Visietekst Inburgering

Doelbewust inburgeren: een visie op de inburgering van nieuwkