC
(in VL) Staat voor 'Lokaal Overlegcomité'.

Synoniem voor Lokaal Onderhandelingscomité.

LOC
(in VL) Staat voor 'Lokaal Onderhandelingscomité'.

Wettelijk overleg- of onderhandelingsorgaan dat bevoegd is voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden op schoolniveau. Het regelt o.a. de arbeidsverhoudingen tussen het schoolbestuur en het personeel. Beide partijen zijn in dat comité vertegenwoordigd.

LOK
(in VL) Staat voor 'leerovereenkomst'.

Officieuze benaming voor het opleidingssysteem leertijd.

lokale raad
(in VL) Zie: schoolraad.
lom
(in NL) Staat voor 'leer- en opvoedingsmoeilijkheden'.

Benaming voor onderwijs dat is afgestemd op de specifieke moeilijkheden die kinderen en jongeren ondervinden bij het volgen van onderwijs. Sinds 1998 zijn er geen afzonderlijke scholen meer voor moeilijk lerende leerlingen (mlk-scholen), scholen voor leerlingen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lomscholen) en de afdelingen voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk-afdelingen). Voor leerlingen met dit soort problemen zijn er nu de speciale scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs.

LOP
(in VL) Staat voor 'Lokaal Overlegplatform'.

Orgaan dat tot doel heeft het inschrijvingsrecht te bewaken.
Sinds 1 september 2002 zijn in Vlaanderen 69 lokale overlegplatforms in werking. Er zijn LOP's voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs.

Het lokaal overlegplatform heeft een onderzoeks- en adviesopdracht en speelt daarnaast een ondersteunende en bemiddelende rol. Zo zullen de medewerkers van het lokaal overlegplatform bemiddelen als een school een kind niet wil inschrijven. Zij zullen ouders ook bijstaan in hun zoektocht naar een gepaste school in geval van weigering of doorverwijzing.

Elk LOP is samengesteld uit directies en inrichtende machten van scholen en centra voor leerlingenbegeleiding, het personeel van scholen, ouders en leerlingen, vertegenwoordigers van plaatselijke socioculturele en/of economische partners, vertegenwoordigers van organisaties van allochtonen en (kans)armen, integratiecentra, onthaalbureaus voor nieuwkomers en schoolopbouwwerk.

Website: www.lop.be
Lopon2
(in NL+VL) Staat voor 'Vereniging Lerarenopleiders primair onderwijs Nederlands en Nederlands als tweede taal'.

Is een Vlaams-Nederlandse vereniging voor lectoren, opleidingsdocenten Nederlands en Nederlands als tweede taal van lerarenopleidingen gericht op het primair onderwijs in Nederland en Vlaanderen.

Website: www.lopon2.net.

lorgo
(in VL) Staat voor 'lokale schoolraad van het gemeenschapsonderwijs'.

Vroeger participatieorgaan in het Gemeenschapsonderwijs, ingericht per school of scholengroep.

De lorgo bestond uit vertegenwoordigers van de inrichtende macht, de ouders, het personeel, de lokale gemeenschap. Zij had beslissingsbevoegdheid over al wat op lokaal vlak kan worden geregeld: materiële kwesties, financiën, onderwijskundige zaken en personeelsbeleid (aanstelling van tijdelijke leerkrachten).

Sinds 2001 zijn de lorgo's vervangen door nieuwe schoolraden.

LPC
(in NL) Staat voor 'Landelijke Pedagogische Centra'.

Landelijke centra voor de ondersteuning van regulier en speciaal onderwijs. De centra geven adviezen, organiseren cursussen, conferenties en studiedagen, doen aan onderzoek en aan materiaalontwikkeling. Er zijn drie landelijke pedagogische centra:

  • het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS)
  • het Christelijk Pedagogisch Centrum (CPS)
  • KPC-Groep
lto
(in SR) Staat voor 'lager technisch onderwijs'.

Het lto wordt gegeven op een lagere technische school (lts). Het is een vierjarige opleiding, waar naast algemeen vormende en theoretische vakken ook praktijkvakken worden verzorgd.

Aan het eind van het eerste studiejaar kunnen de leerlingen kiezen voor de volgende studierichtingen:

  • bouwkunde;
  • elektrotechniek;
  • schilderen;
  • werktuigbouwkunde;
  • voertuigentechniek;
  • gas, water en sanitair;
  • agrarische productie.
Er zijn twee afstudeerniveaus: de C-richting voor wie naar het mbo (Natin) wil doorstromen en de B-richting voor wie direct in het arbeidsproces zal worden betrokken.

lts
(in SR) Staat voor 'lagere technische school'.

Zie: lager technisch onderwijs (lto).

Opgelet: in Nederland heeft lagere technische school een andere betekenis.

lts
(in NL) Staat voor 'lagere technische school'.

De lagere technische school was een onderdeel van de vroegere ambachtsschool en is opgegaan in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). Samen met het mavo en een groot deel van het voortgezet speciaal onderwijs (vso) werd het vbo in 1999 samengevoegd tot het vmbo.

Opgelet: in Suriname heeft lagere technische school een andere betekenis.

lumpsum financiering
(in NL)

Lumpsum financiering betekent dat de overheid bestedingsvrijheid geeft aan scholen. Schoolbesturen krijgen een totaalbedrag voor personeelskost en materiële uitgaven. Ze maken daarbij zelf uit hoe ze dat geld besteden.

Het gaat bij lumpsum financiering niet enkel om de centen, het systeem is onlosmakelijk verbonden met de principes van 'deregulering en autonomievergroting'. Dat staat voor meer vrijheid voor de onderwijsinstellingen en minder beregeling vanwege de overheid.
Scholen krijgen meer ruimte om te bepalen hoe ze hun onderwijs inrichten en welke functie hun school moet hebben in relatie tot de omgeving. Het onderwijs kan dan worden afgestemd op de specifieke situatie in een bepaalde school, wijk of stad. Dat zou de school, het onderwijs, de leerlingen en hun ouders ten goede moeten komen.

In Vlaanderen spreekt men van enveloppenfinanciering.

LVVN
(in NL) Staat voor 'Landelijke Vereniging van Neerlandici'.

Vakvereniging die zijn leden informeert over de ontwikkelingen en mogelijkheden van de neerlandistiek. Dat gebeurt o.a. via een eigen tijdschrift ('Vaktaal') en door het organiseren van cursussen, excursies, lezingen en congressen.

Sinds 2014 is de LVVN opgegaan in de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek.
lwoo
(in NL) Staat voor 'leerwegondersteunend onderwijs'.

Voor kinderen op het vmbo die niet in aanmerking komen voor een Rugzak, maar toch extra ondersteuning nodig hebben, is er een zorgstructuur opgezet: het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en het praktijkonderwijs (pro) .
Het lwoo is voor leerlingen die in staat worden geacht een vmbo-diploma te behalen; het pro leidt direct op tot werk. Leerlingen in het lwoo of pro zitten soms in aparte klassen.

lyceum
(in NL)

Het lyceum is een van de drie schooltypes van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) voor leerlingen van 12-18 jaar. Op het lyceum zijn Grieks en Latijn keuzevakken. Andere schooltypes in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs zijn het atheneum en het gymnasium.

Opgelet: in Vlaanderen heeft lyceum een andere betekenis.

lyceum
(in VL)

Scholen in het secundair onderwijs die behalve algemeen (aso) ook kunst-(kso), technisch (tso) en beroepsonderwijs (bso) geven, heten 'lyceum' of 'college' als het gaat om vrije scholen en 'atheneum' als het gaat om officiële (neutrale) scholen. Instellingen waar technisch of beroepsonderwijs wordt gegeven, worden meestal 'instituut' genoemd.

Lycea waren in Vlaanderen oorspronkelijk enkel toegankelijk voor meisjes, colleges enkel voor jongens. Sinds 1994 mag in Vlaanderen echter niemand meer de toegang geweigerd worden tot een secundaire school op basis van geslacht.

Opgelet: in Nederland heeft lyceum een andere betekenis.

M-decreet
(in VL) Het M-decreet verwijst naar het Vlaamse decreet van 21 maart 2014 dat bepaalt hoe Vlaamse scholen moeten omgaan met leerlingen die door een beperking specifieke onderwijsbehoeften hebben. Het decreet legt vast dat een leerling met specifieke onderwijsbehoeften het recht heeft om zich in te schrijven in een reguliere school. Om aan de behoeften van de leerlingen te voldoen bouwt de school een zorgcontinuüm uit en gaat voor elke individuele leerling na welke redelijke aanpassingen of maatregelen de leerling nodig heeft om les te kunnen volgen in het reguliere onderwijs. Door de maatregelen beschreven in het decreet staat de term quasi synoniem voor inclusief onderwijs. Voortaan moeten leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften zoveel mogelijk les volgen in het reguliere onderwijs. Daarbij worden ze ondersteund door experts uit het buitengewoon onderwijs.

Het Nederlandse equivalent hiervoor is passend onderwijs.
maatschappijleer
(in NL) Schoolvak in het voortgezet onderwijs (vo) dat betrekking heeft op de kennis van de maatschappij, en wat daarin zoal omgaat.

In Vlaanderen spreekt men van zedenleer .
magneetschool
(in NL+VL) Scholen die, vaak met behulp van extra financiële middelen, een hoog niveau bereiken op één bepaald terrein, zoals kunst, wetenschappen of taal. Hierdoor worden ze aantrekkelijker voor ouders en leerlingen, en kunnen ze extra leerlingen bereiken.

Magneetscholen zijn vaak concentratiescholen, die door de herprofilering trachten een meer gemengd publiek van allochtonen en autochtonen aan te trekken.

Het idee voor magneetscholen komt uit Amerika ('magnet schools').
major
(in NL+VL)

Aan sommige universiteiten kunnen studenten kiezen voor een hoofdprogramma (major, bv. Engels) en een nevenprogramma (minor, bv. Nederlands). Bedoeling is een bredere opleiding te realiseren.

Mammoetwet
(in NL) Bijnaam voor de Wet op het Voortgezet Onderwijs.
master
(in NL+VL)

Zie: bachelor-master.

masterproef
(in NL+VL)

Wetenschappelijke verhandeling die een bachelor moet schrijven en om de graad van master te krijgen.

Meer info: zie bachelor-master.

Voor Vlaanderen, zie ook: licentiaatsverhandeling, thesis en scriptie.

masterscriptie
(in NL+VL)

Zie masterproef.

masterthesis
(in NL+VL)

Zie masterproef.

mavo
(in NL) Staat voor 'middelbaar algemeen voortgezet onderwijs'.

Voor 1999 één van de drie types voortgezet onderwijs (vo), naast het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo).

Mavo-onderwijs duurt vier jaar, voor leerlingen van twaalf tot zestien jaar. Het bereidt leerlingen voor op het beroepsonderwijs of de laatste twee jaar van het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo).
Sinds 1 augustus 1999 is het mavo samen met het vbo en sommige vormen van voortgezet speciaal onderwijs (vso) samengevoegd tot het vmbo, het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs.

Opgelet: in Vlaanderen staat de afkorting mavo voor maatschappelijke vorming.

mavo
(in VL) Staat voor 'maatschappelijke vorming'.

Leervak in het beroepssecundair onderwijs (bso).

Opgelet: in Nederland staat de afkorting mavo voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs.

mbo
(in NL) Staat voor 'middelbaar beroepsonderwijs'.

Vorm van voortgezet onderwijs (vo). Het mbo behoort tot de tweede fase van het voortgezet onderwijs, duurt vier jaar en is bedoeld voor leerlingen van zestien tot twintig jaar. Er worden zowel algemene als beroepsgerichte vakken gegeven.
In het mbo stromen leerlingen door naar een baan of naar het hoger beroepsonderwijs (hbo). Het mbo leidt vooral op tot functies bij overheid, handel en industrie, type filiaalchef, afdelingschef, onderofficier in het leger, etc.

Het omvat twee leerwegen:

  1. de beroepsbegeleidende leerweg (bbl, mbo-werkend leren)
  2. de beroepsopleidende leerweg (bol, mbo-dagonderwijs)

Er bestonden in Nederland honderden mbo-instellingen. Vandaag zijn die gefuseerd tot 65 instellingen, waaronder 44 regionale opleidingscentra (zie roc).

Opgelet: in Vlaanderen heeft middelbaar beroepsonderwijs een andere betekenis. Het middelbaar beroepsonderwijs in Nederland is in Vlaanderen te vergelijken met de beroepsgerichte opleidingen van het tso en het bso.

mbo-dagonderwijs
(in NL) Zie: beroepsopleidende leerweg.
mbo-plus
(in NL) Onofficieel niveau in de kwalificatiestructuur van het beroepsonderwijs. Mbo-plus opleidingen zijn tweejarige mbo-opleidingen voor leerlingen die in het bezit zijn van een havo- of vwo-diploma en die niet kiezen voor een vierjarige vervolgopleiding op hbo-niveau. Ze vormen een goede basis voor eventuele vervolgstudies. Het praktijkonderdeel, waaronder een stage, wordt in nauw overleg met het bedrijfsleven ingevuld.

mbo-werkend leren
(in NL) Zie: Beroepsbegeleidende Leerweg (bbl).
mdgo
(in NL) Staat voor 'middelbaar dienstverlenings- en gezondheidszorgonderwijs'.

Het middelbaar dienstverlenings- en gezondheidszorgonderwijs is in 1996 opgegaan in het mbo.

mdo
(in NL) Staat voor 'multidisciplinair overleg'.

Overlegorgaan op school. In het mdo worden de leerlingen besproken die binnen de school op de een of andere manier zorg nodig hebben. Het mdo bestaat uit de interne begeleider van de school, de groepsleraar, een collega uit het speciaal onderwijs, de schoolbegeleider en iemand uit de medische hoek.

Opgelet: in Vlaanderen heeft de term multidisciplinair overleg een andere betekenis.

mdo
(in VL) Staat voor 'multidisciplinair overleg'.

Overlegorgaan binnen de school waaraan de klastitularis, de taakleraar, de directeur en een CLB-medewerker deelneemt. Het mdo wordt ongeveer driemaal per jaar georganiseerd. Tijdens het overleg worden alle leerlingen en kleuters besproken. Het mdo wordt indien nodig tussentijds samengeroepen om een bepaalde leerlingsituatie te bespreken. Nadien worden ouders geïnformeerd en/of geraadpleegd. In het secundair onderwijs spreekt men van de klassenraad.

Opgelet: in Nederland heeft de term multidisciplinair overleg een andere betekenis.

meao
(in NL) Staat voor 'middelbaar economisch en administratief onderwijs'. Het meao is een onderwijsvorm die leerlingen voorbereidt op arbeid waar in beperkte mate leiding gegeven moet worden (bv. administratieve functies). Met de invoering van de Mammoetwet kwamen in het meao leerinhouden aan bod die daarvoor in het handelsonderwijs onderwezen werden. In 1997 is het meao opgegaan in het mbo.
Momenteel zijn de economische en administratieve opleidingen binnen het mbo verantwoordelijk voor ongeveer een vierde van de totale leerlingenpopulatie in het mbo.

Zie ook: imeao.
medezeggenschapsraad
(in NL) Participatieorgaan bestaande uit vertegenwoordigers van het personeel, de ouders en/of de leerlingen. Elke gewone school heeft verplicht een medezeggenschapsraad die meebeslist over de organisatie van de school en de inrichting van het onderwijs.
Concreet overlegt de medezeggenschapsraad met de directie en het schoolbestuur over onderwerpen, zoals de besteding van geld en gebouwen, het vaststellen van vakanties en vrije dagen, de manier waarop ouders kunnen meehelpen in het onderwijs en bij andere activiteiten, het kiezen van leermethodes en verbeteringen van het onderwijs in het algemeen.
Elk belangrijk besluit dat het bestuur wil nemen, moet worden voorgelegd aan de medezeggenschapsraad. Op zijn beurt kan de medezeggenschapsraad elk standpunt dat zij heeft, kenbaar maken aan het bestuur.

In Vlaanderen spreekt men van de schoolraad.

Zie ook: ouderraad.
medisch schoolonderzoek
(in VL) Zie: medisch schooltoezicht.
meester
(in NL+VL) Zowel in Nederlandse als in Vlaamse basisscholen wordt een leraar vaak met 'meester' aangesproken, hoewel dit in Nederland iets minder ingeburgerd is. Leraressen worden in Nederland en Vlaanderen 'juf' of 'juffrouw' genoemd.
mentor
(in NL) Onderwijskracht die een leerling of de klas begeleidt bij zaken die niet specifiek met het vakonderwijs te maken hebben, maar meer algemeen met de studie of school. De mentor is ook een soort vertrouwens- en raadsman voor de leerling binnen de school.

Zie ook: counselor en decaan.

Opgelet: in Vlaanderen heeft mentor een andere betekenis.
mentor
(in VL) Schoolinterne begeleider van leraren in opleiding of van beginnende leraren. Meestal is de mentor een (ervaren) leerkracht van de school, die speciaal voor die functie wordt aangesteld. Voor de begeleiding van beginnende collega's kan de school hem bovendien een aantal lesuren per week vrijstellen.

Opgelet: in Nederland heeft mentor een andere betekenis.
methodeschool
(in VL) School met een typische filosofische en ideologische achtergrond. In methodescholen wordt ook een uitgesproken mens- en maatschappijbeeld nagestreefd. Men baseert zich voor de vernieuwing van de klaspraktijk op bestaande pedagogische ideeën van o.m. Dalton, Freinet, Steiner, Montessori, jenaplan, Decroly... of men werkt volgens het model van het ervaringsgericht onderwijs (ego).

In Nederland gebruikt men de verzamelnaam traditionele vernieuwingsschool voor deze vormen van onderwijs.
mhas
(in SR) Staat voor 'middelbare handelsavondschool'.

Deze school verzorgt het meao-programma. Het imeao bestaat uit twee richtingen: een tweejarige secretariële opleiding en een driejarige economisch-administratieve opleiding. Tot het eerste leerjaar van het imeao worden leerlingen met een mulo diploma toegelaten.

Opmerking: Voor de vernieuwing van het programma heette al het onderwijs in deze richting handelsonderwijs.

middelbaar beroepsonderwijs
(in VL) Zie: beroepssecundair onderwijs (bso).

Opgelet: in Nederland heeft middelbaar beroepsonderwijs (mbo) een andere betekenis.
middelbaar onderwijs
(in NL+VL) Synoniem voor secundair (VL) / voortgezet (NL) onderwijs.
middelbare school
(in NL+VL) Zie: middelbaar onderwijs.
middenjury
(in VL) Zie: Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap

middenkaderopleiding
(in NL) De middenkaderopleiding duurt drie tot vier jaar en leidt op tot niveau vier van de beroepsopleidingen, het hoogste niveau. Als toelatingseis geldt een diploma voorbereidend beroepsonderwijs (vbo), middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) of drie jaar hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Leerlingen zijn dan circa vijftien of zestien jaar oud.
middenschool
(in NL) Experimenteel schooltype waarop alle kinderen na de basisschool zonder onderscheid naar voorkeur en begaafdheid bij elkaar in de klas komen en waarbij de definitieve keuze van de school voor voortgezet ondwijs (vo) pas later volgt.

Opgelet: in Vlaanderen heeft middenschool een andere betekenis.
middenschool
(in VL) Onafhankelijke school of vestigingsplaats van een andere school waar uitsluitend onderwijs voor de eerste graad van het secundair onderwijs wordt aangeboden.

Opgelet: in Nederland heeft middenschool een andere betekenis.
middenstandsopleiding
(in VL) Ook: ondernemersopleiding.
Specifieke opleiding voor al wie zich als zelfstandige wil vestigen of een eigen zaak wil starten. Een vooropleiding hebben in het beroep of het beroep reeds uitoefenen is een vereiste.

De meeste ondernemersopleidingen duren twee jaar. Er zijn ook een aantal eenjarige opleidingen en opleidingen die lopen over drie jaar. Een aantal ondernemersopleidingen is modulair opgebouwd zodat, afhankelijk van het individuele leertraject en volgens de organisatiemogelijkheden van de lesplaats, de opleiding over minder of meer dan twee jaar kan worden gevolgd.
Wie de ondernemersopleiding met succes afrondt, ontvangt een diploma dat beantwoordt aan de eisen van de vestigingswet. Naast het diploma ontvangt de cursist een getuigschrift van de basiskennis van bedrijfsbeheer waarmee hij voldoet aan de Programmawet inzake de vereisten van bedrijfsbeheer.

Websites: www.syntra.be.
Minerva
(in NL+VL) Was een onderdeel van het internationale Socrates-programma (zie: Socrates).

Het programma stimuleerde samenwerking op het vlak van open- en afstandsonderwijs (OAO) en informatie- en communicatietechnologie (ICT) in het onderwijs. De Europese Commissie heeft een aantal van haar vroegere programma's in het domein van onderwijs en opleiding gegroepeerd in het Programma Erasmus+.

Zie ook: Lingua, Leonardo, Grundtvig, Comenius, Erasmus.

ministerie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (MinOCW)
(in NL)

Nederlands ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschappen.

Website: www.minocw.nl.

minor
(in NL+VL) Zie major.
MKB-route
(in NL)

Combinatie van een langdurige stage en een afstudeeropdracht. Een door de hbo-raad en de werkgeversorganisatie MKB-Nederland uitgestippelde proef die meer hogeschoolstudenten moet betrekken bij het midden- en kleinbedrijf. In het vierde en laatste studiejaar kunnen studenten een jaar, tegen een vast salaris, meelopen in een klein of middelgroot bedrijf. De studenten mogen ook drie jaar doen over het examenjaar.

mlk
(in NL) Staat voor 'moeilijk lerende kinderen'.

Onderwijs voor moeilijk lerende kinderen is een vorm van speciaal basisonderwijs. Sinds 1998 zijn er geen afzonderlijke scholen meer voor moeilijk lerende leerlingen (mlk-scholen), scholen voor leerlingen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom-scholen) en de afdelingen voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk-afdelingen). Voor leerlingen met dit soort problemen zijn er nu de speciale scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs (zie: speciaal onderwijs).

mms
(in NL) Staat voor 'middelbare meisjesschool'.

De middelbare meisjesschool (mms) is een oude, vijf jaar durende Nederlandse onderwijsvorm. De mms werd speciaal opgericht voor meisjes en was wat betreft het curriculum vergelijkbaar met de hbs (het latere havo).

Het eindexamen mms gaf geen toelating tot de universiteit. Wel werd men toegelaten tot een aantal voortgezette middelbare opleidingen (tegenwoordig hbo-opleidingen), zoals de kweekschool, de kunstacademie en de school voor maatschappelijk werk.

De mms en hbs werden door de Mammoetwet in 1968 gereorganiseerd tot havo en atheneum als voorbereiding op het hoger respectievelijk wetenschappelijk onderwijs (wo).

mo
(in NL+VL) Staat voor 'maatschappijoriëntatie'.

In Nederland:

Oude benaming voor Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS), een vak in het inburgeringsprogramma van migranten. Zie ook: Bureau voor Nieuwkomers.

In Vlaanderen:

  1. Vak in de basiseducatie en als dusdanig een onderdeel van het inburgeringstraject dat een eerste aanzet biedt tot zelfstandig functioneren in de maatschappij. Voorbeelden: theorie rijbewijs, geheugentraining, gezinsleren, actief burgerschap (verkiezingen) enz.
  2. Minder gebruikte term voor een vak in het basisonderwijs.
Zie ook: wereldoriëntatie.

modularisering
(in VL)

Experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel dat jongeren meer kansen wil bieden op de arbeidsmarkt en dat onderwijs en arbeidsmarkt dichter bij elkaar wil brengen. Omdat een behoorlijk aantal Vlaamse jongeren het leerplichtonderwijs (leerplicht) verlaat zonder diploma wordt het onderwijsaanbod van beroepsopleidingen gemodulariseerd. Dit gebeurt in het bso, in opleidingsvorm 3 en 4 van het buso en in het dbso.

Concreet betekent dit dat leerlingen die hun schoolloopbaan niet afmaken of niet slagen, een getuigschrift krijgen voor die vakken of vakkengroepen waarvoor ze wel geslaagd zijn. Deelcertificaten geven toegang tot de arbeidsmarkt of tot vervolgonderwijs. Door de opleidingsstructuur en de verschillende onderdelen daarvan af te stemmen op de gevraagde kwalificaties, worden het onderwijsaanbod en de arbeidswereld dichter bij elkaar gebracht.

module
(in VL) In het volwassenenonderwijs in Vlaanderen wordt de leerstof vaak opgedeeld in opleidingsonderdelen of modules die afzonderlijk gevolgd kunnen worden en waarvoor telkens een deelattest wordt uitgereikt. Wie alle modules van een opleiding met succes heeft doorlopen, behaalt het diploma voor die opleiding. Op die manier is een soepeler leertraject mogelijk.
montessorischool
(in NL+VL) Methodeschool volgens de pedagogiek van Maria Montessori.
De montessorionderwijsmethode is gebaseerd op individualisering, zelfwerkzaamheid en niet-cognitieve vakken en vertrekt vanuit de spontane bezigheid van het kind.
In Vlaanderen komen relatief weinig montessorischolen voor. In Nederland zijn ze courant aanwezig (ruim 150 in Nederland).

Maria Montessori (1870-1951) was een Italiaanse arts, die belangrijke ontdekkingen deed over de ontwikkeling en opvoeding van kinderen.
Montessori basisscholen zijn scholen zonder lessenrooster, zonder zittenblijven en zonder cijferbeoordelingssysteem. Kinderen blijven telkens drie jaar bij één leid(st)er. Centraal staan respect voor het kind, ontwikkeling van eigen verantwoordelijkheid en individuele begeleiding.
Het montessoriconcept klinkt door in de huidige trend naar studiehuis en leren leren.

Zie ook: traditionele vernieuwingsschool.
moraal
(in VL) In Vlaanderen gebruikt als synoniem voor het schoolvak niet-confessionele zedenleer.
MST
(in VL) Staat voor 'Medisch Schooltoezicht'.

Periodiek medisch onderzoek bij scholieren, dat deel uitmaakt van de werking van de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB).

mulo
(in SR) Staat voor 'meer uitgebreid lager onderwijs'.

Het Meer Uitgebreid Lager Onderwijs biedt een vierjarig programma aan en wordt vanaf het tweede jaar gesplitst in een A- en een B-richting.
Bij de A-richting wordt het accent naast de algemeen vormende vakken gelegd op handelsvakken (boekhouden), bij de B-richting op wis- en natuurkunde.
Vanuit het derde en het vierde leerjaar is het mogelijk een toelatingsexamen te doen voor vwo/havo. Voor het Natin moeten leerlingen wel over het mulodiploma beschikken, alvorens ze kunnen meedoen aan het toelatingsexamen.

mulo
(in NL) Staat voor 'meer uitgebreid lager onderwijs'.

Onderwijsvorm die volgde op het basisonderwijs. In 1968 werd deze richting afgeschaft door de zogenaamde Mammoetwet.

muzische vorming
(in VL) Een van de vijf leergebieden in het basisonderwijs. De andere vier zijn lichamelijke opvoeding, Nederlands, wereldoriëntatie en wiskundige initiatie. Muzische vorming beslaat vijf domeinen: beweging, drama, muziek, beeld en media.
mytylschool
(in NL) Een vorm van speciaal onderwijs (so) voor kinderen met een lichamelijke handicap. Een tyltylschool is voor kinderen met meervoudige handicaps.

Een van de kenmerkende aspecten van mytyl-/tyltylscholen is dat in een klas of groep naast onderwijs ook revalidatiezorg wordt gegeven.

De naam is overgenomen uit een sprookje van de Belgische schrijver Maurice Maeterlinck, 'l'Oiseau Bleu' (De Blauwe Vogel), over het meisje Mytyl en haar broertje Tyltyl.
nabewaking
(in VL) Georganiseerde opvang in de school voor leerlingen die na de officiële schooluren nog niet meteen naar huis gaan. (Analoog: voorbewaking.)

Zie ook: naschoolse opvang, nablijven

nablijven
(in NL+VL)

In Nederland:
Na de officiële schooluren nog wat langer op school blijven.

In Vlaanderen:
Idem, maar mogelijk ook als straf bedoeld, bv. 'Piet moest een uur nablijven, omdat hij zijn huiswerk niet had gemaakt.'

Zie ook: nabewaking, naschoolse opvang.

naschoolse opvang
(in NL+VL) Niet te verwarren met: eerste opvangschool.

Georganiseerde opvang in de school voor leerlingen die na de officiële schooluren niet onmiddellijk naar huis gaan (analoog: voorschoolse opvang).

Zie ook: nabewaking (VL), nablijven
Natin
(in SR) Staat voor 'Natuurtechnisch Instituut'.

Vierjarige middelbare beroepsopleiding op het gebied van Natuur en Techniek en een Analistenopleiding (vanaf het tweede jaar kan gekozen worden tussen medisch of chemisch analist).

natuurkunde
(in NL+VL) Vak in het voortgezet onderwijs (vo); wordt in het Vlaams secundair onderwijs meestal fysica genoemd.
navorming
(in VL) Synoniem voor 'nascholing'; wordt enkel in Vlaanderen gebruikt.
navormingscentrum
(in VL) Centrum waar leerkrachten terecht kunnen voor nascholing. Een nascholingscentrum kan autonoom zijn of verbonden aan een universiteit, overheid e.d.
Scholen kiezen vrij uit het aanbod van de centra. Zij ontvangen daarvoor een jaarlijkse subsidie per leerkracht. De overheid stimuleert wel de vraaggerichte nascholing, waarbij scholen intern nagaan aan welke nascholing er prioritaire behoefte is. Het kan daarbij gaan om vakgerichte of vakoverschrijdende nascholing enerzijds of om individuele of teamgerichte nascholing anderzijds.

Zie: ook pedagogische begeleider.
NBMV
(in VL) Staat voor ‘Niet-begeleide minderjarige vreemdeling’.

Een niet-begeleide minderjarige is een jonge vreemdeling die in België woont zonder begeleiding van de ouders of de wettelijke voogd. Omwille van hun kwetsbare situatie, hebben ze in België recht op opvang en bescherming. De definitie van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is vastgelegd in de Voogdijwet van 24 december 2002. Om het statuut van niet-begeleide minderjarige vreemdeling te krijgen, moet de persoon voldoen aan de volgende voorwaarden:

  1. Jonger zijn dan 18 jaar
  2. Niet begeleid zijn door een persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij over hen uitoefent
  3. Onderdaan zijn van een land dat geen lid is van de Europese Economische Ruimte >li>In een asielprocdeure zitten of geen wettelijk verblijf in België hebben.
In 2014 kwam er een nieuwe wet waardoor ook jongeren van binnen de Europese Economische Ruimte het statuut van niet-begeleide minderjarige vluchteling kunnen krijgen.

In Nederland gebruikt men de term ‘alleenstaande minderjarige asielzoeker’ (ama)
NDN
(in VL) Staat voor 'Netwerk Didactiek Nederlands'.

Vakvereniging voor neerlandici die de belangen behartigt van de didactiek en het onderwijs Nederlands in de Vlaamse Gemeenschap en daarbuiten. Dit doet het Netwerk Didactiek Nederlands door:

  1. haar leden, het onderwijsbeleid, de inrichtende machten van het onderwijs... (via o.a. een uitgebreide digitale nieuwsbrief) te informeren over de taaldidactische ontwikkelingen in binnen- en buitenland;
  2. initiatieven te ondernemen en/of te stimuleren die betrekking hebben op taaldidactische ontwikkelingen en onderzoek;
  3. structurele en organisatorische onderwijsontwikkelingen of beleidsvoornemens die betrekking hebben op taaldidactiek kritisch te onderzoeken;
  4. internationale contacten voor de taaldidactiek te verzorgen;
  5. de Vlaamse taaldidactiek in het buitenland te vertegenwoordigen.
Voorheen Vereniging Vlaamse Moedertaaldidactici (VVM) genoemd.

Website: http://www.netdidned.be.

net
(in VL) Zie: onderwijsnet.
neveninstromer
(in NL+VL) Leerling die niet gestart is in het eerste leerjaar dat de school inricht, maar die zich later, tijdens zijn studieloopbaan, in de school heeft ingeschreven.

In Vlaanderen was 'neveninstromer' vroeger ook de officiële benaming voor leerlingen die nu anderstalige nieuwkomers genoemd worden.

Zie ook: zij-instromer.

niet-confessionele school
(in VL) School uit het gesubsidieerd vrij onderwijs. Niet-confessionele scholen baseren hun onderwijs op niet-godsdienstige gronden. Voorbeelden hiervan zijn de methodescholen (freinet, steiner, montessori enz.).
niet-confessionele zedenleer
(in VL) Officiële benaming voor het schoolvak zedenleer.
niet-formeel onderwijs
(in VL) Het niet-formeel onderwijs wordt meestal buiten het regulier onderwijssysteem georganiseerd en aangeboden (bv. door de VDAB, door vakbonden, culturele en sociale verenigingen...). De kennisoverdracht gebeurt net zoals bij het formeel onderwijs via een lesgever. De getuigschriften en certificaten van het niet-formeel onderwijs worden meestal niet erkend door het ministerie, maar hebben wel een (meer)waarde op de arbeidsmarkt.

Let op: soms wordt een niet-formele opleiding door een reguliere onderwijsinstelling gegeven. Dit heeft echter geen impact op het niet-formele karakter van de opleiding.

In Nederland heeft men het in dit verband over non-formele educatie.
nieuwkomer
(in NL)

Een nieuwkomer is een vreemdeling tussen 16 en 65 jaar oud die:

  • geen Nederlands paspoort heeft;
  • na 1 januari 2007 in Nederland is komen wonen (of op 31 december 2006 nieuwkomer was volgens de oude Wet Inburgering Nieuwkomers).
Een nieuwkomer moet verplicht inburgeren. De inburgering is pas voltooid wanneer hij/zij slaagt voor het inburgeringsexamen.

Let op: In Vlaanderen heeft nieuwkomer een andere betekenis.

nieuwkomer
(in VL) Een nieuwkomer is een meerderjarige vreemdeling die niet langer dan twaalf opeenvolgende maanden ingeschreven is in het rijksregister. Vreemdelingen die voor een tijdelijk doel in Vlaanderen verblijven en asielzoekers waarvan de asielaanvraag niet ontvankelijk is verklaard worden niet als nieuwkomers beschouwd.

Let op: In Nederland heeft nieuwkomer een andere betekenis.
NKO
(in NL) Staat voor 'Nederlandse Katholieke Oudervereniging'.

Vereniging voor actieve ouders in het katholiek en interconfessioneel onderwijs. De vereniging werkt aan een bestendig partnerschap tussen de ouders en de school, zodat ouders en scholen elkaar in hun opvoedende en educatieve taak kunnen versterken. De NKO komt op voor de belangen van ouders in het onderwijs en ondersteunt hen in hun rol als partner van de school. Zij doet dit door middel van dienstverlening en belangenbehartiging in verschillende vormen en op verschillende niveaus.

Website: www.nko.nl.

non-discriminatiepact
(in VL)

Het non-discriminatiepact is een overeenkomst tussen de verschillende onderwijsnetten om niet langer kinderen van allochtone afkomst te weigeren. Hiermee wordt een spreiding van de kinderen van allochtone afkomst over de onderwijsnetten beoogd.

non-formele educatie
(in NL) Non-formele educatie is een vorm van leren die zich geheel buiten de schoolmuren afspeelt. Het kan gaan om een cursus kunstgeschiedenis op de volksuniversiteit, een taalcursus in een buurthuis, een trainerscursus bij een sportclub of een workshop in de bibliotheek... Bij non-formele educatie staan vooral vorming en ontwikkeling centraal. In tegenstelling tot formele educatie leidt non-formele educatie niet tot een diploma.

In Vlaanderen heeft men het in dit verband over niet-formeel onderwijs.
NOP
(in NL) Staat voor 'Nationale Onderwijsprijs'.

Tweejaarlijkse nationale onderwijsprijs die wordt uitgereikt na regionale preselecties. De onderwijsprijs bekroont individuele docenten en schoolprojecten.

Website: www.onderwijsprijs.nl

normaalschool
(in VL) Oude benaming voor de initiële lerarenopleiding.

De Nederlandse tegenhanger van de normaalschool is de pedagogische academie basisonderwijs (pabo) (oude benaming: kweekschool).

NRO
(in NL) Staat voor ‘Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek’. Het NRO coördineert en financiert onderwijsonderzoek en probeert de link tussen onderwijsonderzoek- en praktijk te versterken.

Het NRO maakt deel uit van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Website:
www.nro.nl.
NT1
(in NL+VL) Staat voor 'Nederlands als eerste taal'.

Nederlands als moedertaal. De term verwijst naar de didactische aanpak van taalonderwijs voor leerlingen van wie de moedertaal het Nederlands is. Voor leerlingen wier moedertaal niet het Nederlands is (NT2) werd in de jaren 1980-90 een aparte didactiek ontwikkeld.

NT2
(in NL+VL) Staat voor 'Nederlands als tweede taal'.

Verwijst zowel naar de didactische aanpak als naar de opleidingen in het Nederlands als tweede taal. Opleidingen Nederlands als tweede taal (NT2) maken deel uit van de educatie en zijn bedoeld om de taalvaardigheid van niet-Nederlanders op een aanvaardbaar niveau te brengen. De opleidingen zijn uitsluitend voor volwassenen.

Zie ook: educatie.

NTC-onderwijs
(in NL) Staat voor 'Onderwijs in de Nederlandse taal en cultuur'.

Sommige lokale en internationale scholen in het buitenland bieden een aantal uren per week zogenaamd 'NTC-onderwijs' aan: onderwijs in de Nederlandse taal en cultuur. Dergelijke scholen worden NTC-scholen genoemd. Het doel van het NTC-onderwijs is:

  • de Nederlandse taalverwerving en taalvaardigheid te ontwikkelen en te stimuleren;
  • de kennis van en de binding met de Nederlandse cultuur te bevorderen.

Dit onderwijs wordt groepsgewijs gegeven en richt zich op aansluiting bij de doelen van het Nederlands onderwijs of minimaal tot het behalen van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal (CNaVT).

NTC-scholen krijgen ondersteuning van de Stichting NOB in de vorm van speciale documenten, zoals een raamschoolplan en raamschoolgids en een zelfevaluatie-instrument voor dit type onderwijs. Daarnaast biedt de Stichting NOB jaarlijkse bijscholing aan over deelgebieden van het NTC-onderwijs.

NTC-school
(in NL) Zie: Onderwijs in de Nederlandse taal en cultuur (NTC-onderwijs).
Nuffic
(in NL) Het expertise- en dienstencentrum voor internationalisering in het Nederlands onderwijs.

De Vlaamse tegenhanger is Epos.

Website: www.nuffic.nl

numerus clausus
(in NL+VL) Regeling waarbij slechts een beperkt aantal studenten tot een studie aan de universiteit wordt toegelaten. Bij een te groot aantal aanmeldingen gebeurt de selectie meestal aan de hand van loting.

In Nederland noemt men deze regeling meestal 'numerus fixus'.
numerus fixus
(in NL+VL) Regeling waarbij slechts een beperkt aantal studenten tot een studie aan de universiteit wordt toegelaten. Bij een te groot aantal aanmeldingen gebeurt de selectie meestal aan de hand van loting.

In Vlaanderen noemt men deze regeling meestal 'numerus clausus'.
NUT
(in NL+VL) Staat voor ‘Nederlandstalige Universitaire Talencentra’. Dit is de vereniging van Nederlandstalige Universitaire Talencentra in Nederland en België. De NUT heeft 26 leden: 6 Belgische, 20 Nederlandse en 1 lid in Suriname. Deze vereniging heeft als doel om een netwerk te vormen om zo informatie uit te wisselen en kennis en expertise te delen.

Website: www.nut-talen.eu.
NUT-NT2
(in NL+VL) Dit is de themagroep NT2 van de vereniging NUT. De themagroep wisselt ervaring en expertise uit over het vakgebied NT2 en vormt zo een netwerk dat elkaar op de hoogte houdt van relevante veranderingen en vernieuwingen in het vakgebied NT2.

Website: www.nut-talen.eu.
NVT
(in NL+VL) Staat voor 'Nederlands als vreemde taal'.

Term voor onderwijs van het Nederlands in het buitenland, niet te verwarren met NT2.

NWO
(in NL) Staat voor ‘Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek’. Deze organisatie financiert hoofdzakelijk wetenschappelijk onderzoek aan Nederlandse publieke instellingen, in het bijzonder universiteiten.
De Vlaamse tegenhanger van het NWO is het FWO.
Website: www.nwo.nl.
oalt
(in NL) Staat voor 'onderwijs allochtone levende talen'.

Vroeger 'oet' (onderwijs in eigen taal). Wettelijke regeling van 1998 voor lessen (buiten schooltijd) in de moedertaal aan kinderen van allochtonen op basisschoolleeftijd. De lessen worden gegeven door oalt-leerkrachten. Omdat er geen wetenschappelijke consensus is over het positieve effect van oalt werd het op 1 augustus 2004 afgeschaft.

Opgelet: in Vlaanderen oetc.

OBD
(in NL) Staat voor 'Onderwijsbegeleidingsdienst'.

Zie: schoolbegeleidingsdienst.

oetc
(in VL) Staat voor 'onderwijs in eigen taal en cultuur'.

Onderwijs in eigen taal en cultuur voor allochtone leerlingen. Het onderwijs wordt gegeven door leerkrachten die daarvoor bevoegd zijn en valt buiten het gewone lessenrooster. Opgelet: Tot 1995 sprak men ook in Nederland van oet(c), onderwijs in eigen taal (en Cultuur). Daar werd de term vervolgens vervangen door Nederlandse onderwijs in allochtone levende talen (oalt).

De financiering voor oetc werd in 2011 stopgezet.

officieel onderwijs
(in VL) Onderwijs georganiseerd door de overheid en steden, gemeenten en provincies. Zie: gesubsidieerd officieel onderwijs (OGO).
OGO
(in VL) Staat voor 'Gesubsidieerd Officieel Onderwijs'.

Verzamelterm voor het gemeentelijk en het provinciaal onderwijs, dat door steden en gemeenten resp. provincies wordt georganiseerd. De inrichtende machten of schoolbesturen van dit onderwijs worden overkoepeld door het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten (OVSG) enerzijds en Provinciaal Onderwijs Vlaanderen (POV) anderzijds.

OHO
(in VL) Staat voor 'Open Hoger Onderwijs'.

Wie op latere leeftijd (nog) een diploma wil behalen, maar een gewoon studieprogramma niet kan combineren met werk of gezin, kan een opleiding volgen binnen het Open Hoger Onderwijs (OHO). De opleidingen binnen het OHO kenmerken zich door het feit dat ze individueel en van op afstand gevolgd kunnen worden. Het OHO biedt een ruim en gevarieerd aanbod aan opleidingen, zowel op universitair als op niet-universitair niveau. Het diploma dat via het OHO behaald wordt is gelijkwaardig aan een diploma dat behaald wordt in het dagonderwijs.

Zie ook: Open universiteit

OK
(in NL) Staat voor 'Onderwijskansen'.

Beleid dat gericht is op gelijke onderwijskansen voor elke lerende.
Scholen kunnen te maken krijgen met problemen die hun mogelijkheden te boven gaan. Vaak gaat het daarbij om een combinatie van problemen: de buurt waar de school zich bevindt is verpauperd en onveilig, ouders kampen met werkloosheid, armoede en verslavingsproblematiek, kinderen hebben sociaalemotionele problemen, en zowel de leerlingen als hun ouders beheersen het Nederlands slecht. Vooral scholen met veel achterstandsleerlingen krijgen vaak te maken met dit soort complexe problemen.

Omdat de scholen de problemen zelf niet of nauwelijks kunnen oplossen, komt de kwaliteit van het onderwijs in het geding. In 2000 is daarom het onderwijskansenbeleid (OK-beleid) van start gegaan. In het OK-beleid werken scholen, schoolbesturen en gemeenten intensief samen om concrete problemen in en rond individuele scholen op te lossen.

OKAN
(in VL) Staat voor 'Onthaalklas Anderstalige Nieuwkomers'.

In de onthaalklas wordt aan anderstalige nieuwkomers een jaar lang intensief Nederlands geleerd. Na een jaar moeten zij in staat worden geacht door te stromen naar de gewone klas.

Elke Vlaamse school kan een onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers organiseren en daar subsidies voor krijgen. De criteria voor deze subsidies zijn vastgelegd door het departement Onderwijs.

Voor Nederland: zie eersteopvangschool

onbekostigde onderwijsinstelling
(in NL)

Een onbekostigde onderwijsinstelling is een instelling die opleidingen aanbiedt die binnen de reikwijdte van de kwalificatiestructuur van de WEB vallen, maar niet voor bekostiging in aanmerking komen.

onderdirecteur
(in NL+VL) Tweede, plaatsvervangende directeur, adjunct van de directeur op een secundaire school/school voor voortgezet onderwijs (vo).

Opmerking: in Nederland noemt men deze functie meestal conrector.
onderinstromers
(in NL) Onderinstromers zijn neveninstromers in de kleutergroepen: kinderen die uit het buitenland in Nederland komen wonen, die geen of onvoldoende Nederlands spreken en die instromen in basis- en voortgezet onderwijs (vo).
ondernemersopleiding
(in VL) Zie: middenstandsopleiding.
Onderwijs 2032
(in NL) Visietraject dat bij de Nederlandse bevolking onderzocht hoe het onderwijs er in 2032 moet uitzien. Daartoe werd een grote brainstorm georganiseerd, gevolgd door een maatschappelijke dialoog. De brainstorm mondde uit in een visietekst die in 2016 werd gepresenteerd. Die visietekst is getoetst aan de onderwijspraktijk.

Onderwijs 2032 kreeg een vervolg in curriculum.nu.

Vlaanderen kende een gelijkaardig visietraject: Van Levensbelang.
onderwijsadviesbureau
(in NL) Organisatie die scholen en instellingen extern adviseert en begeleidt op het gebied van ICT in het onderwijs, kwaliteitszorg in het onderwijs, onderwijskansen, omgaan met verschillen en integraal personeelsbeleid. Alle scholen kunnen begeleiding krijgen van een onderwijsadviesbureau.
onderwijsassistent
(in NL) Assistent die ondersteuning biedt aan de leraar in de onderbouw (groep 1 tot en met 4) van het reguliere basisonderwijs.

Onder verantwoordelijkheid van de leraar verrichten onderwijsassistenten eenvoudige, routinematige onderwijsinhoudelijke taken en begeleiden ze leerlingen bij het verwerven van vaardigheden. Ook kunnen onderwijsassistenten kleine groepen met langzame of juist snelle leerlingen ondersteunen. Verder kunnen zij ertoe bijdragen dat kinderen sociale en andere vaardigheden aanleren, zoals 'luisteren', 'opruimen' of 'vragen stellen'. Ten slotte kunnen de assistenten helpen om lesmateriaal samen te stellen voor bijzondere projecten. Onderwijsassistenten hebben geen volwaardige lerarenopleiding gevolgd en hebben dus ook minder bevoegdheden.

In het (voortgezet) speciaal onderwijs (so). heet deze functie klassenassistent.

Zie ook: lerarenondersteuner.

Onderwijscoöperatie
(in NL) Beroepsorganisatie voor en door leraren. De Onderwijscoöperatie werd in 2011 opgericht vanuit de vijf grote onderwijsvakverenigingen. De coöperatie wil inzetten op de professionalisering van leraren. Daarnaast willen ze de beroepskwaliteit, de beroepsontwikkeling en de beroepseer verhogen.

Meer informatie op www.onderwijscooperatie.nl.
onderwijskoepel
(in VL) Zie: onderwijsnet.
onderwijskundig rapport
(in NL) Aan het einde van de basisonderwijs krijgen de leerlingen geen getuigschrift of diploma, maar een onderwijskundig rapport over de schoolvorderingen en leermogelijkheden. Dit rapport wordt opgesteld door de directeur, na overleg met het onderwijzend personeel, ten behoeve van de ontvangende school voor voortgezet onderwijs (vo). Een afschrift van het rapport wordt aan de ouders van de leerlingen verstrekt. De minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen (zie ook: ministerie van OCW) kan nadere voorschriften over dit rapport geven.
onderwijsnet
(in VL) Onderwijsnetten of -koepels zijn representatieve verenigingen van inrichtende machten van scholen. Als overkoepelende organisatie nemen zij bepaalde verantwoordelijkheden van de scholen over, bv. leerplannen en lessenroosters opstellen. Traditioneel onderscheidt men drie onderwijsnetten:
  1. het Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (GO!-onderwijs): overkoepelt alle scholen waarvan de Vlaamse Gemeenschap de inrichtende machten is

  2. het Gesubsidieerd Officieel Onderwijs (OGO): omvat alle scholen georganiseerd door een gemeente, stad of provincie; de inrichtende machten van dit onderwijs zijn verenigd in twee koepels, het Onderwijssecretariaat van de Steden en gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap (OVSG) en het Provinciaal Onderwijs (POV).

  3. het Katholiek Onderwijs Vlaanderen (KOV) : overkoepelt alle scholen waarvan de inrichtende macht een vrije vereniging of private instantie is die onderwijs organiseert vanuit de katholieke geloofsovertuiging.
onderwijsniveau
(in VL)
  1. Niveaus van onderwijs. De schoolloopbaan van een Vlaamse leerling loopt over verscheidene niveaus die op elkaar aansluiten: basisonderwijs (bo), secundair onderwijs, hoger onderwijs (ho). Omdat Vlaamse leerlingen leerplichtig zijn tot hun achttiende jaar, doorloopt het merendeel onder hen minimum de eerste twee niveaus;
  2. Algemeen opleidingsniveau;
  3. Laatste met succes afgerond onderwijssegment.
onderwijsnummer
(in NL) Uniek nummer voor elke leerling die in Nederland door de overheid gesubsidieerd onderwijs volgt. Het onderwijsnummer is hetzelfde als het sofinummer dat door de Belastingdienst wordt toegekend. Leerlingen uit het buitenland of leerlingen die (nog) niet legaal in Nederland verblijven en onderwijs volgen, krijgen via de school een alternatief nummer. De school vraagt dit nummer aan bij de informatiebeheerGroep (IB-Groep).
De invoering van het onderwijsnummer startte in 2002 in het voortgezet onderwijs (vo), in 2003 in het beroeps- en volwassenenonderwijs (bve) en het agrarisch onderwijs en in 2005 in de basisscholen en het hoger onderwijs (ho).

Het onderwijsnummer maakt het gemakkelijker voor de rijksoverheid en de gemeenten om onderwijsbeleid te ontwikkelen. Ook kan dat beleid gemakkelijker worden gecontroleerd. Zo kan informatie over bijvoorbeeld naleving van de leerplicht, het voortijdig schoolverlaten of inburgering van nieuwkomers gebaseerd worden op meer betrouwbare gegevens. Ook voor de scholen is het onderwijsnummer handig; ze hoeven minder vaak gegevens door te geven, waardoor de administratieve last afneemt. Bovendien kan het ministerie beter controleren of de scholen het overheidsgeld ontvangen waar ze recht op hebben.
Onderwijsraad
(in NL) Vijftien leden tellend adviesorgaan voor de regering wat onderwijs betreft. Oorspronkelijk opgericht om te waken over de gelijkberechtiging van openbaar en bijzonderonderwijs (bo). De raad geeft adviezen over de hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving.

Website: www.onderwijsraad.nl

In Vlaanderen vergelijkbaar met de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR).
onderwijstype
(in VL) Niet te verwarren met: onderwijsvorm
  1. Organisatievorm binnen het secundair onderwijs. Momenteel spreekt men van het eenheidstype. Vroeger bestonden er twee verschillende types, elk met een eigen structuur.
  2. Term uit het buitengewoon onderwijs, waarbij type verwijst naar onderwijs toegespitst op de aard van de handicap of probleem van de leerling. Men onderscheidt negen types.

Opgelet: in Nederland heeft onderwijstype een andere betekenis.

onderwijstype
(in NL)

Verwijst naar de onderbouw, bovenbouw of middenbouw of naar de studierichting in het voortgezet onderwijs.

Opgelet: in Vlaanderen heeft onderwijstype een andere betekenis.

onderwijsvorm
(in VL)

Niet te verwarren met: onderwijstype.

  1. Manier van lesgeven, didactische werkvorm (doceren, groepswerk, zelfstandig leren ...);
  2. Net zoals in de meeste andere landen, kan een Vlaamse leerling in zijn schoolloopbaan kiezen uit verschillende onderwijsvormen:
    • in het basisonderwijs (bo): gewoon en buitengewoon basisonderwijs (bbo)
    • in het secundair onderwijs: gewoon en buitengewoon secundair onderwijs (buso)
    • in het hoger onderwijs (hokt, hoktsp en holt): universitair en niet-universitair onderwijs
Binnen het secundair onderwijs kan een leerling kiezen voor:
  • het algemeen secundair onderwijs (aso)
  • het technisch secundair onderwijs (tso)
  • het beroepssecundair onderwijs (bso)
  • het kunstsecundair onderwijs (kso)

Bovenstaande onderwijsvormen bestaan pas vanaf het eerste jaar van de tweede graad secundair onderwijs ('derde jaar secundair'). In de eerste graad spreekt men van de A-stroom en de B-stroom. Nadat een leerling de eerste graad van de A-stroom succesvol beëindigd heeft, kan de leerling naar elke richting van het secundair onderwijs doorstromen. De B-stroom is bedoeld voor leerlingen die geen getuigschrift van het basisonderwijs (bo) behaalden, een leerachterstand hebben of minder aanleg hebben voor theoretisch onderwijs. Na het eerste jaar van de B-stroom kan de leerling doorstromen naar het tweede jaar van de B-stroom, het Beroepsvoorbereidend Leerjaar (BVL) of kan hij instromen in het eerste jaar van de A-stroom.

Binnen het buitengewoon secundair onderwijs kan een leerling kiezen uit vier opleidingsvormen.

Opgelet: in Nederland heeft onderwijsvorm een andere betekenis.

onderwijsvorm
(in NL)

Manier van lesgeven, didactische werkvorm (doceren, groepswerk, zelfstandig leren ...)

Ook: aanduiding van het beroepsstatuut van docenten: voltijds of deeltijds.

Opgelet: in Vlaanderen heeft onderwijsvorm een andere betekenis.

onderwijzer
(in NL+VL) Leraar in een basisschool of lagere school. Om in Nederland onderwijzer(es) te worden moet men een pedagogische hbo-opleiding doorlopen, de pabo. Deze studie duurt vier jaar en leidt op tot "bachelor of education". In Vlaanderen wordt men onderwijzer(es) na de driejarige opleiding "bachelor in onderwijs: lager onderwijs".

Zie ook: leerkracht.

ongekwalificeerde uitstroom
(in NL+VL) Wetenschappelijke term voor jongeren die het secundair of voortgezet onderwijs (vo) verlaten zonder diploma.
onthaalbeleid
(in VL)

Beleid dat gericht is op de opvang en doorstroming van anderstalige nieuwkomers.

Zie ook: inburgering.

onthaalbureau
(in VL) Er zijn acht onthaalbureaus in Vlaanderen. Alle Vlaamse gemeenten verwijzen inburgeraars naar hen door. Zij zijn onder meer verantwoordelijk voor de voortgangscontrole van het inburgeringstraject en voor het aanbod maatschappij oriëntatie (mo).

Meer info op de website van het Ministerie van Bestuurszaken.

onthaalonderwijs

Onderwijs bestemd voor anderstalige nieuwkomers. Het is bestemd voor kinderen die onlangs in België zijn aangekomen. Het onthaalonderwijs wil hen zo snel mogelijk Nederlands te leren en hen te integreren in het reguliere onderwijs en de samenleving.

Het onthaalonderwijs in het basisonderwijs verschilt van het onthaalonderwijs in het secundair onderwijs. Daar waar de anderstalige nieuwkomers in het secundair gedurende een jaar een Nederlands taalbad krijgen om daarna naar het regulier onderwijs over te stappen worden de anderstalige nieuwkomers in het basisonderwijs van meet af aan deels afzonderlijk onderwezen en deels samen met de kinderen in de reguliere klas.

Zie ook: inburgering en OKAN

ontmoetingsschool
(in NL) Synoniem voor interconfessionele school.
ontwikkelingsdoelen
(in VL) Aan kleuterscholen en aan het buitengewoon onderwijs legt de Vlaamse overheid ontwikkelingsdoelen op. Dat zijn minimumdoelen op het vlak van kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes die de onderwijsoverheid wenselijk acht voor een bepaalde leerlingenpopulatie. De school moet ernaar streven ze te bereiken - en de inspectie gaat na in hoeverre dit gebeurt - maar hoeft ze daarom niet noodzakelijk te realiseren.

Ook in de basiseducatie in Vlaanderen noemt men de doelen waaraan gewerkt wordt ontwikkelingsdoelen.

Zie ook: eindtermen en basiscompetenties.

opdracht
(in VL) De opdracht van een leerkracht omvat alle taken die wettelijk van hem kunnen worden gevraagd, ook de taken die hij thuis uitvoert (lesvoorbereidingen maken, correctiewerk, verslagen) of buiten de klas (oudercontact, vertegenwoordiging in participatieorganen, personeelsvergaderingen...) en administratieve taken. De opdracht omvat de hoofdopdracht (lesgeven), de schoolopdracht (taken die men in schoolverband uitvoert, namelijk de hoofdopdracht en andere bijkomende taken) en bijkomende opdrachten die de leerkracht buiten schoolverband uitvoert.
Open Universiteit
(in NL+VL) Instelling voor afstandsonderwijs die opleidingen biedt op het niveau van het wetenschappelijk onderwijs (Nederland) of universitair niveau (Vlaanderen), voor personen van 18 jaar en ouder. De Open Universiteit is vooral gericht op personen die geen studie op de gebruikelijke manier kunnen of willen volgen.

In Vlaanderen wordt de Open Universiteit georganiseerd door de afzonderlijke Vlaamse universiteiten, in nauwe samenwerking met de Open Universiteit Nederland.

Websites: Open Universiteit Nederland; Departement Onderwijs Vlaanderen

openbare school
(in NL) School die niet werkt vanuit een bepaalde godsdienst of geloofsovertuiging en die bestuurd wordt door een gemeentebestuur of bestuurscommissie die de gemeente heeft aangesteld. Ongeveer een derde van alle Nederlandse kinderen gaat naar een openbare school.

Opgelet: in Vlaanderen heeft openbare school een andere betekenis.
openbare school
(in VL) School waar sprake is van vrijwaring van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en van de neutraliteit van de Staat door het dragen van opvallende tekens van godsdienstige overtuiging te verbieden. Daarnaast hoeft men voor een openbare school geen inschrijvingsgeld te betalen. Openbare scholen vallen onder officieel onderwijs.

Opgelet: in Nederland heeft openbare school een andere betekenis.
opleidingscommissie
(in NL)

Sinds maart 1996 wettelijk verplicht adviesorgaan voor elke opleiding in het hoger onderwijs (ho) in Nederland. De opleidingscommissie brengt advies uit over het onderwijs van de opleiding en beoordeelt jaarlijks de uitvoering ervan. Voorts kan de opleidingscommissie advies uitbrengen over alle andere aangelegenheden die het onderwijs van de opleiding betreffen.

opleidingsprofiel
(in NL) Omschrijving van de eisen (kennis, vaardigheden, beroepshouding) waaraan afgestudeerden van een opleiding moeten voldoen. In het hbo en mbo moeten de opleidingsprofielen nauw aansluiten op beroepsprofielen.
opleidingsvorm
(in VL) In het buitengewoon secundair onderwijs (buso) worden vier opleidingsvormen georganiseerd, waaraan leerlingen uit verschillende onderwijstypes samen kunnen deelnemen. Elke opleidingsvorm heeft zijn eigen doelstellingen, afhankelijk van de aard en ernst van de handicap van de leerling:

  • Opleidingsvorm 1: geeft een sociale vorming met het oog op integratie in een beschermd leefmilieu. Leerlingen die deze opleiding afronden stromen door naar een dagcentrum of bezigheidstehuis. De opleiding duurt vier jaar. Aan het eind daarvan behalen de leerlingen een attest.

  • Opleidingsvorm 2: geeft een algemene en sociale vorming en een arbeidstraining. Zij wil leerlingen integreren in een beschermd leef- en arbeidsmilieu. De opleiding bestaat uit twee fasen van elk minstens twee leerjaren. Leerlingen die de opleiding beëindigen, behalen een attest.

  • Opleidingsvorm 3: geeft een algemene, een sociale en een beroepsvorming met het oog op integratie in een gewoon leef- en werkmilieu. Na een observatieperiode van één jaar volgt een opleidingsperiode van vier studiejaren. Na vijf jaar kunnen de leerlingen een kwalificatiegetuigschrift behalen.

  • Opleidingsvorm 4: bereidt voor op een studie in het hoger onderwijs (ho) en wil de leerlingen integreren in het actieve leven. Deze opleidingsvorm richt zicht tot leerlingen met voldoende intellectuele vaardigheden om de programma's van het gewoon onderwijs te volgen, op voorwaarde dat er pedagogische methodes en middelen worden aangeboden die zijn aangepast aan hun handicap. Voor het behalen van een getuigschrift gelden hier dezelfde regels als voor het gewoon secundair onderwijs. Opgelet: in Nederland heeft opleidingsvorm een andere betekenis.
  • opleidingsvorm
    (in NL) In het hoger onderwijs in Nederland kent men vijf opleidingsvormen:
    1. Deeltijd
      Een deeltijdopleiding betekent dat een student de lessen volgt naast zijn baan (doorgaans in de avonduren). De deeltijdopleidingen worden afgesloten met een hbo-diploma. Na het afronden van de opleiding mag hij/zij de titel bachelor of 'ing.' voeren.

    2. Duaal
      In de duale vorm maakt de student een combinatie met zijn/haar baan. De studie wordt aangepast aan zijn werk, en het werk past bij zijn studie. Er wordt dan ook een overeenkomst gesloten met de werkgever, die zorgt voor begeleiding vanuit de organisatie. De hogeschool zorgt voor een docentbegeleider.
      Ook de duale opleidingen worden afgesloten met een hbo-diploma. Na het afronden van de opleiding mag de student de titel 'bachelor' of 'ing.' voeren.

    3. (Post-hbo-)cursussen en opleidingen
      Deze cursussen en opleidingen bieden de student de mogelijkheid snel zijn kennis te vergroten op een specifiek gebied. De omvang varieert van een dagdeel tot enkele jaren. Cursussen worden afgesloten met een diploma.

    4. Open Onderwijs
      Naast de deeltijd-/duale opleidingen en cursussen kan de student er ook voor kiezen om losse modules uit het onderwijsprogramma te volgen. In twee à drie lesuren per week kan hij zijn kennis over diverse onderwerpen vergroten of opfrissen. Deze mogelijkheid wordt nu alleen geboden in het vakgebied Life Sciences & Chemistry. De student kan eventueel ook losse modules uit een andere opleiding volgen.

    5. Masters
      De masteropleidingen zijn internationaal georiënteerde vervolgstudies op de hbo-opleiding. De student wordt opgeleid voor het masterdiploma.

    Opgelet: in Vlaanderen heeft opleidingsvorm een andere betekenis.
    opstroom
    (in NL) Term die uitdrukt dat een leerling tegenover het eerste jaar van zijn studie in een hoger onderwijsniveau is terechtgekomen. Tegenovergestelde van afstroom.

    opvangonderwijs
    (in NL) Overgangsonderwijs voor anderstaligen die het Nederlands onvoldoende beheersen. Zie: eersteopvangschool.

    Niet te verwarren met het Vlaamse project opvangschool.
    opvangschool
    (in VL) Project dat in nauwe samenwerking met alle betrokkenen, met name de leerling, het schoolteam, het CLB , het thuismilieu en externen, een kortlopende, intensieve en schoolnabije begeleiding voor spijbelende jongeren organiseert, met als doel het gekozen leertraject van de jongere gaaf te houden.

    Niet te verwarren met: eersteopvangschool (NL).
    oriënteringsattest
    (in VL)

    Zie: attest.

    osp
    (in VL) Staat voor 'onderwijs voor sociale promotie'.

    Oude term voor centra voor volwassenonderwijs (CVO).
    Onderwijs georganiseerd op secundair niveau (beroeps- en technisch) en op het niveau van het hoger onderwijs (ho). Op enkele opleidingen na is het onderwijsaanbod een afspiegeling van het aanbod van het voltijds onderwijs.

    ouderavond
    (in NL+VL) Avondbijeenkomst, waarbij de ouders op de school van hun kinderen een gesprek kunnen voeren met de leerkrachten, ter verbetering van het onderling contact en om eventuele moeilijkheden te bespreken.

    In Vlaanderen noemt men de ouderavond ook wel oudercontact .
    oudercontact
    (in VL) Avondbijeenkomst, waarbij de ouders op de school van hun kinderen een gesprek kunnen voeren met de leerkrachten, ter verbetering van het onderling contact, en om eventuele moeilijkheden te bespreken.

    In Nederland noemt men dit ouderavond. Men gebruikt het woord 'oudercontact' enkel als algemene aanduiding van alle contacten die er kunnen zijn tussen ouders en de school van hun schoolgaande kinderen.
    ouderraad
    (in NL)

    Niet-officieel participatieorgaan voor ouders, dat onder meer advies uitbrengt aan de officiële medezeggenschapsraad. Naast de ouderraad bestaat soms ook een oudercommissie, met gelijkaardige functies. In tegenstelling tot de medezeggenschapsraad hebben ouderraad noch oudercommissie wettelijk geregelde rechten.

    Zie ook: ouderraad in Vlaanderen.

    ouderraad
    (in VL)

    Participatieorgaan waar ouders onderling overleggen over aspecten uit de school die hen aanbelangen. De ouders die in deze ouderraad zitten worden democratisch verkozen door andere ouders. Elke ouder van een schoolgaand kind kan zich voor de raad verkiesbaar stellen en is ook kiesgerechtigd. De belangrijkste rol van de ouderraad is ondersteuning bieden aan de ouders die in de schoolraad zetelen. Een ouderraad is verplicht als tien procent van de ouders erom vraagt.

    Zie ook: ouderraad in Nederland.

    oudkomer
    (in NL) Een oudkomer is een vreemdeling tussen 16 en 65 jaar oud die:
    • geen Nederlands paspoort heeft;
    • voor 1 januari reeds in Nederland woonde;
    • minder dan 8 jaar in Nederland heeft gewoond toen hij/zij nog leerplichtig was;
    • geen diploma's heeft waarop hij/zij kan laten zien dat hij/zij de Nederlandse taal en het Nederlands goed kent.

    Net zoals een nieuwkomer, is ook een oudkomer verplicht om in te burgeren, tenzij hij/zij jonger is dan 18 en ouder is dan 60. De inburgering is pas voltooid wanneer hij/zij slaagt voor het inburgeringsexamen.

    Let op: in Vlaanderen heeft oudkomer een andere betekenis.

    oudkomer
    (in VL) Een oudkomer is een meerderjarige vreemdeling die langer dan 12 maanden in het rijksregister is ingeschreven.

    Ook een meerderjarige Belg kan een oudkomer zijn op voorwaarde dat hij/zij:
    • geboren is buiten België;
    • ingeschreven is in het rijksregister;
    • minstens één ouder heeft die geboren is buiten België;
    • Nederlands onkundig is;
    • niet beschikt over: (a) een getuigschrift basisonderwijs of (b) een getuigschrift of diploma secundair onderwijs of (c) een diploma hoger onderwijs, behaald aan een onderwijsinstelling die erkend is door de Vlaamse, Franse of Duitstalige Gemeenschap of door het Koninkrijk der Nederlanden (met uitzondering van Aruba en de Nederlandse Antillen).

    Let op: in Nederland heeft oudkomer een andere betekenis.

    ovb
    (in VL) Staat voor 'onderwijsvoorrangsbeleid'.

    Vorm van zorgverbreding die zijn oorsprong vindt in de leerproblemen van allochtone kinderen en jongeren. Ovb-scholen zijn scholen die in aanmerking komen voor extra overheidssubsidies voor onderwijs aan anderstalige leerlingen. Scholen kunnen die subsidies gebruiken om een extra leerkracht aan te trekken.

    Met die subsidies kunnen scholen werken op vier domeinen: taalvaardigheid, intercultureel onderwijs, preventie/remediëring en schoolopbouwwerk (betrokkenheid ouders). Om de subsidies te krijgen, moeten scholen aan een aantal voorwaarden voldoen, bv. een minimumaantal anderstalige leerlingen tellen.

    Sinds het schooljaar 2001-2002 spreekt met niet langer van ovb en zorgverbreding afzonderlijk, maar van GOK (gelijke onderwijskansen). Niet enkel scholen met migrantenkinderen maar elke Vlaamse school krijgt dan een subsidie om kinderen met leer- en/of ontwikkelingsachterstand extra begeleiding te geven.

    Opgelet: in Nederland heeft de term onderwijsvoorrangsbeleid een andere invulling.

    ovb
    (in NL) Staat voor 'onderwijsvoorrangsbeleid'.

    Extra middelen toegekend aan scholen op basis van het aantal ingeschreven allochtone leerlingen. In 1985 werden de activiteiten van de rijksoverheid in het kader van de achterstandsbestrijding in het onderwijs samengebracht in het onderwijsvoorrangsbeleid. Dit was een voortzetting van het onderwijsstimuleringsbeleid uit de zeventiger jaren. Dertien jaar later, in 1998, werd het onderwijsvoorrangsbeleid hervormd. Sindsdien spreekt men van gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (goa).

    In Vlaanderen heeft onderwijsvoorrangsbeleid een andere invulling.

    overblijven
    (in NL) Term voor middag- of avondopvang van leerlingen op school.
    overzitten
    (in VL) Synoniem voor zittenblijven, een jaar overdoen, doubleren. In Vlaanderen noemt men dit verder ook 'dubbelen' en 'bissen'.
    OVSG
    (in VL) Staat voor 'Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap'.

    Het Vlaams onderwijs kent vier onderwijskoepels. Een daarvan is het OVSG. Het OVSG vertegenwoordigt de stads- en gemeentebesturen, die elk als inrichtende macht het onderwijs in hun stad of gemeente organiseren. Zie: Gesubsidieerd Officieel Onderwijs (OGO).

    Website: www.ovsg.be.

    pa
    (in SR) Staat voor 'pedagogische academie'.

    Vierjarige onderwijzersopleiding. Het diploma geeft de bevoegdheid tot onderwijs aan kinderen die lager onderwijs volgen en bij het gewoon lager onderwijs (glo).
    Naast pedagogische academies is er sprake van avondonderwijs, avondopleidingen voor de onderwijzersakte en voor de hoofdakte. De onderwijzersakte, een vierjarige opleiding, geeft de bevoegdheid onderwijs te verzorgen aan een lagere school. Bezitter van de hoofakte (hoofdonderwijzersakte) is bevoegd een lagere school te leiden.

    Opmerking: Van het rangenstelsel voor onderwijzers (eerste tot vierde rang), zoals dat vroeger in Nederland en afgeleid daarvan in Suriname gangbaar was, zijn momenteel nog in gebruik de eerste rang of hoofdonderwijzersakte en de derde rang of onderwijzersakte.

    pabo
    (in NL) Staat voor 'pedagogische academie basisonderwijs'.

    Een pedagogische academie basisonderwijs verzorgt de lerarenopleiding voor het basisonderwijs en valt onder het hoger beroepsonderwijs (hbo). Zowel de voltijdse opleidingen als de deeltijdse duren vier jaar.

    De praktische studieduur bij de deeltijdopleiding verschilt, afhankelijk van de vooropleiding. Het getuigschrift geeft een volledige bevoegdheid om les te geven aan de basisschool in alle vakken en alle leeftijdsgroepen (vier tot twaalf jaar).

    De officiële naam van de pabo's is overigens 'lerarenopleiding voor het basisonderwijs', vroeger beter bekend als kweekschool.

    In Vlaanderen spreekt men van de initiële lerarenopleiding.

    participatieraad
    (in VL) Voormalig adviserend overlegorgaan, samengesteld uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende macht, de ouders, het personeel en de lokale gemeenschap.

    Sinds 1 april 2005 vervangen door schoolraad.

    particulier onderwijs
    (in NL) Onderwijs dat niet door de overheid gesubsidieerd wordt.
    Passend onderwijs
    (in NL) Sinds 1 september 2014 werd het project Weer samen naar school (WSNS) vervangen door de term passend onderwijs. Daar waar het WSNS-project zich beperkte tot het basisonderwijs, omvat het project Passend onderwijs nu ook het voortgezet en het middelbaar beroepsonderwijs. Passend onderwijs houdt in dat elke school een zorgplicht heeft. De scholen zijn ervoor verantwoordelijk om extra ondersteuning te voorzien voor leerlingen die daar nood aan hebben. Reguliere en speciale scholen werken daarvoor samen in regionale samenwerkingsverbanden.

    Voor meer informatie: passendonderwijs.nl.

    In Vlaanderen spreekt men in dit verband over het M-Decreet.
    PCL
    (in NL) Staat voor 'permanente commissie leerlingenzorg'.

    Door de wet op het primair onderwijs (1981) ingestelde commissie die op aanvraag van de ouders bepaalt of plaatsing van een leerling op een speciale school voor basisonderwijs noodzakelijk is.

    Zie: www.wetboek-online.nl/wet/Wpo/23.html

    pedagogisch begeleider
    (in VL) Zie: pedagogische begeleidingsdienst.
    pedagogisch college
    (in VL) Vergadering van de (meestal verkozen) vertegenwoordiging van het personeel die zich buigt over het opvoedkundig beleid van een school.
    pedagogisch project
    (in VL) Geheel van fundamentele uitgangspunten dat door het schoolbestuur voor de school is vastgelegd. In feite behandelt het alle aspecten die belangrijk zijn om de visie van de school op onderwijs te implementeren, zoals de organisatie van de school, de opdeling van de leerlingen, de manier van beoordelen en rapporteren, nascholing, het schoolreglement, enz. Eventueel worden ook voorzieningen voor leerlingen met een handicap of met leermoeilijkheden gedefinieerd en andere dingen zoals de vorm van samenwerking met andere scholen van het gewoon en buitengewoon onderwijs.
    Het pedagogisch project van een school wordt in het schoolwerkplan beschreven.
    pedagogische academie kleuteronderwijs
    (in SR) Synoniem voor kweek-A.
    pedagogische begeleidingsdienst
    (in VL) Pedagogische begeleidingsdiensten bevorderen de onderwijskwaliteit en ondersteunen leerkrachten, schooladministraties, scholen enz. om didactische en/of pedagogische projecten te realiseren die specifiek zijn voor de schoolbesturen (inrichtende machten).

    Sinds 1991 is de oude inspectie in de Vlaamse Gemeenschap opgesplitst in inspectie en begeleiding. De inspectie wordt door het departement Onderwijs centraal gecoördineerd. De begeleiding werd toevertrouwd aan de verschillende onderwijsnetten en wordt door de overheid gefinancierd.

    Er zijn ongeveer duizend begeleiders, adviseurs, pedagogische medewerkers ... actief. Statistisch voorziet het decreet van 1991 in één begeleider per 850 leerkrachten, maar de netten schakelen ook bijkomende begeleiders in. Velen van hen geven nog deeltijds les. Er zijn begeleiders voor de verschillende vakken, maar ook voor vakoverschrijdende thema's en pedagogische topics (pesten, drugs...).

    Niet te verwarren met: schoolbegeleidingsdienst in Nederland.

    pedagogische eenheid
    (in VL) In het 'gewoon' onderwijs geldt een klassensysteem. Zo is er sprake van het eerste leerjaar, het tweede leerjaar... In het buitengewoon onderwijs spreekt men niet over klassen, maar over pedagogische eenheden (bv. de pedagogische eenheid van de kinderen met autisme).
    pedagogische studiedag
    (in VL) Pedagogische studiedagen (soms ook 'pedagogische conferentie' genoemd) bestaan in het basisonderwijs en het secundair onderwijs. Het zijn dagen tijdens het schooljaar waarop de leerkrachten nascholing krijgen en de leerlingen bijgevolg een dag vrij hebben.

    Basisscholen beschikken over anderhalve pedagogische studiedag per schooljaar, secundaire scholen hebben er één.
    pestalozzischool
    (in NL+VL) Methodeschool die onderwijs aanbiedt volgens de principes van Johann Heinrich Pestalozzi, die steunt op een zogenaamde natuurlijke opvoeding: de natuur is de beste leermeester en de oefening van de natuurlijke vermogens gebeurt het beste door het leven zelf. De leerkracht/docent moet beseffen dat elke opvoedingshandeling een ingrijpen betekent in een natuurlijk ontwikkelingsproces. De school heeft een belangrijke taak bij het aanleren van vaardigheden en bij het stimuleren van de ontwikkeling van de kinderen. Niet door straf en dwang, maar door het goede voorbeeld, door liefde in de zin van acceptatie als persoon van de leerlingen, door waardering, aanmoediging en belangstelling.

    peuterklas
    (in NL+VL)

    Zie peuteronderwijs.

    peuteronderwijs
    (in NL) Minder gebruikte term voor onderwijs aan kinderen van tweeënhalf tot vier jaar. Peuteronderwijs valt niet onder het onderwijsministerie maar is de bevoegdheid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

    Opgelet: in Vlaanderen staat peuteronderwijs voor (facultatief) onderwijs aan tweeënhalf- tot driejarigen, als aanloop naar de eerste kleuterklas.
    peutertuin
    (in VL) Synoniem voor peuterklas, aparte klas in de kleuterschool waar kinderen naartoe mogen vanaf het moment dat ze tweeënhalf jaar geworden zijn (de meeste kleuterscholen organiseren per schooljaar wel slechts enkele instapmomenten waarop kinderen mogen beginnen). Op 1 september van het jaar waarin een kind drie jaar wordt, mag het dan naar de eerste kleuterklas overgaan.

    In veel kleuterscholen bestaat er geen aparte peuterklas en komen kinderen die net tweeënhalf jaar geworden zijn in de eerste kleuterklas terecht. Het volgende schooljaar starten ze dan opnieuw in de eerste kleuterklas.
    pi
    (in SR) Staat voor 'pedagogisch instituut'.

    Synoniem: pedagogische academie. Vierjarige onderwijzersopleiding. Het diploma geeft de bevoegdheid tot onderwijs aan kinderen die lager onderwijs volgen en bij het gewoon lager onderwijs (glo).
    Naast pedagogische academies is er sprake van avondonderwijs, avondopleidingen voor de onderwijzersakte en voor de hoofdakte. De onderwijzersakte, een vierjarige opleiding, geeft de bevoegdheid onderwijs te verzorgen aan een lagere school. Bezitter van de hoofakte (hoofdonderwijzersakte) is bevoegd een lagere school te leiden.

    Opmerking: Van het rangenstelsel voor onderwijzers (eerste tot vierde rang), zoals dat vroeger in Nederland en afgeleid daarvan in Suriname gangbaar was, zijn momenteel nog in gebruik de eerste rang of hoofdonderwijzersakte en de derde rang of onderwijzersakte.

    pilootschool
    (in VL) Zie: experimenteerschool.
    pilotschool
    (in NL) Experimenteerschool voor vernieuwende onderwijsprojecten. Deze tijdelijke projecten kunnen administratief, pedagogisch-didactisch of beleidsmatig van aard zijn en worden al of niet door de lokale of landelijke overheid aangestuurd en/of gesubsidieerd.

    Opgelet: in Vlaanderen gebruikt men hiervoor de term experimenteerschool.
    plastische opvoeding
    (in VL) Vak in het secundair onderwijs rond de beeldende kunsten.
    Platform Taalbeleid Hoger Onderwijs
    (in NL+VL) Het Platform Taalbeleid Hoger Onderwijs is een Vlaams-Nederlands Platform dat gericht is op het uitwisselen en delen van kennis en ervaring op het gebied van taalbeleid in het hoger onderwijs. Verder zet het Platform zich in voor de ontwikkeling en de vormgeving van taalondersteuning in het hoger onderwijs. Het platform is in 2011 een stichting geworden en wordt ondersteund door de Nederlandse Taalunie.

    Website: http://www.taalbeleidhogeronderwijs.org.

    Platform VG
    (in NL) Platform VG is de landelijke koepel die staat voor de collectieve belangenbehartiging van mensen met een verstandelijke beperking en hun ouders en verwanten. De organisatie wil bevorderen dat mensen met een verstandelijke beperking op hun eigen manier kunnen leven in en deelnemen aan onze maatschappij. Platform VG werkt samen met andere landelijke organisaties die opkomen voor mensen met (andere) beperkingen.

    Website: www.platformvg.nl
    pluralistisch onderwijs
    (in VL) Onderwijs dat het bestaan van verschillende geloofsovertuigingen naast elkaar erkent en ze een plaats geeft in het onderwijsprogramma. Het pedagogisch project van de gemeentelijke scholen in Vlaanderen is in de meeste gevallen pluralistisch. Ook de provinciale scholen en veel methodescholen zijn grotendeels pluralistisch.

    Zie ook: confessionele school.

    Vergelijk in Nederland: interconfessioneel onderwijs en samenwerkingscholen.
    PMS-centrum
    (in VL) Stat voor 'Psycho-Medisch-Sociaal Centrum'.

    Oude benaming voor Centrum voor Leerlingbegeleiding (CLB).

    PONT2
    (in NL+VL) Staat voor 'Platform Onderwijs Nederlands en Nederlands als Tweede Taal'.

    Adviesgroep aangesteld door de Nederlandse Taalunie die bestaat uit Nederlandse en Vlaamse experts op het gebied van onderwijs in en van het Nederlands. Het PONT2 fungeert als denktank voor de Taalunie voor het beleid ten aanzien van het onderwijs Nederlands (basis- en voortgezet/secundair onderwijs).

    Lees meer over het PONT2.

    postgraduaat
    (in VL)

    Postuniversitair opleidingsprogramma voor afgestudeerden.

    Vanaf het academiejaar 2004-2005 werd de bachelor-master structuur, ingevoerd in het Vlaamse hoger onderwijs. Opleidingen hoger onderwijs van 1 cyclus worden bekroond met een diploma van professionele bachelor, het vroegere kandidaatsdiploma werd vervangen door een academische bachelor en een licentiaats- of ingenieursdiploma heet nu een masterdiploma (master). Het decreet op de herstructurering van het hoger onderwijs voerde echter nog een nieuwe titel in, namelijk het postgraduaat. Het gaat om een wettelijk erkende titel, naast de bachelor- en mastertitel, die alleen door universiteiten en hogescholen in het kader van permanente vorming kan worden uitgereikt.

    postinitieel onderwijs
    (in NL)

    Verzamelterm voor cursussen en opleidingen voor mensen met een hoger-onderwijsopleiding of vergelijkbaar kennisniveau.

    POV
    (in VL) Staat voor 'Provinciaal Onderwijs Vlaanderen.'

    Ondersteunende koepelorganisatie van alle Vlaamse provinciale scholen. Net als het OVSG en het KOV is deze koepel een overlegorgaan. Zij heeft niet het recht op te treden in de plaats van de schoolbesturen (inrichtende machten), maar ondersteunt de werking van zijn scholen. De inrichtende machten van het provinciaal onderwijs zijn de respectievelijke provinciebesturen.

    Zie ook: gesubsidieerd officieel onderwijs.

    Website: www.pov.be.

    praktijkleerkracht
    (in VL)

    Leraar beroepspraktijkvakken in het technisch secundair onderwijs (tso) en/of in het beroepssecundair onderwijs (bso).

    praktijkleren
    (in NL) Zie: beroepspraktijkvorming.
    praktijkonderwijs
    (in VL) Onderwijs in de beroepspraktijk onder de begeleiding van een praktijkleerkracht. Praktijkonderwijs is een geïntegreerd deel van het technisch en beroepsonderwijs (zie: secundair onderwijs).

    Opgelet: in Nederland heeft praktijkonderwijs een andere betekenis.
    praktijkovereenkomst
    (in NL) De praktijkovereenkomst is de overeenkomst die de onderwijsinstelling, de deelnemer en het bedrijf dat de beroepspraktijkvorming (bpv) verzorgt met elkaar afsluiten. Als het gaat om een praktijkovereenkomst voor de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), ondertekent ook het Landelijk Orgaan Beroepsonderwijs (LOB), dat daarmee verklaart dat de praktijkplaats een gunstige beoordeling heeft.

    De praktijkovereenkomst vormt de grondslag voor de beroepspraktijkvorming. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat bepalingen over eindtermen, begeleiding en beoordeling.
    prestatiebeurs
    (in NL)

    Studenten die na 1 september 1996 voor het eerst met studiefinanciering in het hoger onderwijs studeren, vallen onder de prestatiebeurs. Met een basisbeurs wordt de studiefinanciering in eerste instantie als een rentedragende lening uitgekeerd. Als de student voldoende presteert, wordt de lening omgezet in een beurs.

    Als de student in het eerste jaar met studiefinanciering 21 studiepunten behaalt, worden de eerste twaalf maanden omgezet in een beurs. Daarna moet hij/zij binnen zes jaar zijn/haar diploma behalen om nog 36 maanden een financiering als beurs toegekend te krijgen. Alles samen kan een student die voldoende presteert 48 maanden of 4 jaar lang van een beurs genieten. Daarna bestaat er nog 36 maanden recht op een rentedragend lenen.

    preventieadviseur
    (in VL) Persoon in een school of scholengemeenschap die over de nodige bekwaamheid en onafhankelijkheid beschikt en het vereiste gezag heeft om veiligheidsmaatregelen te treffen en te doen naleven.
    Preventieadviseurs screenen hun school op zeven domeinen: arbeidsveiligheid, bescherming van de gezondheid, psychosociale belasting, ergonomie, arbeidshygiëne, verfraaiing van de arbeidsplaats en leefmilieu. Zij overleggen met de arbeidsinspectie en geven advies aan de schooldirectie.
    primair onderwijs
    (in NL) Officieel de overkoepelende term voor (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. Deze term wordt gebruikt sinds de invoering van de Wet op het primair onderwijs in augustus 1998. Zie ook: basisonderwijs en speciaal basisonderwijs. In Vlaanderen wordt de term primair onderwijs minder gebruikt.
    primair onderwijs
    (in VL) Minder gangbare verzamelnaam voor het gewoon en buitengewoon kleuter- en lager onderwijs. De meer gangbare term is basisonderwijs. In Nederland wordt de term primair onderwijs courant gebruikt.

    Zie ook: secundair onderwijs, tertiair onderwijs.
    privéschool
    (in NL+VL)

    Door particulieren of verenigingen opgerichte school die niet erkend wordt door de overheid. Dit betekent dat zij niet wordt gefinancierd of gesubsidieerd door de overheid en geen erkend studiebewijs kan afleveren. In Vlaanderen moeten leerlingen die les volgen in een privéschool les en die een officieel getuigschrift of diploma willen verwerven, examen afleggen via de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap. In Nederland dienen leerlingen die les volgen in een privéschool het landelijk eindexamen af te leggen.

    pro
    (in NL) Staat voor 'praktijkonderwijs'.

    Onderwijsvorm voor leerlingen die niet in staat worden geacht een vervolgopleiding succesvol af te ronden in het voorgezet onderwijs.
    Voor kinderen in het vmbo die niet in aanmerking komen voor een Rugzak, maar toch extra ondersteuning nodig hebben, is er een zorgstructuur opgezet. Dit wordt het Leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en het Praktijkonderwijs (PRO) genoemd. Het lwoo is voor leerlingen die in staat worden geacht een vmbo-diploma te halen; het PRO leidt direct op tot werk. Leerlingen in het lwoo of PRO zitten soms in aparte klassen, maar dat is niet noodzakelijk.

    proefschrift
    (in NL+VL) Wetenschappelijke verhandeling die een promovendus moet schrijven en openbaar verdedigen om de graad van doctor te krijgen.

    In Nederland:
    In Nederland moet het proefschrift aan eisen van wetenschappelijke kwaliteit voldoen én aan een aantal andere voorwaarden, vermeld in het promotiereglement dat wordt opgesteld door het college van decanen. Aan het proefschrift moeten minstens zes stellingen worden toegevoegd die niets met het onderwerp van het proefschrift te maken hebben. Proefschrift en stellingen worden in principe geschreven in het Nederlands, Frans, Engels of Duits.

    In Vlaanderen:
    In Vlaanderen is een proefschrift, dat een oorspronkelijke bijdrage tot de wetenschap moet zijn, eveneens vereist voor de promotie tot doctor. Alleen in de genees-, heel- en verloskunde en in de veeartsenijkunde wordt de doctorsgraad zonder proefschrift verkregen. Een verplichte stage komt in de plaats. Het proefschrift wordt in principe geschreven in de taal van het onderwijs. Niet alleen het proefschrift moet openbaar worden verdedigd, maar ook een of meer stellingen (meestal drie), die door de faculteit worden vastgesteld. De verdediging vindt plaats tegenover een door de faculteit aangewezen commissie van hoogleraren.

    professionele bachelor
    (in NL+VL) Graad in het hoger onderwijs die aangeeft dat een student met succes een professionele bacheloropleiding voltooid heeft. Professionele bachelors geven toegang tot de arbeidsmarkt. Deze opleidingen worden georganiseerd door hogescholen. Een master behalen na een professionele bachelor is mogelijk via een schakelprogramma.

    Naast een professionle bachelor, bestaat ook een academische bachelor.
    profiel
    (in NL)

    1. Een profiel bestaat uit een samenhangend onderwijsprogramma dat - samen met zelfstandiger werken - de leerling in havo en vwo beter voorbereidt op een opleiding aan een hogeschool of universiteit. Door die betere aansluiting kan ook het aantal studenten dat het hoger onderwijs voortijdig verlaat, verminderen.

    Leerlingen kunnen kiezen uit vier profielen:

    • cultuur en maatschappij
    • economie en maatschappij
    • natuur en gezondheid
    • natuur en techniek
    De vier profielen corresponderen met de grote, globale sectoren waarin werk en opleidingen in de huidige samenleving worden verdeeld. Een profiel kent vakken die voor alle leerlingen gelijk zijn, een deel dat specifiek is voor het gekozen profiel en een vrij in te vullen deel. De vrije ruimte kan worden gebruikt om vakken te volgen uit een ander profieldeel. Dat vergroot de mogelijkheden van leerlingen om door te stromen naar het hoger onderwijs.

    2. In het volwassenenonderwijs heeft profiel een andere betekenis. In Nederland bestaat het inburgeringsexamen uit een praktijkexamen en een centraal examen. Het centraal examen bestaat uit een test van de kennis van de Nederlandse samenleving, uit een toets gesproken Nederlands en uit een elektronisch praktijkexamen. Met betrekking tot het elektronisch praktijkexamen dient de inburgeringsplichtige te kiezen uit twee onderwerpen, namelijk 'Werk' en 'Onderwijs, gezondheid en opvoeding'. Deze onderwerpen worden profielen genoemd.

    profielvak
    (in NL) Zie: profiel.
    profielwerkstuk
    (in NL) Uitgebreide praktische opdracht waarbij meer dan een vak uit het profieldeel is betrokken. Het profielwerkstuk toetst vaardigheden in combinatie met kennis en inzicht. Hiernaast is het profielwerkstuk bedoeld om de samenhang en integratie van leerstofonderdelen binnen een profiel te bevorderen.

    Zie ook: profiel, profielvak.

    In Vlaanderen vergelijkbaar met de geïntegreerde proef (gip).
    promotie
    (in NL)

    Het behalen van een doctoraat noemt men in Nederland promotie of promoveren. In Vlaanderen spreekt men eerder van doctoreren.

    promotor
    (in NL+VL) Hoogleraar onder wiens leiding men tot doctor promoveert.
    promovendus
    (in NL)

    Wie een doctoraat tracht te behalen, noemt men in Nederland een promovendus. In Vlaanderen noemt men zo'n persoon een doctorandus.

    propedeuse
    (in NL) Ook wel 'propaedeuse'. Benaming voor het onderwijs in algemene en inleidende vakken aan een universiteit of een hogeschool, ter voorbereiding op de latere, meer specialistische vakken. Slagen voor de bijbehorende examens noemt men 'zijn propedeuse halen'.
    provinciaal onderwijs
    (in VL) Zie: 'gesubsidieerd officieel onderwijs'.
    PTC
    (in SR) Staat voor 'Polytechnic College'.

    Het Polytechnic College bestaat uit een educatieve (docentenopleiding ten behoeve van het secundair onderwijs) en een bedrijfsgerichte (beroeps)opleiding. Het doel is studenten/cursisten theoretisch en praktisch voorbereiden op beroepen waarvoor een hogere beroepsopleiding vereist of dienstbaar kan zijn. De gehele opleiding is modulair opgebouwd.

    PVNT2
    (in NL+VL) Staat voor 'Platform Volwassenenonderwijs NT2'.

    Het PVNT2 was een adviesgroep, samengesteld door de Nederlandse Taalunie die bestond uit Nederlandse en Vlaamse experts op vlak van NT2-volwassenenonderwijs. Het Platform fungeerde als denktank voor de Taalunie voor het beleid ten aanzien van het volwassenenonderwijs Nederlands als Tweede Taal.

    In 2016 is het PVNT2 samen met het PON gefusioneerd tot het PONT2. Lees meer over het PONT2.

    Raad van het GO!
    (in VL) De Raad van het GO! vormt de inrichtende macht van het GO, het onderwijs dat in Vlaanderen georganiseerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap. De belangrijkste opdracht van de Raad bestaat erin om de vrije schoolkeuze in Vlaanderen en Brussel te vrijwaren. Daarnaast bepaalt de Raad de strategische visie, stuurt de hoofdlijnen en oefent controle uit over het GO.

    Meer informatie op: Pro.g-o.be.
    Raamwerk Alfa NT2
    (in NL) Staat voor 'Raamwerk Alfabetisering Nederlands als Tweede Taal'.

    Een raamwerk waarin zowel technisch als functioneel schriftelijke vaardigheden van het alfabetiseringsproces zijn beschreven tot het niveau Breakthrough (= niveau A1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader). Het is uitgegeven door Cito-groep.

    Het Raamwerk Alfabetisering NT2 is geen overheidsdocument met een wettelijk vastgelegde status. Het is door en voor het veld ontwikkeld ten behoeve van transparantie bij te behalen doelen en het afsluiten van contracten met afnemers van het onderwijs.

    Zie ook: het Raamwerk NT2.

    Zie ook: het Portfolio Alfabetisering NT2.

    Raamwerk NT2
    (in NL) Staat voor 'Raamwerk Nederlands als tweede taal'.

    Het Raamwerk NT2 is een op het Europees Referentiekader gebaseerd raamwerk bewerkt als instrument voor het NT2-onderwijs. De niveaus A1 tot C1 van het Europees Referentiekader zijn doorgevoerd in wet en regelgeving en als document bij communicatie over niveaus.

    Zie ook: Raamwerk Alfabetisering NT2.

    reaffectatie
    (in VL) Als een vastbenoemd leerkracht in zijn school 'boventallig' wordt, d.w.z. als wegens bv. een dalend leerlingenaantal geen lestijden meer beschikbaar zijn om hem/haar een betrekking aan te bieden, moet het schoolbestuur of de reaffectatiecommissie hem/haar reaffecteren binnen hetzelfde ambt, vak of specialiteit. Hij krijgt dan lesuren toegewezen in een of meer andere scholen die het schoolbestuur beheert. De leerkracht kan deze reaffectatie niet weigeren. Indien een reaffectatie niet mogelijk is, kan het schoolbestuur of de reaffectatiecommissie de leerkracht opnieuw tewerkstellen. Dit is een aanstelling in een ander ambt dan dat waarin de leerkracht vastbenoemd is. In bepaalde gevallen is de leerkracht verplicht dit te aanvaarden.

    Meer info: http://www.gidsvoorleraren.be
    REC
    (in NL) Staat voor 'Regionaal Expertisecentrum'.

    Samenwerkingsverband van speciale scholen in een regio, opgericht als onderdeel van de wet op nieuwe, leerlinggebonden financiering. De samenwerking verloopt per cluster. Doel van de samenwerking is een efficiënter en doelmatiger stelsel van speciaal onderwijs. Dat is van belang om de deskundigheid in het speciaal onderwijs te behouden en te vergroten, ook als een deel van de leerlingen naar het regulier onderwijs gaat.
    Het REC heeft de volgende taken:

    • het inrichten en in stand houden van een commissie voor de indicatiestelling (CvI);
    • het coördineren van de ambulante begeleiding;
    • het coördineren van de onderzoeksactiviteiten door de (v)so-scholen in de regio ten behoeve van de indicatiestelling;
    • het ondersteunen van de ouders bij het indienen van een verzoek om indicatiestelling (indien gewenst door ouders);
    • het ondersteunen van de ouders van een geïndiceerde leerling bij het zoeken naar een reguliere of een (v)so-school (indien gewenst door ouders).

    Om de invoering van leerlinggebonden financiering beter mogelijk te maken, krijgt het speciaal onderwijs middelen en instrumenten van het ministerie van OCW om de kwaliteit verder te verbeteren.

    Niet te verwarren met Regionaal Expertisenetwerk in Vlaanderen.

    regent
    (in VL) Oude benaming voor leraar secundair onderwijs - groep 1.

    Zie regentaatsopleiding.

    regentaatsopleiding
    (in VL) Vaak afgekort tot 'regentaat'. Oude benaming voor de initiële lerarenopleiding secundair onderwijs - groep 1. Deze opleiding biedt leraren de kans les te geven in de eerste en tweede graad van het secundair onderwijs.

    Wie deze opleiding heeft gevolgd, heette vroeger 'regent', nu 'leraar/geaggregeerde voor het secundair onderwijs - groep 1'.
    regulier onderwijs
    (in NL+VL)

    1. Gangbare verzamelterm voor leerplichtonderwijs;
    2. Gangbare verzamelterm voor onderwijs dat zich niet richt tot speciale doelgroepen (zoals buitengewoon/speciaal onderwijs, onthaalonderwijs e.d.).

    remedial teacher
    (in NL) Leerkracht die werkt met kinderen die speciale aandacht en zorg nodig hebben. In de basisschool gaat het meestal om taal, lezen en rekenen.

    In Vlaanderen spreekt men meestal van een taakleraar.
    repetitie
    (in NL) Synoniem voor 'proefwerk'. Onder deze betekenis niet bekend in Vlaanderen.
    richtgraad
    (in VL) Benaming voor de opleidingsprofielen NT2 voor de Centra voor Volwassenenonderwijs (CVO's) in Vlaanderen. Elke richtgraad stemt overeen met een niveau. Richtgraad 1 is onderverdeeld in richtgraad 1.1 (breakthrough) en richtgraad 1.2 (waystage). Verder zijn er nog de niveaus 2 (threshold), richtgraad 3 (vantage) en richtgraad 4 (effectiveness).
    rijksonderwijs
    (in VL) Oude benaming voor Gemeenschapsonderwijs.
    roc
    (in NL) Staat voor 'regionaal opleidingencentrum'.

    Onderwijsinstelling die het complete scala van de huidige opleidingen uit de educatie en het beroepsonderwijs verzorgt. Sinds 1997 zijn er 46 roc's actief. Deze centra bevatten opleidingen voor vol- en deeltijds beroepsonderwijs, basiseducatie, voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo), leerlingwezen en vormingswerk.
    Deze concentratie is ontstaan op basis van de Wet educatie beroepsonderwijs (WEB).

    Een roc dient minimaal drie sectoren beroepsonderwijs aan te bieden: Techniek, Economie, Dienstverlening en Gezondheidszorg of Landbouw en Natuurlijke Omgeving.

    Het overkoepelend orgaan van de roc's is de bve-raad. De volwasseneneducatie is toegankelijk voor iedereen boven de 18 jaar. Leerlingen onder de 18 jaar moeten hun opleiding binnen het voortgezet onderwijs afronden.

    Zie ook: beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.

    RTC
    (in VL) Staat voor 'Regionaal Technologisch Centrum'.

    Initiatief van de Vlaamse regering om onderwijs en bedrijfswereld dichter bij elkaar te brengen. De RTC’s zijn netoverschrijdende samenwerkingsverbanden tussen het onderwijs en het bedrijfsleven die op provinciaal niveau allerlei acties op vlak van infrastructuur, leerlingenstages en bedrijfsstages/nascholing voor leerkrachten ondernemen. Elke Vlaamse tso- en bso-school kan bij zijn RTC aankloppen voor ondersteuning.

    Rugzak
    (in NL) Informele benaming voor leerlinggebonden financiering.

    samenwerkingsschool
    (in NL) School waar openbaar en bijzonder onderwijs samenwerken en waar de onderwijsprogramma's op levensbeschouwelijk vlak bijgevolg naast elkaar worden aangeboden. Tot nu toe worden zulke scholen gedoogd, maar in feite is een wijziging van de grondwet nodig om deze vorm toe te staan.

    De term 'samenwerkingsschool' wordt soms ook gebruikt voor scholen waar interconfessioneel onderwijs wordt aangeboden.

    In Vlaanderen vergelijkbaar met een pluralistische school.
    Sardes
    (in NL) Onafhankelijke instelling voor onderzoek en advies op de terreinen onderwijs, jeugd, welzijn en gezondheidszorg. In Nederland behoren scholen, gemeenten, ministeries, Stichting Lezen en het Transferpunt Onderwijsachterstanden tot de vaste opdrachtgevers.
    De unit Taal specialiseert zich in het ontwikkelen van taalbeleid voor gemeenten en een gerichte taalaanpak in scholen en in voorschoolse instellingen.
    schakelklas
    (in NL) Schakelklassen zijn klassen voor basisschoolleerlingen met een grote achterstand in de beheersing van de Nederlandse taal. In de schakelklas krijgen deze leerlingen een jaar lang intensief taalonderwijs. Het is de bedoeling dat zij na dat jaar voldoende bijgespijkerd zijn om op hun eigen niveau te kunnen deelnemen aan het reguliere onderwijs. Speciale vormen zijn de kopklas en voetklas.

    Meer info: www.schakel-klassen.nl.

    Niet te verwarren met: internationale schakelklas.

    Opgelet: in Vlaanderen heeft schakelklas een andere betekenis.
    schakelklas
    (in VL) Term die soms wordt gebruikt voor een overgangsklas tussen het kleuter- en lager onderwijs.

    Opgelet: in Nederland heeft schakelklas een iets andere betekenis.
    scheikunde
    (in NL+VL) Wetenschappelijk vak in het voortgezet/secundair onderwijs, ook 'chemie' genoemd.
    schepen van onderwijs
    (in VL) Lid van het schepencollege (in Nederland: college van burgemeester en wethouders) in een stad of gemeente, dat bevoegd is voor het stedelijk of gemeentelijk onderwijs in de gemeente.
    scholengemeenschap
    (in NL)

    Een scholengemeenschap bevat meerdere schooltypen voor voortgezet onderwijs die samenwerken: middelbaar voortgezet onderwijs (mavo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en/of voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). De overheid bevordert het creëren van scholengemeenschappen.

    Opgelet: in Vlaanderen heeft deze term een iets andere betekenis.

    scholengemeenschap
    (in VL)

    Een scholengemeenschap is in Vlaanderen een vrijwillig samenwerkingsverband tussen verschillende scholen die tot het zelfde onderwijsniveau behoren (bijvoorbeeld basisonderwijs of secundair onderwijs). Door de schaalvergroting kunnen scholen in een scholengemeenschap efficiënter werken.

    Sinds 1998 bestaan er scholengemeenschappen in het secundair onderwijs, en sinds 2003 in het basisonderwijs.

    Opgelet: in Nederland heeft deze term een iets andere betekenis.
    Deze term is ook niet te verwarren met scholengroep in Vlaanderen.

    scholengroep
    (in VL)

    In de onderwijskoepel GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, duidt men met 'scholengroep' een samenwerkingsverband aan tussen basis- en secundaire scholen (en eventueel een centrum voor leerlingenbegeleiding). Scholengroepen vormen samen met de centrale Raad de inrichtende macht van scholen die aangesloten zijn bij GO!.

    Opgelet: 'scholengroep' is niet te verwarren met scholengemeenschap in Vlaanderen.

    schoolbegeleidingsdienst
    (in NL) Regionale begeleidingsdienst voor scholen, ook wel 'onderwijsbegeleidingsdienst' of 'centrum voor educatieve dienstverlening' genoemd. De dienst is gespecialiseerd in het oplossen van problemen bij leerlingen. Hij kan leerlingen testen, vaststellen wat er mis is en een begeleidingsplan opstellen. Een schoolbegeleidingsdienst beschikt voor elk leerprobleem over gespecialiseerd oefenmateriaal en kan een belangrijke rol spelen bij het tot stand brengen van extra hulp aan een kind, in welke vorm dan ook.

    De Nederlandse schoolbegeleidingsdiensten zijn verenigd in de organisatie EDventure (www.edventure.nu).

    De Vlaamse tegenhanger is niet de gelijksoortig klinkende term pedagogische begeleidingsdienst maar wel het Centrum voor Leerlingenbegeleiding.
    schoolbestuur
    (in NL+VL)

    In Vlaanderen:
    Zie: inrichtende macht.

    In Nederland:
    Eindverantwoordelijk orgaan voor de beslissingen die in verband met de school worden genomen over het onderwijs dat wordt gegeven (keuze van een wiskundemethode, huiswerkbegeleiding, klasindeling, enz.) en over de school als geheel (verandering van de onderwijskundige doelstelling van de school, fuseren met een andere school, enz.). Het schoolbestuur neemt die beslissingen in overleg met de medezeggenschapsraad.

    schooldecaan
    (in NL) Zie decaan.
    schooldoorlichting
    (in VL)

    Inspectie van een school door een team van overheidsinspecteurs. Het team blijft gemiddeld een zestal dagen ter plaatse en licht de school door volgens vooraf bepaalde criteria (zie: CIPO-model).
    De resultaten van de doorlichting komen in een doorlichtingsrapport. Scholen kunnen drie soorten beoordelingen krijgen:

    • positief;
    • positief onder voorbehoud (de school moet binnen een vastgestelde termijn een of meer punten verbeteren);
    • negatief.
    Als het verdict negatief is, kan de school zijn overheidssubsidie verliezen.

    In Nederland vergelijkbaar met integraal schooltoezicht.

    schoolexamen
    (in NL)

    Zie: eindexamen.

    schoolgids
    (in NL) Document waarin elke school zichzelf beschrijft voor ouders. De gids geeft informatie over de doelen die de school nastreeft, hoe ze die doelen wil bereiken en welke resultaten ze al heeft geboekt. Ook informatie over de extra zorg die de school besteedt aan leerlingen met leermoeilijkheden of gedragsproblemen staat in de schoolgids.
    schoolonderzoek
    (in VL) Weinig gebruikte term die verwijst naar het medisch schoolonderzoek van leerlingen. De courante term is medisch schooltoezicht of MST. Zie: medisch schooltoezicht.

    In een andere betekenis verwijst de term naar wetenschappelijk onderzoek waaraan scholen meewerken. De meer courante term hiervoor is onderwijsonderzoek.

    Opgelet: in Nederland heeft schoolonderzoek een andere betekenis.
    schoolonderzoek
    (in NL) Onderdeel van het eindexamen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), middelbaar algemeen voorgezet onderwijs (mavo) en de algemene vakken in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo). Het andere onderdeel is het centraal examen. Het schoolonderzoek wordt door de school georganiseerd en afgenomen; het centraal examen is een landelijk examen en voor alle scholen gelijk. Sinds augustus 1998 is de term schoolonderzoek vervangen door de term schoolexamen.

    Zie ook: centraal examen, eindexamen.

    Opgelet: in Vlaanderen heeft schoolonderzoek een andere betekenis.
    Schoolopbouwwerk
    (in VL) Organisatie die initiatieven stimuleert om de kloof tussen gezin, school en buurt te verkleinen. Zij werkt daarbij onder meer samen met scholen.
    schoolopdracht
    (in VL) Zie: opdracht.
    schoolpact
    (in VL) Overeenkomst, in 1958 afgesloten door vertegenwoordigers van de toenmalige drie nationale partijen (Christelijke Volkspartij, Belgische Socialistische Partij en de Liberale Partij). Het Schoolpact maakte een einde aan de Schoolstrijd. Die ontstond in 1954, toen een socialistische regering de schaar zette in de subsidies voor vrije (katholieke) scholen.

    Het schoolpact moest in eerste instantie de schoolvrede bewaren en de continuïteit van onderwijs verzekeren, gebaseerd op fundamentele beginselen zoals de grondwettelijke vrijheid van onderwijs, en los van toevallige coalities. De vrijheid van schoolkeuze moest gewaarborgd worden door een voldoende aantal vrije en openbare scholen in het hele land, en door kosteloos middelbaar onderwijs, in beide onderwijsnetten.

    Later werd een gelijkaardige regeling uitgewerkt voor het hoger onderwijs.
    schoolplan
    (in NL) Niet te verwarren met de Vlaamse term schoolwerkplan.

    Document waarin scholen aangeven op welke manier ze werken aan de verdere verbetering van hun onderwijs. Elke school moet regelmatig zijn eigen kwaliteit toetsen. De informatie die dat oplevert, vormt de basis voor het plan. Via de medezeggenschapsraad hebben ook ouders daarbij inspraak.
    schoolplicht
    (in NL+VL) Niet te verwarren met: leerplicht

    In Vlaanderen:
    In Vlaanderen bestaat leerplicht voor alle zes- tot achttienjarigen. Leerplicht betekent dat ouders de plicht hebben hun kind te laten leren. In Vlaanderen, net zoals in heel België, is er echter geen schoolplicht. Kinderen moeten dus niet noodzakelijk naar school om te leren. Thuisonderwijs is ook mogelijk. Dat moeten ouders zelf organiseren en bekostigen. De onderwijsinspectie kan bovendien altijd komen controleren of het kind thuis effectief onderwezen wordt. Als de inspectie tweemaal een negatieve evaluatie geeft, zal het kind verplicht ingeschreven worden in een school.

    In Nederland:
    In Nederland is elk kind van vijf tot en met zestien jaar leerplichtig en tegelijk schoolplichtig. Thuisonderwijs is niet wettelijk geregeld en wordt slechts in uitzonderingsgevallen toegestaan. Jongeren ouder dan zestien zijn nog een jaar gedeeltelijk leer- en schoolplichtig.
    schoolraad
    (in VL) Participatieorgaan dat sinds 1 april 2005 in elke basis- en secundaire school van het vrij en officieel gesubsidieerd onderwijs aanwezig is. Leerkrachten, ouders en de lokale gemeenschap participeren elk met evenveel vertegenwoordigers in het schoolbeleid. In het secundair onderwijs maken ook de leerlingen deel uit van de schoolraad. De directeur heeft er een raadgevende stem.
    De pedagogische, ouder- of leerlingenraad duidt zijn vertegenwoordigers aan in de schoolraad. Waar zo'n deelraad niet bestaat, komen er rechtstreekse verkiezingen. Scholen móéten geen pedagogische raad oprichten, tenzij minstens tien procent van de leerkrachten daarom vraagt. De schoolraad adviseert aan en overlegt met de inrichtende macht.

    In het Gemeenschapsonderwijs bestaat de schoolraad al langer (vroeger sprak men van de 'lokale raad'). Een schoolraad telt er acht leden plus de schooldirectie: drie leden rechtstreeks verkozen door en uit ouders, drie leden rechtstreeks verkozen door en uit personeel, twee leden gecoöpteerd uit sociale, economische en culturele milieus. De voorzitter van de schoolraad wordt verkozen onder de leden of de gecoöpteerde leden. De schoolraad heeft advies- en overlegbevoegdheid en informatierecht over de beslissingen die het schoolleven beïnvloeden.

    In Nederland kent men de medezeggenschapsraad.
    schoolstrijd
    (in VL) Aanslepend conflict over de ongelijkheid (o.a. qua financiering) tussen vrij en officieel onderwijs. De strijd zorgde tijdens de jaren 50 voor heel wat sociale onrust en werd uiteindelijk in 1958 beslecht met het schoolpact. Dat is een overeenkomst die de wettelijke gelijkwaardigheid regelt van het vrije met het staatsonderwijs, en die een einde maakt aan de schoolstrijd. Leerkrachten van het vrij onderwijs gaan evenveel verdienen als hun collega's in het staatsonderwijs, en door de gelijkschakeling van de criteria voor de schoolbevolking krijgt het vrij onderwijs er heel wat klassen bij. Die het wél zelf moet bouwen, want de staat komt niet tussen in de bouw van vrije scholen. De werkingskosten van het vrij onderwijs worden opgetrokken tot driekwart van die van het staatsonderwijs.

    Ook Nederland kende zijn schoolstrijd.
    schoolstrijd
    (in NL) Politieke ruzie in de negentiende eeuw om het karakter van Nederlandse scholen, die bekend werd als 'schoolstrijd' of 'de onderwijskwestie'. Het lager en middelbaar onderwijs werden aan het begin van de negentiende eeuw sterk uitgebreid: alle Nederlanders moesten naar school toe kunnen. Daarom richtte de overheid heel wat 'staatsscholen' op. In 1878 drongen de liberale politici met een nieuwe onderwijswet het christelijke karakter van staatsscholen terug. 'Openbare' scholen kregen tot dertig procent overheidssubsidie en 'bijzondere' (christelijke) scholen kregen niets. Dat leidde tot heel wat ongenoegen in het bijzonder onderwijs.
    Toen de katholieken en protestanten in 1888 in de regering kwamen, veranderden ze meteen de onderwijswet van tien jaar eerder. Ook bijzondere scholen kregen nu gedeeltelijk overheidssubsidie. Maar de bijzondere scholen bleven zich achtergesteld voelen. Een definitieve oplossing werd mogelijk door een 'ruil' van twee belangrijke politieke punten in 1917. De katholieken en protestanten kregen een bij wet gegarandeerde, volledige gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs; de liberalen en (de in de late negentiende eeuw sterk opgekomen) socialisten kregen in ruil het algemeen (mannen)kiesrecht. Deze historische ruil werd bekend als de 'pacificatie'.
    schoolwerkplan
    (in VL) Niet te verwarren met de Nederlandse term schoolplan.

    Document waarin scholen hun pedagogisch project beschrijven. Daarnaast bevat het schoolwerkplan een variabel deel dat bestaat uit een werkplanning voor een zekere tijdsperiode waarbij bepaalde prioriteiten worden vooropgesteld als iets 'waaraan moet gewerkt worden'.

    Basisscholen zijn bij decreet verplicht om een schoolwerkplan op te stellen. In het secundair onderwijs is dit aanbevolen maar niet verplicht.

    scriptie
    (in NL+VL) Werkstuk als verplicht onderdeel van een opleiding.

    Opgelet: in Vlaanderen wordt de term ook gebruikt als synoniem voor thesis of masterproef.
    secundair onderwijs
    (in VL) Leerplichtonderwijs (12-18 j.) dat voortbouwt op het basisonderwijs. Komt overeen met 'voortgezet onderwijs' in Nederland.

    Zie ook: primair onderwijs, tertiair onderwijs.

    Voor de verschillende studiemogelijkheden in het secundair onderwijs, zie: onderwijsvorm.

    semi-alfabeten
    (in NL+VL)

    Benaming voor volwassenen die al wel technisch kunnen lezen, maar onvoldoende toegerust zijn om functionele lees- en schrijftaken in hun context zelfstandig uit te voeren.

    slaagcijfer
    (in VL) Het aandeel van de leerlingen of studenten dat geslaagd is voor een toets, een examen of een vak, of dat een jaar of studierichting met succes heeft beëindigd.

    In Nederland gebruikt men hiervoor enkel de term 'slagingspercentage'.
    SLO
    (in NL) Staat voor 'Stichting Leerplanontwikkeling'.

    Organisatie die landelijk en internationaal een bijdrage levert aan verandering en vernieuwing in het onderwijs. De Stichting werkt voor alle onderwijssectoren, overheid en bedrijfsleven. Binnen het onderwijs bestrijkt zij alle vakgebieden en houdt zij zich onder meer bezig met de samenhang en afstemming tussen vakken. Geïnteresseerden vinden bij de SLO ook een compleet overzicht van alle leermiddelen in Nederland.

    Website: www.slo.nl.

    slo
    (in VL) Staat voor 'specifieke lerarenopleiding'.

    Opleiding van 60 studiepunten die leidt tot het diploma van leraar. De specifieke lerarenopleiding wordt zowel aangeboden door universiteiten en hogescholen als door centra voor het volwassenenonderwijs.

    De specifieke lerarenopleidingen vervangen de academische initiële lerarenopleiding (AILO), de initiële lerarenopleiding van academisch niveau (ILOAN) en het getuigschrift pedagogische bekwaamheid (GPB).

    De diploma’s van alle specifieke lerarenopleidingen zijn evenwaardig. De specifieke lerarenopleiding is te onderscheiden van de geïntegreerde lerarenopleiding.

    so
    (in SR) Staat voor 'speciaal onderwijs'.

    Vroeger buitengewoon onderwijs (bo) genoemd. Het speciaal onderwijs in Suriname wordt verzorgd in verschillende instituten (schooltypen) en op twee niveaus: het basis- en voortgezet speciaal onderwijs (vso). Het speciaal onderwijs is bedoeld voor kinderen met een: visuele handicap; communicatieve handicap (gehoor-, spraak- of taalproblemen); lichamelijk en /of verstandelijke handicap, ernstige gedragsstoornis of een psychiatrisch probleem; kinderen met leer- en gedragsproblemen.

    sociale promotie
    (in VL) Zie: Onderwijs voor Sociale Promotie (osp).
    Socrates
    (in NL+VL) Was een Europees onderwijsprogramma dat scholen, universiteiten en andere 'kennisinstellingen' uit verschillende landen in Europa mogelijkheden biedt om samen te werken. Leerlingen, studenten, leerkrachten en docenten kunnen, voor korte of langere tijd, individueel of in groepsverband, tijdelijk studeren, lesgeven of andersoortige ervaring opdoen bij een instelling in het buitenland. Leerkrachten en materiaalontwikkelaars krijgen de kans om samen met collega's uit andere landen van de Europese Unie lesmateriaal te ontwikkelen.

    De Europese Commissie heeft een aantal van haar vroegere programma's in het domein van onderwijs en opleiding gegroepeerd in het Programma Erasmus+.

    Zie ook: Lingua, Leonardo da Vinci, Grundtvig, Comenius, Erasmus, Minerva.

    speciaal basisonderwijs
    (in NL) Zie: speciaal onderwijs.
    speciaal onderwijs
    (in NL)

    Ook: buitengewoon onderwijs. Benaming voor schoolvormen die gericht zijn op leerlingen die specifieke zorg behoeven.

    Tot 1998 bestond er basisonderwijs en speciaal onderwijs. Het speciaal onderwijs was voor leerlingen die speciale zorg nodig hadden. In 1998 is het speciaal onderwijs gesplitst in het speciaal basisonderwijs en het speciaal onderwijs. Naast de speciale scholen voor basisonderwijs, zijn er de speciale scholen. Deze scholen zijn bedoeld voor lichamelijk, zintuiglijk of verstandelijk gehandicapte leerlingen en leerlingen met gedragsstoornissen. Voor deze groep kinderen zijn er in totaal tien soorten scholen, die in vier clusters onderverdeeld zijn:

    • Cluster 1: scholen voor visueel gehandicapte kinderen, of meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap;
    • Cluster 2: scholen voor dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, of meervoudig gehandicapte kinderen met één van deze handicaps;
    • Cluster 3: scholen voor lichamelijk gehandicapte kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen en langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, of meervoudig gehandicapte kinderen met één van deze handicaps;
    • Cluster 4: scholen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK), langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap en onderwijs aan kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.
    Leerlingen kunnen tot hun twintigste jaar naar het speciaal onderwijs. Zij kunnen daar dus ook voortgezet onderwijs volgen.

    Om de snelle groei van het speciaal onderwijs in te perken, is de overheid een actie gestart met de naam Weer samen naar school.

    Zie ook: tyltylschool en mytylschool.

    In Vlaanderen spreekt men van buitengewoon onderwijs.

    specialisatiegraad
    (in VL) Voortgezette opleiding binnen het deeltijds kunstonderwijs.

    Opgelet: een specialisatiegraad is niet hetzelfde als een specialisatiejaar.
    specialisatiejaar
    (in VL) Extra leerjaar (derde leerjaar van de derde graad) dat leerlingen kunnen volgen nadat ze hun diploma bso of tso hebben behaald. In specialisatiejaren wordt een bepaald onderdeel van de leerstof van de derde graad verder uitgediept. Er is ook een rechtstreekse koppeling naar tewerkstelling in bedrijven of instellingen. Het volgen van een specialisatiejaar geeft de afgestudeerden vaak een grotere kans op tewerkstelling.

    Opgelet: een specialisatiejaar is niet hetzelfde als een specialisatiegraad. Het mag ook niet worden verward met een zevende homologatiejaar.
    specialistenopleiding
    (in NL) De specialistenopleiding duurt één tot twee jaar en leidt tot niveau vier van de beroepsopleidingen, het hoogste niveau. Om een specialistenopleiding te kunnen volgen is een diploma vakopleiding voor eenzelfde beroep op beroepencategorie vereist.

    Zie ook: beroepsonderwijs.
    Staatsexamen NT2
    (in NL) Staat voor 'Staatsexamen Nederlands als tweede taal'.

    Examen Nederlands als tweede taal, vooral bedoeld voor mensen die in Nederland een opleiding willen volgen of willen gaan werken.

    Afhankelijk van het soort opleiding of werk dat men op het oog heeft, zijn er twee verschillende examens. Beide evalueren de vier taalvaardigheden: spreken, luisteren, lezen en schrijven.

    1. Het Staatsexamen Programma I is de afronding van een NT2-traject toeleidend naar niveau B1.
    2. Het Staatsexamen Programma II is de afronding van een NT2-traject toeleidend naar niveau B2/C1.
    Het examen vindt plaats in een talencentrum. Wie slaagt, ontvangt een certificaat voor een, enkele of alle vaardigheden. Als men geslaagd is voor alle vaardigheden, ontvangt men een diploma. Met dit diploma voldoet een inburgeraar aan de inburgeringsplicht.

    Meer informatie: www.staatsexamensnt2.nl/.

    Staatsexamencommissie
    (in NL) Wie in Nederland het voortgezet onderwijs niet heeft gevolgd of met succes heeft afgerond, kan toch een diploma vwo, havo of vmbo behalen door een staatsexamen af te leggen voor de staatsexamencommissie. Dit diploma heeft dezelfde waarde als een gewoon schooldiploma. Er worden geen toelatingseisen gesteld.

    Meer info op de website van de Informatie Beheer Groep.

    Voor Vlaanderen, zie: Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap

    startkwalificatie
    (in NL) Een startkwalificatie is volgens de overheid het minimale onderwijsniveau dat nodig is om kans te maken op duurzaam werk. Een startkwalificatie is een havo of vwo-diploma of een mbo-diploma vanaf niveau 2. Een vmbo-diploma wordt dus niet gezien als een startkwalificatie.
    stedelijk onderwijs
    (in VL) Zie: Gesubsidieerd Officieel Onderwijs.
    stedelijk onderwijs
    (in NL) Term die verwijst naar de toenemende rol van de gemeente om lokaal onderwijsbeleid te voeren over openbaar en bijzonder onderwijs heen. Minderhedenbeleid is bijvoorbeeld een onderwerp waar een gemeente al zijn schoolbesturen bij nodig heeft. Het gegeven sluit aan bij een tendens waarbij het openbaar onderwijs steeds meer wordt verzelfstandigd. De verzelfstandiging van het openbaar onderwijs is mede ingezet om de steden en gemeenten in de positie te brengen dat zij met alle schoolbesturen op een gelijkwaardige manier beleid kan voeren.

    Opgelet: in Vlaanderen heeft stedelijk onderwijs een andere betekenis (zie: Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap.
    steinerschool
    (in NL+VL) Methodeschool gebaseerd op de pedagogie van Rudolf Steiner. De belangrijkste principes van dit onderwijs zijn:
    1. Het leerplan is geïnspireerd door een ontwikkelingspsychologie. Het geeft veelomvattende thema's aan, die verbonden zijn aan fasen in de kinder- en jeugdontwikkeling. Onderwijs is vanuit die optiek eerst en vooral pedagogie;
    2. Het onderwijs is situationeel. Inhoud en vorm komen tot stand in concrete leersituaties, in de relatie tussen een bepaalde leerkracht en bepaalde leerlingen. Deze kwaliteit van het onderwijs maakt het mogelijk dat een leerling gestimuleerd en begeleid wordt bij het vormen van eigen waarden en normen;
    3. Het onderwijs is intuïtief. Daardoor kan in onderwijssituaties aan het punt geraakt worden, waarop voor de leerling op dat moment ontwikkeling mogelijk is. De leerkracht observeert, wisselt zijn observaties uit met collega's, bezint zich, handelt situationeel;
    4. Het onderwijs wordt in hoofdzaak gegeven aan klassen, dat wil zeggen qua vermogens heterogene en qua leeftijd homogene groepen van leerlingen, die de school gezamenlijk doorlopen. Bekendheid met en veiligheid in de groep hoeven niet telkens opnieuw gerealiseerd te worden. Daardoor kunnen, in elke leeftijdsfase weer andere, sociale vermogens ontplooid en beoefend worden. Vroegtijdige selectie en determinatie zijn uitgesloten;
    5. Het onderwijs is kunstzinnig. Het beleven van schoonheid en harmonie is voor het basisschoolkind een voorwaarde om zich innerlijk te verbinden met de door het onderwijs ontsloten aspecten van de wereld;
    6. De praktische beoefening van ambachtelijke vaardigheden (handwerk, tuinbouw, houtbewerking) is bij uitstek het middel waarmee de innerlijke motivatie voor werk en in bredere zin voor het deelnemen aan de samenleving gevoed wordt;
    7. Innerlijke motivatie staat tegenover externe motivatie.
    Meer informatie: Vereniging van Vrije Scholen (verenigt onderwijsinstellingen die werken vanuit de leer van Steiner, de antroposofie).

    Zie ook: methodeschool, traditionele vernieuwingsschool, bijzondere school.

    STEM
    Staat voor Science – Technology – Engineering – Mathematics. Dit verwijst naar een actieplan van de Vlaamse Regering dat loopt van 2012-2020 met de bedoeling om loopbanen in wiskunde, exacte wetenschappen en techniek te stimuleren. In het actieplan zijn acht doelstellingen opgenomen die de Regering hoopt te realiseren tegen 2020. Zo wil de Regering het STEM-onderwijs aantrekkelijker maken, ondersteuning bieden aan leraren, opleiders en begeleiders, het proces van studie-en loopbaankeuze verbeteren, de samenwerking tussen de bedrijven en het onderwijs stimuleren en meer meisjes in STEM-opleidingen krijgen. Sinds 2015 organiseren heel wat Vlaamse scholen in het eerste jaar van de A-stroom van het secundair onderwijs de optie STEM, naast bijvoorbeeld de optie Latijn.
    Steunpunt Diversiteit en Leren
    (in VL)

    Door de overheid gesubsidieerde instelling die ondersteuning biedt aan organisaties in het onderwijs en daarbuiten, zowel in de Vlaamse Gemeenschap als internationaal. Die ondersteuning uit zich in vorming, materiaal- en instrumentontwikkeling en onderzoek. Het centrum is werkzaam binnen het basis- en buitengewoon onderwijs, het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en de lerarenopleiding. Het Steunpunt Diversiteit & Leren werkte samen met het CTO en het ECEGO mee aan gelijke onderwijskansen binnen het Steunpunt Gelijke Onderwijskansen (gefinancierd door de Vlaamse Overheid). Dit laatste project werd stopgezet op 31/12/2009.

    Voorheen werd het Steunpunt Diversiteit en Leren het Steunpunt Intercultureel onderwijs genoemd.

    Website: www.steunpuntdiversiteitenleren.be.

    Steunpunt GOK
    (in VL) Staat voor 'Steunpunt Gelijke Onderwijskansen'.

    Het Steunpunt GOK bood vanaf 2004 in opdracht van het Vlaamse Departement Onderwijs een geïntegreerd ondersteuningsaanbod aan het onderwijsveld aan met betrekking tot gelijke onderwijskansen. Eind 2009 werd het Steunpunt GOK ontbonden.

    Het Steunpunt GOK was een samenwerkingsverband van het Centrum voor Taal en Onderwijs (K.U.Leuven), het Steunpunt Diversiteit en Leren (UGent) en het Expertisecentrum Ervaringsgericht Onderwijs (K.U.Leuven).

    Meer info: www.steunpuntgok.be.

    Steunpunt ICO
    (in VL) Staat voor 'Steunpunt Intercultureel Onderwijs'.

    Oude benaming voor het Steunpunt Diversiteit en Leren.

    Steunpunt LOA
    (in VL) Staat voor 'Steunpunt Loopbanen'.

    Het Steunpunt Loopbanen (voluit: het 'Steunpunt voor beleidsrelevant onderzoek van loopbanen van leerlingen en studenten in het onderwijs en bij de overgang naar de arbeidsmarkt'), draagt sinds 2007 de naam Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen (Steunpunt SSL).

    Steunpunt NT2
    (in VL) Staat voor 'Steunpunt Nederlands als tweede taal'.

    Het Steunpunt NT2 maakte tot 2004 deel uit van het Centrum voor Taal en Onderwijs (CTO) van de Katholieke Universiteit Leuven. De werkzaamheden van het Steunpunt NT2 werden tot 2009 voortgezet binnen het Steunpunt GOK, waarin het CTO als partner optrad.

    De ondersteuning die het CTO in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap biedt aan het volwassenenonderwijs NT2 wordt nog steeds aangeduid als het project 'Steunpunt NT2'.

    Steunpunt SSL
    (in VL) Staat voor 'Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen'.

    Het Steunpunt SSL (tot 2006 het Steunpunt Loopbanen) is een interuniversitair expertisecentrum dat gegevens verzameld over en onderzoek uitvoert naar de schoolloopbanen van jongeren doorheen heel het reguliere onderwijs, met inbegrip van de overgang naar de arbeidsmarkt.

    Meer info: www.steunpuntloopbanen.be.

    Stichting LES
    (in NL) Stichting die door middel van het tijdschrift Les wil inzetten op de professionalisering van de NT2-docent. In 2017 bestond het tijdschrift 35 jaar, goed voor meer dan 200 papieren nummers. Daarnaast organiseert Stichting Les ook de Schrijfprijs NT2, een schrijfwedstrijd voor NT2-leerders.

    Website: www.tijdschriftles.nl.
    Stichting NOB
    (in NL) Staat voor 'Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland'.

    De Stichting NOB ondersteunt, adviseert en subsidieert het Nederlandse onderwijs in het buitenland, in opdracht van het ministerie van OCW. De stichting voert een breed scala aan taken en activiteiten uit voor leerkrachten, besturen en ouders.

    Meer informatie: www.stichtingnob.nl.

    studie
    (in VL) Een vrij uur door bijvoorbeeld afwezigheid van een leerkracht tussen twee lesuren wordt in Vlaamse secundaire scholen 'studie' genoemd en doorgebracht in het studielokaal, onder begeleiding van een leerkracht.

    Voor Nederland, zie: tussenuur.
    studiebeurs
    (in NL+VL)

    Zie studietoelage.

    studiegebied
    (in VL)
    • In het secundair en volwassenenonderwijs: groep van structuuronderdelen die inhoudelijk verwant zijn en die, in het technisch (tso) en beroepsonderwijs (bso), behoefte hebben aan eenzelfde onderwijsinfrastructuur (aangepaste lokalen, machines ...) en gericht zijn op eenzelfde beroepssector. Momenteel zijn er 29 studiegebieden, waarvan één voor het aso, drie voor het kso, één (nl. sport) aso en tso-overschrijdend en 24 (voor het merendeel) tso- en bso-overschrijdend.
    • In het hoger en universitair onderwijs: groep van structuuronderdelen op basis van een inhoudelijke verwantschap. De studiegebieden omvatten verschillende opleidingen, die op hun beurt kunnen opgesplitst worden in verschillende opties. In de hogescholen zijn er elf studiegebieden, in de universiteiten achttien .
    studiehuis
    (in NL)

    Vorm van begeleid zelfstandig leren (bzl) voor de leerjaren 4-5 van het hoger algemeen voorgezet onderwijs (havo) en leerjaren 4-6 van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Het studiehuis houdt in dat leerlingen in toenemende mate hun eigen studie plannen en meer zelfstandig en in groepjes opdrachten uitvoeren. De rol van de docent verschuift van lesgeven naar begeleiden, hij zal dus minder frontaal lesgeven. Het studiehuis moet de leerlingen helpen hun studievaardigheid te vergroten en ze beter voorbereiden op een studie in het hoger onderwijs. Het woord 'studiehuis' wil het verschil duidelijk maken met de gebruikelijke schoolroutine van een vast rooster, vaklokalen, lesuren enz. In het studiehuis gaat het om leren leren.

    Het concept van het studiehuis wil daarnaast twee problemen oplossen:

    1. de veelvoorkomende demotivatie, consumptiegerichte houding en uitval (drop-out)als gevolg van een door leerlingen als saai, schools en kunstmatig ervaren leeromgeving;
    2. het door het hoger onderwijs en de arbeidsmarkt gevraagde vermogen van jongeren om zelfstandig te kunnen plannen en blijven leren, flexibel en met inzicht om te kunnen gaan met nieuwe situaties, en niet bang te zijn om verantwoordelijkheid te nemen.
    Zie ook: het nieuwe leren.

    studiejarensysteem
    (in NL+VL) Organisatie van onderwijs in studiejaren, die de leerling/student na elkaar doorloopt.
    studielast
    (in NL+VL) Tijd die de gemiddelde leerling/student nodig heeft om zich een bepaalde hoeveelheid stof eigen te maken, zowel op school als thuis. De studielast omvat alles, ook werkstukken schrijven, boeken lezen, werken in de mediatheek, excursies en huiswerk. De studielast kan worden omgerekend naar en uitgedrukt in studiepunten.
    studierichting
    (in NL+VL) Vakgebied binnen een studie waarop men kan afstuderen.
    studietoelage
    (in NL+VL)

    Ook 'studiebeurs'. Door de overheid, een bepaalde instelling of een particulier verleende toelage om een studie te bekostigen.

    Voor Nederland:
    Zie: https://www.duo.nl/particulier/.

    Voor Vlaanderen:
    Zie: http://www.ond.vlaanderen.be/studietoelagen.

    SVO
    (in NL) Staat voor 'Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs'.

    Organisatie die tot 1996 verantwoordelijk was voor de programmering en subsidiëring van onderwijsonderzoek in Nederland. In die hoedanigheid gaf ze ook het tijdschrift 'Didaktief' uit. In 1996 is de uitzonderingspositie van het onderwijsonderzoek opgeheven en is de programmering en subsidiëring van onderwijsonderzoek grotendeels toegevoegd aan de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), waarna de stichting op 1 augustus 1997 werd opgeheven.

    svo
    (in NL) Staat voor 'speciaal voortgezet onderwijs'.

    Onderwijs dat volgt na het basisonderwijs en dat bedoeld is voor leerlingen met een lichamelijke, zintuiglijke en/of verstandelijke handicap, voor zeer moeilijk opvoedbare leerlingen en voor langdurig zieke leerlingen van twaalf tot twintig jaar.

    In Vlaanderen spreekt men van buitengewoon secundair onderwijs (buso).

    Syntra
    (in VL)

    Opleidingsnetwerk voor zelfstandige ondernemers in Vlaanderen, gesubsidieerd door de overheid (meer bepaald door het Syntra Vlaanderen). De lesplaatsen van Syntra (voorheen de 'Centra voor Middenstandsopleiding') zijn verdeeld in vijf koepels. Hun aanbod omvat opleiding, vorming en begeleiding.

    Binnen het Syntra-aanbod kan men drie opeenvolgende niveaus onderscheiden:

    1. de leertijd: beroepsopleiding voor leerjongeren vanaf 15-16 jaar;
    2. de ondernemersopleiding: basisvorming die voorbereidt op een zelfstandig beroep;
    3. de voortgezette vorming: verzamelterm voor allerlei vormingsactiviteiten voor zelfstandigen, bedrijfsleiders en hun naaste medewerkers.
    Website: www.syntravlaanderen.be.

    taakklas
    (in VL) Zie: taakleraar.
    taakleraar
    (in VL) Leerkracht die leerlingen tracht bij te werken die voor een bepaald vak achterop zijn geraakt. Dit gebeurt dikwijls in een apart klasje: de 'taakklas'.

    In Nederland gebruikt men de term remedial teacher.
    Tasan
    (in VL) Staat voor 'Taalvaardigheid Aanvang Secundair onderwijs Anderstalige Nieuwkomers'.

    Taalvaardigheidstoets voor anderstalige nieuwkomers bij de aanvang van het secundair onderwijs. De toets werd ontwikkeld door het Steunpunt NT2 in Leuven. Hij wordt gebruikt als aanvulling op de resultaten die de school registreert.

    tbs
    (in VL) Staat voor 'terbeschikkingstelling'.

    Voluit: 'terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking'. Sociaal statuut dat vastbenoemde leerkrachten recht geeft op een uitkering op het moment dat ze geheel of gedeeltelijk hun lesopdracht verliezen (bv. doordat het aantal leerlingen daalt op de school waar ze werken). Het statuut geeft leraren die dat willen bovendien de kans tijdelijk uit de job te stappen zonder gevaar van jobverlies.

    De terbeschikkingstelling geeft ook recht op reaffectatie. De terbeschikkinggestelde leerkracht mag een passende betrekking steeds opeisen, maar is ook verplicht om een aangeboden betrekking te aanvaarden. De inrichtende macht van een school moet steeds terbeschikkinggestelde leerkrachten terug aan het werk zetten voor ze een tijdelijke leerkracht aanwerft. Indien de inrichtende macht de terbeschikkinggestelde leerkracht geen gepaste betrekking kan toewijzen, nemen de reaffectatiecommissies deze taak over.

    In Nederland wordt de term 'terbeschikkingstelling' enkel gebruikt als juridische term. Men spreekt er veeleer van wachtgelder.

    technisch onderwijs
    (in VL) Zie: technisch secundair onderwijs.
    technologische opvoeding
    (in VL)

    Algemeen vak in de eerste graad van het secundair onderwijs. Doel van het vak is de technisch-technologische vormingscomponent bij leerlingen te ontwikkelen.

    Vanaf 1 september 2010 wordt het vak 'techniek' genoemd en gelden er nieuwe eindtermen .

    tempobeurs
    (in NL)

    Vorm van studiefinanciering, ingevoerd in 1993 en in 1996 vervangen door de prestatiebeurs. Het principe was dat wie na een jaar studeren minder dan 21 studiepunten behaalde, zijn/haar studiebeurs moest terugbetalen.

    tentamen
    (in NL)

    Toets in het hoger onderwijs die een student moet afleggen voor een of ander vak, alvorens hij/zij examen mag doen. Een tentamen kan in bepaalde gevallen leiden tot vrijstelling van een deel van het examen (vervangend of vrijstellend tentamen). In sommige faculteiten is het examen slechts een formaliteit, met name wanneer naast de vervangende tentamens andere voorbereidingen voor het examen zijn vereist, bv. practicum, werkstuk, scriptie, stage.

    Zie ook: examen

    .
    tertiair onderwijs
    (in NL+VL) Verzamelnaam voor hoger onderwijs. In Nederland is het tertiair onderwijs volledig van universitair niveau, in Vlaanderen maakt ook het onderwijs aan de hogescholen daar deel van uit.

    Zie ook: secundair onderwijs, primair onderwijs.
    theoretische leerweg
    (in NL) Zie: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs.
    thesis
    (in NL+VL)

    Te verdedigen, te bewijzen stelling.

    In Vlaanderen wordt de term courant gebruikt in de betekenis van masterproef.

    TIBO
    (in VL) Staat voor 'Toets Instroom Beroepsopleiding'.

    Toets ontwikkeld door het Steunpunt NT2 om de intakeprocedure voor anderstalige VDAB-cursisten te optimaliseren. In elke module wordt de kandidaat geconfronteerd met een aantal taken (aanwijzingen van de technisch instructeur begrijpen, een dagplanning interpreteren, een uitleg in verband met het functioneren van een apparaat begrijpen....) die representatief zijn voor de taalgebruikssituaties op de werkvloer.

    titularis
    (in VL) Zie: klasleraar.
    tko
    (in VL) Staat voor 'tweedekansonderwijs'.

    Vorm van volwassenenonderwijs, speciaal in het leven geroepen om volwassenen zonder diploma secundair onderwijs de kans te geven dit diploma alsnog te behalen. Tien centra voor tweedekansonderwijs bereiden cursisten van minimum achttien jaar oud voor om deel te nemen aan de examensessies van de Examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap. Via die weg kunnen zij een diploma algemeen, technisch of beroepssecundair onderwijs behalen. Twee à drie jaar lang volgen de deelnemers overdag of 's avonds een vakkenpakket dat ze zelf kunnen kiezen.

    Toezichtkaart
    (in NL)
    TOM
    (in NL) Staat voor 'Teamonderwijs Op Maat'.

    Onderwijsproject dat focust op een integrale aanpak van verandering en vernieuwing, via o.a. meer individuele aandacht voor leerlingen en een gemotiveerd en inspirerend onderwijsteam, met als principes: klasdoorbrekend leren in kern- of basisgroepen, betekenisvol actief leren als alternatief voor kennisoverdracht, lesgeven in multidisciplinaire teams en werken op verschillende leer- en werkplekken in de school. TOM-scholen bepalen daarbij zelf hun gewenste ontwikkeling.

    Website: www.teamonderwijs.nl.

    TOM-school
    Zie: Teamonderwijs Op Maat.
    traditionele vernieuwingsschool
    (in NL) Verzamelnaam voor scholen met een typische filosofische en ideologische achtergrond. In traditionele vernieuwingsscholen wordt ook een uitgesproken mens- en maatschappijbeeld nagestreefd. Men baseert zich voor de vernieuwing van de klaspraktijk op bestaande pedagogische ideeën van o.m. Dalton, Freinet, Steiner, Montessori, jenaplan, Decroly... of men werkt volgens het model van het ervaringsgericht onderwijs.

    In Vlaanderen gebruikt men voor deze vormen van onderwijs de verzamelnaam methodeschool.
    trissen
    (in VL) Een studiejaar voor de derde keer volgen, omdat men de voorgaande jaren telkens niet geslaagd was. Een persoon die voor de derde keer aan een studiejaar begint, noemt men een 'trisser'.

    Zie ook: bissen.
    tso
    (in VL) Staat voor 'technisch secundair onderwijs'.

    Algemeen en technisch-theoretisch onderwijs, vaak aangevuld met praktijklessen, dat jongeren zowel een beroep aanleert als hen in staat stelt hoger (technisch) onderwijs te volgen. Jongeren die afstuderen behalen een diploma tso. Daarnaast kunnen zij een kwalificatiegetuigschrift behalen.

    Deze onderwijsvorm biedt een algemene en technische vorming. Er zijn opleidingen die voorbereiden op hoger onderwijs enerzijds en opleidingen die mikken op tewerkstelling of op een zevende specialisatiejaar anderzijds.

    Bij opleidingen die voorbereiden op hoger onderwijs vindt men vaak de term 'wetenschappen' terug, bv. techniekwetenschappen, industriële wetenschappen en grafische wetenschappen. De term 'technieken', zoals in houttechnieken, elektrotechnieken, grafische technieken enz. verwijst naar opleidingen die leerlingen beëindigen in het secundair onderwijs.

    In sommige opleidingen kunnen leerlingen daarna een zevende specialisatiejaar volgen en een kwalificatiegetuigschrift behalen, dat een gespecialiseerde beroepskennis aanduidt.

    Het tso is vergelijkbaar met het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) in Nederland.

    tussendoelen
    (in NL) De vertaling van de kerndoelen naar de dagelijkse onderwijspraktijk bleek voor veel scholen erg lastig. De kerndoelen zijn te algemeen geformuleerd om voldoende richting te geven aan het onderwijs. Daarom werden leerlijnen en tussendoelen ontwikkeld. Een leerlijn geeft voor een bepaald leergebied aan hoe kinderen van een bepaald beginniveau tot de kerndoelen komen. Cruciale momenten van de leerlijn worden tussendoelen genoemd. Aan de hand van leerlijnen en tussendoelen kunnen leraren de ontwikkeling van hun leerlingen veel beter volgen en hebben zij een leidraad om de kerndoelen te behalen.
    tussenuur
    (in NL) Een tussenuur is een vrij uur tussen twee lesuren.

    Voor Vlaanderen, zie: studie.
    Tweede Fase
    (in NL) Onderwijskundige betekenis:
    Met 'Tweede Fase' wordt in het Nederlandse onderwijs verwezen naar de hervorming van de bovenbouw van het voortgezet onderwijs, zie ook 'Studiehuis'.

    De Tweede Fase wil het onderwijs beter laten aansluiten bij de eisen die in het hoger onderwijs gesteld worden en aan de eisen van de snel veranderende maatschappij. In tegenstelling tot vroeger kunnen leerlingen in de bovenbouw van havo en vwo geen volledig vrij vakkenpakket meer kiezen. In plaats daarvan kiezen de leerlingen een bepaald profiel dat aansluit bij opleidingen in het hoger onderwijs. Men onderscheidt vier profielen:
    1. Cultuur en Maatschappij;
    2. Economie en Maatschappij;
    3. Natuur en Gezondheid;
    4. Natuur en Techniek.
    Leerlingen krijgen voorts zelf meer verantwoordelijkheid voor het leren. Het onderwijs kenmerkt zich door minder klassikale lessen, meer begeleidend optreden door docenten en veelvuldig gebruik van bibliotheek en multimedia.

    Zie ook: Het Nieuwe Leren.
    tweede leerweg
    (in NL)

    Kinderen kunnen een afzonderlijk leerprogramma volgen dat bij het verlaten van de school een niveau (groep 6) geeft dat aansluit bij vervolgonderwijs vmbo.

    tweede zit
    (in VL) Aan hogescholen en universiteiten kunnen examens worden afgelegd in de eerste en de tweede zittijd (of: 'zit'). De examens die tijdens de examenperiode in januari en juni afgelegd worden,vinden plaats in de eerste zittijd. Na de eerste zittijd (eind juni-begin juli) volgt een proclamatie. Studenten die niet konden deelnemen aan de examens in de eerste zittijd of die niet voor alle vakken geslaagd waren, kunnen (opnieuw) examens afleggen tijdens de tweede zittijd. Deze wordt eind augustus-begin september georganiseerd.

    Let op: voor sommige vakken vindt enkel tijdens de eerste zittijd een examen plaats (bv. vakken waarbij permanent wordt geëvalueerd, stages...).
    tweedelijnszorg
    (in VL) Zorg voor leerlingen die prioritair is toegewezen aan de Centra voor Leerlingbegeleiding (CLB). Het gaat hierbij om aspecten van studie- en beroepsoriëntering, leerproblemen, gedragsstoornissen en/of sociaal-emotionele problemen die de school niet weet op te lossen.

    Zie ook: eerstelijnszorg.
    tyltylschool
    (in NL) Vorm van speciaal onderwijs voor kinderen met meervoudige handicaps. Een mytylschool is voor lichamelijk gehandicapte kinderen. Een van de kenmerkende aspecten van mytyl-/tyltylscholen is dat in een klas of groep naast onderwijs ook revalidatiezorg wordt gegeven.

    De naam is overgenomen uit een sprookje van de Belgische schrijver Maurice Maeterlinck, 'l'Oiseau Bleu' (De Blauwe Vogel), over het meisje Mytyl en haar broertje Tyltyl.
    uitstroom
    (in NL+VL) Leerlingen/studenten die met een diploma een opleiding verlaten.

    Zie ook: doorstroom en afstroom.
    ulo
    (in NL) Staat voor 'uitgebreid lager onderwijs'.

    Zie: meer uitgebreid lager onderwijs.

    universitair onderwijs
    (in VL)

    De universitaire opleidingen sluiten aan bij het secundair onderwijs. In het universitair onderwijs zijn onderwijs en onderzoek nauw met elkaar verbonden. De Vlaamse universiteiten zijn namelijk werkzaam op drie domeinen: het academisch onderwijs, het wetenschappelijk onderzoek en de wetenschappelijke dienstverlening. Zij kunnen de volgende opleidingen verstrekken:

    Het universitair onderwijs is ingedeeld in studiegebieden, die basis- en voortgezette opleidingen en postgraduaten groeperen. Onder de noemer 'gecombineerde studiegebieden' ressorteren opleidingen die niet in één studiegebied thuis te brengen zijn.

    Meer info: http://www.ond.vlaanderen.be/onderwijsaanbod/ho/universitair/structuur.htm.

    universitair onderwijs
    (in NL) Het Nederlandse hoger onderwijs bestaat uit hoger beroepsonderwijs (hbo) en wetenschappelijk onderwijs (wo). Dit heet een binair stelsel. Hogescholen hebben het aanbieden van hbo als taak en universiteiten het aanbieden van wo. Na het eerste jaar hbo (propedeuse) kunnen studenten doorstromen naar het wo. Ongeveer tweederde van de studenten volgt een hbo-opleiding en een derde een wo-opleiding. Zo'n 1 op de 7 studenten op de universiteit heeft eerst een hbo-opleiding afgerond. Om zelfstandig onderzoek te kunnen doen of op wetenschappelijk niveau vraagstukken te kunnen oplossen is het nodig wetenschappelijk onderwijs (wo) te volgen. Er zijn voltijdse opleidingen, deeltijdse opleidingen en duale opleidingen die studie combineren met werken.
    universitaire lerarenopleiding
    (in NL+VL)

    Oude benaming voor de specifieke lerarenopleiding aan universiteiten voor diegenen die een universitaire opleiding volgen of hebben gevolgd. Tijdens de opleiding wordt veel aandacht besteed aan didactische vaardigheden en de praktijk van het lerarenberoep.

    vakopleiding
    (in NL) De vakopleiding duurt twee tot vier jaar en leidt op tot niveau drie van de beroepsopleidingen. Er zijn vier niveaus, het vierde niveau is het hoogste niveau. Als toelatingseis gelden een diploma voorbereidend beroepsonderwijs (vbo), middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) of drie jaar hoger algemeen voorgezet onderwijs (havo) of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo). Leerlingen zijn dan vijftien à zestien jaar oud.

    Zie ook beroepsonderwijs.
    Van Lerensbelang
    (in VL) Naam voor het maatschappelijk debat dat in 2016 plaatsvond over de eindtermen in Vlaanderen. De Vlaamse Overheid geeft op die manier aan iedereen de kans om mee te denken over de vernieuwingen van het curriculum. De resultaten van het debat zijn verwerkt in een rapport dat voorgelegd wordt aan de Commissie Onderwijs van het Vlaamse Parlement. In Nederland bestond er een gelijkaardig visietraject Onderwijs2032. Meer informatie op: www.onsonderwijs.be.
    vaste benoeming
    (in VL) Sociaal statuut voor leerkrachten dat hen werk- en loonzekerheid biedt, naast het recht op een hele reeks verlofstelsels, ziekteverlof en een overheidspensioen. Een leerkracht wordt vastbenoemd door zijn inrichtende macht. Tot de voorwaarden om benoemd te worden, behoort onder meer een minimumleeftijd, een minimum aantal jaren ervaring, een positief verslag van de schooldirectie, enz.
    vavo
    (in NL) Staat voor 'voortgezet algemeen volwassenenonderwijs'.

    Vorm van voortgezet onderwijs voor volwassenen, dat wordt gegeven aan avondscholen of dag- en avondscholen. Sinds augustus 1997 is het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs naar aanleiding van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) opgegaan in de opleidingsniveaus van het nieuwe beroepsonderwijs.

    Officieel kent de vavo een minimum leeftijdsgrens van achttien jaar, maar in de praktijk maken omstreeks 20 000 'drop-outs' van zestien en zeventien jaar gebruik van de 46 scholen voor volwassenenonderwijs om alsnog een vmbo-diploma te behalen.

    Zie ook: beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve).

    vbo
    (in NL) Staat voor 'voorbereidend beroepsonderwijs'.

    Vorm van voortgezet onderwijs, voor leerlingen van twaalf tot zestien jaar. Het voorbereidend beroepsonderwijs bestaat sinds 1992, ter vervanging van het lager beroepsonderwijs (lbo, ook ambachtsschool genaamd). Het duurt vier jaar en biedt algemene en op het beroep gerichte vakken, voor de eerste fase van het voortgezet onderwijs. De hogere leerjaren van het vbo vormen samen met de hogere leerjaren van het mavo en sommige vormen van voortgezet speciaal onderwijs (vso) sinds 1 augustus 1999 het vmbo.

    VCLB
    (in VL) Staat voor ‘Vrije-CLB-koepel’. De VCLB-koepel (VCLB vzw) is de koepelorganisatie van de Vlaamse Vrije Centra voor Leerlingenbegeleiding. De taak van de koepel bestaat erin om de centra te versterken en te ondersteunen.
    VDAB
    (in VL) Staat voor 'Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding'.

    Dienstverlenende organisatie voor werkzoekenden, werkgevers en werknemers.

    • Werkzoekenden worden uitgenodigd om praktijkgerichte beroepsopleidingen-op-maat te volgen.
    • Voor werklozen is er ook de Individuele Beroepsopleiding (ibo), een on-the-jobtraining die erop gericht is op heel korte tijd een vacature in te vullen.
    • Werknemers kunnen bij de VDAB terecht voor training en advies over opleidingsplanning, interne klantgerichtheid, projectwerking rond veranderingsprocessen enz. en over niet-technische vaardigheden, zoals leiding geven, communiceren, telefoneren, verkoop, management, evaluatie, enz. Werknemers kunnen ook een opleiding krijgen voor technische vaardigheden.
    • Werkgevers kunnen vacatures kenbaar maken via de website van de VDAB.
    Het opleidingsaanbod is met meer dan 200 opleidingen bijzonder ruim, met ook een aanbod Nederlands als tweede taal. De gevolgde didactiek richt zich volledig op volwassenen.

    Website: www.vdab.be.

    vensterschool
    (in NL) Samenwerkingsverband tussen minstens één basisschool en andere organisaties die zich bezighouden met kinderen, ouders en andere wijkbewoners. Partners zijn bijvoorbeeld peuterspeelzalen, kinderopvang, sociaal-cultureel werk (buurthuizen), bibliotheken, volwasseneneducatie, sportverenigingen, de muziekschool, maatschappelijke dienstverlening enzovoort.

    Bedoeling van de vensterschool is de dienstverlening van al deze instanties beter op elkaar af te stemmen. De deelnemende scholen en organisaties werken aan een groot gezamenlijk aanbod van onderwijs, opvoeding, gezondheidszorg, sport, spel, muziek ... Hun bestaande activiteiten vallen onder de vensterschool, en uit de samenwerking komen ook nieuwe activiteiten voort. Ook aan samenwerking met de ouders wordt veel belang gehecht.

    De eerste vensterscholen werd in 1995 in Groningen opgericht.

    Zie ook: brede school.
    Vereniging Hogescholen
    (in NL) Dit is de belangen- en werkgeversvereniging van de door de overheid gesubsidieerde Nederlandse hogescholen. Tot 2013 heette deze vereniging de HBO-raad.

    Website: verenigingshogescholen.nl.

    verhandeling
    (in NL+VL) Uiteenzetting over een wetenschappelijk onderwerp.

    Opgelet: in Vlaanderen wordt de term soms ook gebruikt als afkorting voor licentiaatsverhandeling.
    vervangingspool
    (in NL+VL) Systeem van vervangleerkrachten waarvan scholen gebruik kunnen maken.

    In Nederland:
    Groep van docenten die het hele schooljaar in dienst zijn van het schoolbestuur en die worden ingezet waar dat nodig is. De vervangingspool is bedoeld om kortdurende vervangingen op te vangen, zoals ziekte. Nieuwe leerkrachten in de vervangingspool krijgen een aanstelling in tijdelijke dienst voor 1 jaar. Het hangt van de vacatureruimte in de pool af voor hoeveel uren iemand als lid van de vervangingspool krijgt. Een vervanger werkt minimum drie dagen en maximum vijf dagen per week. Na een jaar in de vervangingspool te hebben gewerkt kan de leerkracht doorstromen naar reguliere formatie. De vervanger krijgt een school toegewezen als standplaats. Op deze school werkt de vervanger als er geen vervangingswerkzaamheden zijn.

    In Vlaanderen:
    Groep van leerkrachten die binnen elke onderwijszone klaar staat om afwezige collega's te vervangen (Vlaanderen en Brussel zijn ingedeeld in 44 onderwijszones.) Scholen die zich bij de vervangingspool aansluiten, kunnen veel sneller een vervanger vinden. Het systeem werd in 2000 door de onderwijsminister gelanceerd in heel Vlaanderen en voor alle onderwijsnetten, met als voornaamste doel jonge leerkrachten in de scholen houden. Beginnende leerkrachten die zich voor de pool inschrijven, verwerven werk- en loonzekerheid voor de periode van één jaar. Poolleerkrachten worden administratief verbonden aan een ankerschool. Die zorgt voor opvang en begeleiding. Zo kan een ervaren leerkracht de starters begeleiden bij hun eerste leservaringen. Het systeem is in september 2005 afgeschaft. In de plaats daarvan is er nu de lerarendatabank.

    verzuiling
    (in NL+VL) Zie: zuilen.
    vierde graad
    (in VL) Ook 'vierde graad beroepsonderwijs' genoemd. Opleiding die aansluit aan bij het beroepssecundair onderwijs (bso).

    Zie ook: aanvullend secundair beroepsonderwijs
    visitatiecommissie
    (in NL+VL) Commissies van externe deskundigen die in het hoger onderwijs op basis van door opleidingen opgestelde zelfevaluatie rapporten, een openbare beoordeling gaven van de kwaliteit van een bepaalde opleiding. Op deze wijze legden universiteiten en hogescholen publiekelijk verantwoording af over de kwaliteit van hun onderwijs. In Vlaanderen werden sinds 2016 alle externe visitaties van universitaire opleidingen tot 2020 opgeschort en controleren universiteiten zichzelf.
    VIZO
    (in VL) Staat voor 'Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen'.

    Oude benaming voor Syntra Vlaanderen.

    Vlhora
    (in VL) Staat voor 'Vlaamse Hogescholenraad'.

    Officieel overleg- en adviesorgaan van de hogescholen. De raad adviseert de Vlaamse overheid over alle beleidsaspecten van het hogeschoolonderwijs, het projectmatig wetenschappelijk onderzoek, de maatschappelijke dienstverlening en de beoefening van de kunsten. Daarnaast organiseert en stimuleert de Vlhora het overleg tussen de instellingen aangaande alle materies die de hogescholen aanbelangen.

    Website: www.vlhora.be.

    Niet te verwarren met: VLOR, VLIR.

    VLIR
    (in VL) Staat voor 'Vlaamse Interuniversitaire Raad'.

    Autonoom overlegorgaan, gefinancierd door de universiteiten.

    De VLIR heeft tot doel de dialoog en samenwerking tussen de Vlaamse universiteiten te bevorderen. In de schoot van de VLIR wordt overleg georganiseerd onder de universitaire instellingen, over aangelegenheden die de universiteiten aanbelangen. Op basis daarvan worden gemeenschappelijke standpunten geformuleerd en beleidsadviezen verstrekt aan de minister die bevoegd is voor het universitair onderwijs of het wetenschapsbeleid.

    Website: www.vlir.be.

    Niet te verwarren met: VLOR, Vlhora.

    VLLT
    (in NL) Staat voor 'Vereniging van Leraren in Levende Talen'.

    De Vereniging van Leraren in Levende Talen is een vakinhoudelijke organisatie die:

    1. het talenonderwijs in alle levende talen bevordert en ontwikkelt;
    2. talendocenten bijeenbrengt en hen een platform biedt;
    3. de belangen van de talendocenten behartigt.
    Om dit te kunnen bereiken, organiseert de Vereniging van Leraren in Levende Talen studiedagen en congressen over talenonderwijs, informeert ze haar leden overde recente ontwikkelingen binnen hun vakgebied via nieuwsbrieven en via de tijdschriften Levende Talen Magazine en Levende Talen Tijdschrift.

    Website: www.levendetalen.nl.

    VLOR
    (in VL) Staat voor 'Vlaamse Onderwijsraad'.

    Onafhankelijk advies- en overlegorgaan.
    De Vlaamse Onderwijsraad bestaat uit vertegenwoordigers uit het hele onderwijslandschap: netten en koepels, ouders, vakbonden, leerkrachten, enz. Zij overleggen over het onderwijs- en vormingsbeleid en geven adviezen aan de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming en het Vlaamse Parlement. Daarnaast kan de VLOR overleg organiseren over alle onderwijsthema's waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is. De raad besteedt veel aandacht aan studie en documentatie.

    Website: www.vlor.be.

    In Nederland vergelijkbaar met de Onderwijsraad (OR).

    Niet te verwarren met: VLIR, Vlhora.

    vmbo
    (in NL) Staat voor 'voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs'.

    Een van de drie types voortgezet onderwijs en verzamelterm voor de hogere leerjaren van mavo, vbo en sommige vormen van voortgezet speciaal onderwijs (vso). Deze onderwijsvormen werden samengevoegd in 1999. Daarmee wilde de onderwijsoverheid de aansluiting op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) verbeteren. In het vmbo kiest een leerling na de basisvorming een leerweg. Er zijn vier leerwegen:

    • de theoretische: hierbij is doorstroming mogelijk naar mbo-niveau 3 en 4 of naar havo;
    • de gemengde: vier uur per week praktijkvakken gericht op één specifieke richting, en verder algemene vakken. Doorstroming is mogelijk naar mbo-niveau 3 en 4;
    • de kaderberoepsgerichte: twaalf uur per week aandacht voor praktijkvakken die gericht zijn op één beroep, en verder algemene vakken. Doorstroming is mogelijk naar mbo-niveau 3 en 4;
    • de basisberoepsgerichte: hierbij is doorstroming mogelijk naar mbo-niveau 1 en 2.
    vmo
    (in NL) Staat voor 'voortgezet montessorionderwijs'.

    montessorionderwijs op voortgezet niveau, d.w.z. als vervolg op het primair onderwijs.

    vo
    (in NL) Staat voor 'voortgezet onderwijs'.

    Onderwijs dat wordt gegeven na het basisonderwijs en het speciaal basisonderwijs, voor leerlingen vanaf twaalf jaar. Het bestaat uit:

    • het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo);
    • het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo);
    • het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo).
    Het vmbo neemt vier jaar in beslag, havo vijf jaar en vwo zes jaar.

    VOCB
    (in VL) Staat voor 'Vlaams Ondersteuningscentrum voor Basiseducatie'.

    Oude benaming van het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs (Vocvo), de koepelorganisatie die instaat voor de ondersteuning van de centra voor basiseducatie en de koepelloze centra voor volwassenenonderwijs. Vocvo link is ook de uitgever van Wablieft, een krant in eenvoudig Nederlands.

    Website: www.vocvo.be.

    Vocvo
    Staat voor 'Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs'.

    Koepelorganisatie die instaat voor de ondersteuning van de centra voor basiseducatie en de koepelloze centra voor volwassenenonderwijs. Vocvo is ook de uitgever van Wablieft, een krant in eenvoudig Nederlands.

    Website: www.vocvo.be

    voetklas
    (in NL) Zie: kopklas.
    voj
    (in SR) Staat voor 'voortgezet onderwijs op juniorenniveau'.

    Het voortgezet onderwijs voor junioren heeft een duur van achttien maanden tot vier jaar. Voor de leerlingen zijn er na de lagere school de volgende mogelijkheden: meer uitgebreid lager onderwijs (mulo); lager beroepsgericht onderwijs (lbgo); lager technisch onderwijs (lto); lager nijverheidsonderwijs (lno); eenvoudig technisch onderwijs op een driejarige eenvoudige technische school (ets) en eenvoudig beroepsonderwijs (ebo).

    voldoende geacht diploma
    (in VL) Gelijkwaardig geacht diploma om - in het geval van leerkrachten - een ander vak te geven dan waarvoor ze gestudeerd hebben. De domeinen van een voldoende geacht diploma zijn wettelijk vastgelegd. Zo mag een taalleerkracht het vak geschiedenis geven, omdat zijn taaldiploma voor dit vak als voldoende wordt geacht, maar hij mag geen lichamelijke opvoeding of wetenschappelijke vakken geven.
    voltijdonderwijs
    (in NL)

    Hoger onderwijs dat ten minste 16 klokuren of 19 lesuren per week en gedurende minstens 7 maanden wordt gegeven aan studenten voor wie het volgen van onderwijs de voornaamste bezigheid is.

    Zie ook: deeltijdonderwijs.

    volwasseneneducatie
    (in NL) De volwasseneneducatie richt zich op het opleiden van cursisten voor een zelfstandige positie in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Tot de volwasseneneducatie worden gerekend:
    • het vormings- en ontwikkelingswerk;
    • de basiseducatie;
    • het onderwijs aan de erkende onderwijsinstellingen;
    • het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo).
    volwassenenonderwijs
    (in VL)

    Vroeger 'onderwijs voor sociale promotie' of 'avondonderwijs' genoemd. Het is onderwijs, georganiseerd op zowel secundair niveau (bso en tso) als op het niveau van het hoger onderwijs (ho). Op enkele opleidingen na is het onderwijsaanbod een afspiegeling van het aanbod van het voltijds onderwijs. Voor dit onderwijs kan men terecht in ruim 130 centra voor volwassenenonderwijs. Doordat ze verspreid liggen over heel Vlaanderen en Brussel, kan iedereen in zijn buurt wel een centrum vinden. Het aanbod van cursussen is heel breed en uiteenlopend.

    Meer info: zie het overzicht van alle CVO's op de website van het Departement Onderwijs.

    VON
    (in VL) Staat voor 'Vereniging voor Onderwijs in het Nederlands'.

    Pluralistische vereniging voor leerkrachten en schoolbetrokken actoren uit verschillende netten, sectoren en richtingen, die samenwerken in en rond moedertaal. De vereniging richt zich tot al wie lesgeeft. De VON wil ideeën en werkvormen uit het onderwijs, de volwassenenvorming, de psychosociale begeleiding en het wetenschappelijk onderzoek op een aangepaste en didactisch bruikbare wijze doorgeven. Dat gebeurt o.a. in VONK, het tijdschrift van de vereniging dat vijfmaal per jaar verschijnt.

    Website: www.von.be.

    voorbewaking
    (in VL) Georganiseerde opvang voor leerlingen die (ruim) voor de officiële schooluren al op school aanwezig zijn. (Analoog: nabewaking).

    Zie ook: voorschoolse opvang.
    voorschoolse educatie
    (in NL+VL) Niet te verwarren met voorschoolse opvang.

    Opvoedingsondersteuning aan ouders van baby's en peuters, bv. in kinderdagverblijven, bij gastouders, in peuterspeelzalen.

    In Vlaanderen gebeurt een deel van de voorschoolse educatie in het kleuteronderwijs.
    voorschoolse opvang
    (in NL+VL) Georganiseerde opvang voor leerlingen die (ruim) voor de officiële schooluren al op school aanwezig zijn (analoog: naschoolse opvang).

    Niet te verwarren met: voorschoolse educatie, eersteopvangschool.

    Zie ook: voorbewaking.
    voortgezette lerarenopleiding
    (in VL) Lerarenopleiding die houders van een diploma uit de initiële lerarenopleiding de kans geeft een aanvullend diploma te behalen voor een ander onderwijsniveau, bv. een kleuteronderwijzer die als onderwijzer wil lesgeven in het lager onderwijs.
    Vos
    (in SR) Staat voor 'Voortgezette Opleiding Senioren'.

    Verzamelterm voor alle opleidingen die direct na het voorgezet onderwijs voor junioren gevolgd kunnen worden.

    VOS/ABB
    (in NL) Staat voor 'Vereniging van Openbare en Algemeen Toegankelijke Scholen'.

    Koepelorganisatie die ondersteuning biedt aan het openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs in Nederland en die ook optreedt als belangenvereniging.

    Website: www.vosabb.nl.

    vraagfinanciering
    (in NL) Wetsvoorstel om financiële middelen voor schoolbegeleiding niet langer aan gemeenten maar aan schoolbesturen uit te keren. Daarmee wordt afgestapt van het oude systeem van aanbodfinanciering, waarbij schoolbesturen begeleiding voor hun school moeten afnemen bij de door de gemeente bekostigde dienst. Door de invoering van vraagfinanciering kunnen scholen zelf beslissen of zij schoolbegeleiding inkopen, welke schoolbegeleiding zij inkopen en waar ze dat doen. Het wetsvoorstel wil daarnaast de aansturing van de schoolbegeleidingsdienst verduidelijken en de bureaucratie verminderen. Ten slotte legt het de basis voor de structurele bekostiging van het onderwijs aan zieke leerlingen.

    In Vlaanderen bestaat een vergelijkbaar systeem voor nascholing: scholen krijgen per leraar een subsidie voor nascholing, die zij zelf vanuit interne behoefte, inhoudelijk invullen.
    vrij onderwijs
    (in VL) Onderwijs dat niet wordt georganiseerd door de overheid, steden en gemeenten of provincies. Zie ook: gesubsidieerd vrij onderwijs.
    vrije opleidingen hbo
    (in NL)

    Ook 'samengestelde programma's'. Opleidingen in de vorm van zelf door de hogescholen, vaak met promotionele doeleinden samengestelde pakketten met vakken uit verschillende opleidingen. Sinds 1998 bij wet aan banden gelegd.

    vrije scholen
    (in VL) Scholen die behoren tot het gesubsidieerd vrij onderwijs.

    Opgelet: in Nederland heeft de term vrije scholen een andere betekenis.
    vrije scholen
    (in NL) Benaming voor een bepaald type zogenaamde bijzondere scholen, namelijk de bijzondere scholen die werken vanuit de antroposofie en de pedagogie van Rudolf Steiner.

    Opgelet: in Vlaanderen heeft de term vrije scholen een andere betekenis.
    vrijstelling
    (in NL+VL) Onder bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld een aansluitende en/of verwante vooropleiding, kan een student vrijstelling worden gegeven van een of meer vakken of practica binnen een studie. Hij hoeft voor dit vak dan geen examen af te leggen.
    VSK
    (in VL) Staat voor 'Vlaamse Scholierenkoepel'.

    Koepelorganisatie van leerlingenraden en leerlingen in Vlaanderen en de officieel erkende spreekbuis van de scholieren. De VSK verdedigt de belangen van alle scholieren in Vlaanderen. Hij informeert, organiseert activiteiten en vertolkt de mening van de scholieren over onderwijs en hiermee verband houdende maatschappelijke ontwikkelingen.

    Website: www.vsknet.be.

    De Nederlandse tegenhanger van de VSK is het LAKS.

    VSKO
    (in VL) Staat voor 'Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs'.

    Het Vlaams onderwijs kent vier onderwijskoepels. De grootste daarvan was tot 2015 het VSKO, de koepelorganisatie van de rooms-katholieke scholen in Vlaanderen. Sinds 2015 is het VSKO opgegaan in het Katholiek Onderwijs Vlaanderen (KOV). Als koepelorganisatie had het VSKO een ondersteunende functie voor de besturen (inrichtende machten) van deze scholen. Het VSKO is onderverdeeld in:

    • Vlaams Verbond van het Katholiek Basisonderwijs (VVKBaO);
    • Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs (VVKSO);
    • Vlaams Verbond van katholieke hogescholen (VVKHO).
    website: www.kov.be.

    VSLPC
    (in NL) Staat voor 'Vereniging Samenwerkingsverband Landelijke Pedagogische Centra'.

    Zie: landelijke pedagogische centra.

    vso
    (in VL) Staat voor 'vernieuwd secundair onderwijs'.

    Onderwijshervorming van 1975 waarmee de overheid de studiekeuze na het lager onderwijs wou uitstellen door leerlingen samen te brengen in een gemeenschappelijke start van het secundair onderwijs. Zo wou men iedereen, verstandig of minder verstandig, uit hogere of lagere sociale klasse, uit sterke of minder sterke lagere scholen, eenzelfde startkans geven.

    Een van de principes was dat de leerlingen moesten geobserveerd worden, om hun sterke kanten te ontdekken, waarop dan een latere studiekeuze kon worden geënt. De eerste graad van het secundair onderwijs (= de tweejarige middenschool) werd dan ook 'observatiegraad' genoemd.

    De bedoeling was deze middenschool volledig onafhankelijk (qua directie, infrastructuur, ligging...) te laten functioneren. De tweede graad heette 'doorstromingsgraad', de derde 'determinatiegraad'. Het systeem bleek te duur en ging in 1989 op in het zogenaamde eenheidstype.

    Zie ook: eenheidstype, onderwijstype.

    vso
    (in NL) Staat voor 'voortgezet speciaal onderwijs'.

    Onderwijs voor leerlingen met een handicap vanaf 3 à 4 jaar tot circa twaalf jaar. Het voortgezet speciaal onderwijs (vso) is bedoeld voor leerlingen met een handicap van twaalf tot maximaal twintig jaar. Het vso is, net zoals het so, verdeeld naar onderwijssoort op basis van de soort handicap of onderwijsbelemmering van de leerlingen.

    vso
    (in SR) Staat voor 'voortgezet speciaal onderwijs'.

    Voorheen vbo. Het voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd in scholen voor voortgezet speciaal onderwijs (vso) en wel voor diverse typen. Het vso is praktisch gericht. Leerlingen worden opgeleid om eenvoudige beroepen uit te oefenen, zoals metselaar in de bouw of huishoudelijke assistent.

    vsv
    (in NL) Staat voor 'voortijdig schoolverlaten'.

    Zie voortijdig schoolverlater.

    vsv'er
    (in NL) Staat voor 'voortijdig schoolverlater'.

    Jongeren tot 23 jaar die geen onderwijs volgen en die geen startkwalificatie hebben.

    Meer info: de website 'Aanval op schooluitval'.

    vto
    (in NL) Staat voor 'versterkt talenonderwijs'.

    Onderwijsprogramma door het ministerie voor OCW is georganiseerd met als doel het (vreemde)taalonderwijs in het voortgezet onderwijs te stimuleren. In de praktijk betekent dit meestal dat er extra lesuren taalonderwijs bovenop de in het curriculum verplichte aantal uren komen.

    vve
    (in NL) Staat voor 'voor- en vroegschoolse educatie'.

    Overheidsbeleid in Nederland dat voorziet in aanvullende budgetten om voor twee- tot zesjarige kinderen in achterstandssituaties een intensievere begeleiding te voorzien. Deze begeleiding gebeurt meestal met educatieve programma's die erop gericht zijn de ontwikkeling van deze kinderen te stimuleren, zodat hun kansen op een goede schoolloopbaan en maatschappelijke positie wordt vergroot.

    Meer toelichting: www.taalsite.nl, www.ontwikkelingsstimulering.nl.

    VVKBaO
    (in VL) Staat voor 'Vlaams Verbond van het Katholiek Basisonderwijs'. Zie: 'VSKO'.
    VVKHO
    (in VL) Staat voor 'Vlaams Verbond van het Katholiek Hoger Onderwijs'.

    Vroegere benaming van het Vlaams Verbond van Katholieke Hogescholen (VVKHO). Het is de Koepelorganisatie van de 13 Vlaamse katholieke hogescholen.

    Zie: 'VSKO'.

    VVKSO
    (in VL) Staat voor 'Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs'.

    Zie: 'VSKO'.

    VVL
    (in VL) Staat voor 'Vereniging Vlaamse Leerkrachten'.

    Belangenorganisatie voor leerkrachten. De vereniging komt op voor de professionele belangen van leerkrachten en docenten en fungeert als tussenschakel voor overheid en school.

    Website: www.vvl-onderwijs.be.

    VVM
    (in VL) Staat voor 'Vereniging Vlaamse Moedertaaldidactici'.

    Voormalige benaming van Netwerk Didactiek Nederlands (NDN).

    vwo
    (in NL) Staat voor 'voorbereidend wetenschappelijk onderwijs'.

    Een van de drie typen voortgezet onderwijs, naast het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) en het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo). De opleiding duurt zes jaar, voor leerlingen van twaalf tot achttien jaar, en bereidt leerlingen voor op de universiteit.

    Als een vwo ook de klassieke talen (Grieks, Latijn) aanbiedt, is het een atheneum. Als de leerling de klassieke talen verplicht in het lespakket heeft, is het een gymnasium (voor een leerling die later bepaalde studies wil doen, bv. dokter, is kennis van klassieke talen bijna een vereiste). Binnen het vwo is het gymnasium dus de moeilijkste studie.

    vwo
    (in SR) Staat voor 'voorbereidend wetenschappelijk onderwijs'.

    Niveau van voortgezet onderwijs, naast hoger algemeen vormend onderwijs (havo) en voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). Het vwo vormt het hoogste niveau in het voortgezet onderwijs. De leerlingen volgen eerst samen met de havoleerlingen een driejarig gemeenschappelijk programma, de basisvorming. Na deze drie jaar basisvorming kiest de leerling voor havo of vwo, dat drie jaar duurt. Het vwo-diploma geeft toegang tot de universiteit en andere hogere beroepsopleidingen.

    wachtgelder
    (in NL) Benoemde leerkracht die tijdelijk zonder werk valt (bv. door een vermindering van het aantal leerlingen op de school waar hij of zij werkt). In die periode zonder werk ontvangt zo'n leerkracht 'wachtgeld'.

    In Vlaanderen kent men deze term niet, daar spreekt men van terbeschikkingstelling.
    watervaleffect
    (in VL) Ook 'watervalsyndroom'. Fenomeen waarbij leerlingen in het secundair onderwijs eerst kiezen voor de moeilijkste onderwijsvorm of studierichting en na (herhaald) falen gradueel 'afdalen' naar een makkelijker onderwijsvorm.

    Zo kiezen in het secundair onderwijs veel leerlingen voor het algemeen secundair onderwijs (aso), ook als dat duidelijk boven hun mogelijkheden ligt. Als dat te zwaar blijkt, schakelen ze over naar het technisch secundair onderwijs (tso). Eventueel komen ze nog later in het beroepssecundair onderwijs (bso) terecht. De systematische overstap van een hoger naar een lager onderwijstype vindt zijn oorzaak in een foutieve perceptie van onderwijskwaliteit, van de maatschappelijke status van onderwijsvormen en van de mogelijkheden die de verschillende onderwijsvormen bieden.

    Het watervalsyndroom is vooral nefast voor de motivatie van scholieren en wordt momenteel bestreden door een betere studiekeuzebegeleiding en een opwaardering van tso en bso. Ook in het hoger onderwijs is sprake van het syndroom: studenten proberen eerst de universiteit en schakelen na mislukken over naar de hogeschool voor een minder lange of minder zware studie.

    Het watervaleffect wordt in Nederland 'afstroom' genoemd.
    WEB
    (in NL) Staat voor 'Wet educatie en beroepsonderwijs'.

    Deze wet uit 1996 regelt de bundeling van verschillende vormen van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) in 44 regionale opleidingen centra (roc), 18 agrarische opleidingen centra, 13 vakscholen (bijv. grafische lycea) en 8 overige. Naast het beroepsonderwijs vallen ook de volwassenen (basis)educatie, het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) en het cursorisch beroepsonderwijs (cbo) onder de wet.

    WEC
    (in NL) Staat voor 'Wet op Expertise Centra'.

    Per 1 augustus 1998 is een splitsing aangebracht in de scholen voor speciaal onderwijs. Lom- en mlk-scholen heten vanaf dat moment scholen voor speciaal basisonderwijs (sbo) en vallen samen met de gewone basisscholen onder de Wet op het Primair Onderwijs. De andere scholen voor speciaal onderwijs, zoals ZMLK, Mytyl/Tyltyl, LZ (Langdurig Zieken), ZMOK, Pedalogisch Instituut en scholen voor speciaal onderwijs aan kinderen met visuele, auditieve en communicatieve handicaps vallen vanaf dit moment onder de Wet op Expertise Centra.

    Lees meer: www.st-AB.nl.

    wegingscoëfficiënt
    (in VL) Cijfer dat wordt gehanteerd als basis om de subsidiëring van een school, studierichting, onderwijstype, enz. te berekenen. Op basis van deze coëfficiënt weet de school over hoeveel lestijden, ambten e.d. zij kan beschikken.

    Zie ook: gelijkekansenindicatoren.
    wereldbeschouwing
    (in NL) Ideologische visie die aan de grondslag ligt van de oprichting van een bijzondere school. Confessioneel bijzondere scholen zijn rooms-katholieke, protestants-christelijke, joodse of islamitische scholen. Zij werken vanuit een godsdienst en wereldbeschouwing, en combineren dit met een bepaalde opvoedings- en onderwijsmethode. Algemeen bijzondere scholen gaan uit van de gelijkwaardigheid van levensbeschouwingen en combineren dit vaak met bepaalde opvoedings- en onderwijsmethoden zoals montessori, jenaplan en dalton. Er zijn ook vrije scholen, die een eigen mensvisie combineren met een opvoedingsmethode.

    Niet te verwarren met de Vlaamse term 'wereldoriëntatie'.
    wereldoriëntatie
    (in NL+VL) Verzamelterm voor aardrijkskunde, geschiedenis en de koppeling van deze vakken aan de actualiteit.
    werkstuk
    (in NL) Zie: profielwerkstuk.
    Wet op het voortgezet onderwijs
    (in NL) Ook wel 'Mammoetwet' genoemd. Wet uit 1968 waarmee de mulo, mms en hbs vervangen werden door de mavo/havo/vwo-structuur.

    Zie: voortgezet onderwijs.
    WHB
    (in NL) Staat voor 'Wet op het hoger beroepsonderwijs'.

    Wet uit 1986 die ervoor zorgde dat honderden kleine heao's, kweekscholen, verpleegopleidingen, lerarenopleidingen en sociale academies geconcentreerd werden tot grotere en meer autonome hogescholen.

    In 1992 werd de wet vervangen door de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

    WI
    (in NL) Staat voor 'Wet Inburgering'.

    Per 1 januari 2007 ging de nieuwe Wet Inburgering (Wi) van kracht in Nederland. De wet vervangt de oude Wet inburgering nieuwkomers (Win). In de Win werd bepaald dat enkel nieuwkomers een inspanningsverplichting verschuldigd waren om in te burgeren. In de nieuwe Wet inburgering moeten naast nieuwkomers ook oudkomers inburgeren. Concreet betekent dit dat beide moeten slagen voor het inburgeringsexamen.

    De Wet Inburgering kan nagelezen worden op overheid.nl.

    Win
    (in NL) Staat voor 'Wet inburgering nieuwkomers'.

    In de Wet inburgering nieuwkomers (Win) staat beschreven dat inburgering in de eerste fase neerkomt op de integratie van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving. In de wet wordt bepaald dat nieuwkomers door een vlot en intensief programma zo snel mogelijk tot een vorm van zelfredzaamheid gebracht moeten worden.

    Sinds 1 januari 2007 is de Wet inburgering nieuwkomers vervangen door de Wet inburgering (Wi).

    witte school
    (in NL+VL) School waar verhoudingsgewijs heel weinig kinderen van allochtone afkomst op de schoolbanken zitten. Het omgekeerde noemt men een zwarte school.
    wo
    (in NL) Staat voor 'wetenschappelijk onderwijs'.

    Onderwijs voor studenten vanaf ongeveer achttien jaar. Wordt gegeven aan dertien universiteiten. Het wo omvat zowel diepgaande theoretische studies als specialistische training voor beroepen. De meeste opleidingen duren vier jaar, maar er zijn beroepen waarvoor een langere opleiding noodzakelijk is. Toelating tot het wetenschappelijk onderwijs is mogelijk na het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) en het hoger beroepsonderwijs (hbo). Het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs vormen samen het hoger onderwijs.

    WOT
    (in NL) Staat voor 'Wet op het onderwijstoezicht'.

    Wet die stelt dat de kwaliteit van alle scholen door de onderwijsinspectie wordt doorgelicht.

    Er zijn verschillende manieren waarop de inspectie het toezicht afstemt op de kwaliteit en het eigen karakter van de school. De inspectie doet bijvoorbeeld aan bureauonderzoek, maakt gebruik van de zelfevaluatie van een school of gaat op schoolbezoek. Tijdens de bezoeken spreekt zij met directie, leerkrachten, leerlingen en ouders en bezoekt lessen. Het rapport dat hieruit voortvloeit is openbaar en kan worden geraadpleegd via www.onderwijsinspectie.nl.

    WOV
    (in NL) Staat voor 'Wet op de onderwijsverzorging'.

    Wet uit 1986 die schoolbegeleidingsdiensten, landelijke pedagogische centra (LCP), het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling (Cito) en de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) een uniforme wettelijke basis geeft.

    WPO
    (in NL) Staat voor 'Wet op het primair onderwijs'.

    Wet uit 1985 waarbij in totaal 17 000 kleuter- en lagere scholen fuseerden tot 8 500 nieuwe basisscholen, en het oude systeem met twee kleuterklassen en zes klassen van de lagere school werd vervangen door de acht groepen van de basisschool. Tevens werd de leerplichtige leeftijd vervroegd van zes naar vijf jaar.

    Daarnaast had de wet op het basisonderwijs nog veel andere doelstellingen zoals het verbeteren van de zorg voor leerlingen met achterstanden, de systematisering van het onderwijs via een schoolwerkplan, de systematisering van het curriculum door landelijke kerndoelen en eindtermen, enz.

    WSNS
    (in NL) Staat voor 'Weer samen naar school'.

    Samenwerkingsverband van scholen om het aantal kinderen dat naar de basisschool voor speciaal onderwijs verwezen wordt te beperken. WSNS moet er mee voor zorgen dat het gewone basisonderwijs leerlingen kan opvangen die leer- en opvoedingsproblemen hebben, of problemen in hun motorische of sociale ontwikkeling.
    Meestal wordt hierbij een ambulant begeleider ingezet: een leerkracht uit het speciaal onderwijs die het onderwijs aan de zorgleerlingen in de school komt ondersteunen.

    zaakvak
    (in NL+VL) Verzamelnaam voor schoolvakken zoals aardrijkskunde-geologie, geschiedenis, biologie, natuurkunde.
    zaakvakonderwijs
    (in NL+VL) Zie: zaakvak.
    zedenleer
    (in VL) Voluit: 'niet-confessionele zedenleer', ook wel 'moraal' genoemd. Schoolvak in het secundair onderwijs in Vlaanderen, voor leerlingen die geen godsdienstles volgen. Komt overeen met 'maatschappijleer' in Nederland.

    In Nederland wordt de term 'zedenleer' enkel gebruikt als synoniem voor moraal en ethiek in algemene zin (bvb.: 'de christelijke zedenleer').
    zij-instromer
    (in NL+VL)

    1. Kind dat niet vanaf de kleutergroepen onderwijs volgt, maar later is ingestroomd;
    2. Nieuwe leerkracht die vanuit andere sectoren (opnieuw) in het onderwijs stapt om er te gaan lesgeven.
    Zie ook: neveninstromer.

    zittenblijver
    (in NL+VL) Leerling die een jaar overdoet.
    zittijd
    (in VL) Synoniem voor examenperiode. Gemeenzaam ook wel afgekort tot 'zit', bv. 'Ze heeft dit jaar opnieuw tweede zit.'
    ZMLK
    (in NL) Staat voor 'zeer moeilijk lerende kinderen'.

    Vorm van speciaal onderwijs, afgestemd op de specifieke moeilijkheden die kinderen ondervinden bij het volgen van onderwijs.

    ZMOK
    (in NL) Staat voor 'zeer moeilijk opvoedbare kinderen'.

    Zie: speciaal onderwijs.

    zorgbreedte
    (in NL+VL) Zie: zorgverbreding.
    zorgcoördinator
    (in VL) Door de Vlaamse overheid gecreëerde en gesubsidieerde functie op school. De zorgcoördinator, vaak een leerkracht, helpt leerkrachten om leerproblemen bij leerlingen op te sporen, stippelt trajecten uit om die leerlingen te begeleiden en is de schakel met het CLB. Voor die taak wordt hij, afhankelijk van het aantal leerlingen dat extra zorg behoeft, deeltijds of voltijds vrijgesteld.

    Zie ook: gelijke onderwijskansen.
    zorgstructuur
    (in NL) Door de overheid gestimuleerde aanpak van scholen om de instroom van leerlingen naar het speciaal onderwijs te verminderen. Onderwijsinstellingen hebben een zorgstructuur ingericht, met een zorgteam, een coördinator en intern begeleiders.
    zorgverbreding
    (in NL+VL) Globale aanpak waarbij overheid, scholen en leerkrachten de leerkansen van alle leerlingen proberen te maximaliseren. Zij doen dit door rekening te houden met de specifieke eigenschappen van die leerlingen en vanuit een zo breed mogelijke kennis van de leefwereld en de sociale, economische en culturele condities waaronder de leerlingen opgroeien.

    Concreet uit zorgverbreding zich in het organiseren van leerlingvolgsystemen, het differentiëren van het leerproces, taalvaardigheidsonderwijs voor allochtone leerlingen, het bevorderen van de betrokkenheid van ouders bij het schoolse gebeuren, het nemen van maatregelen om ontwikkelings- en leerachterstand te voorkomen en te remediëren, door intercultureel en geïntegreerd onderwijs, enz.

    Scholen die zorgverbreding correct en effectief toepassen noemt ook wel 'zorgbrede scholen'. Zorgbreed is dan de mate waarin een school haar onderwijs, in aanpak en inhoud, organiseert zodat elke jongere de kans krijgt zich zo goed mogelijk, zonder moeilijkheden en evenwichtig te ontplooien.
    zuilen
    (in NL+VL) Instellingen, groepen of organisaties die met elkaar samenwerken op basis van een gedeelde levensbeschouwelijke grondslag. Men spreekt ook van onderwijszuilen of verzuiling van het onderwijs.
    zwarte school
    (in NL+VL) Een school waarvan de meerderheid van de leerlingen van allochtone afkomst is.

    In Vlaanderen noemt men dit ook wel concentratiescholen.

    © Nederlandse Taalunie, 2000-2019 alle rechten voorbehouden
    WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties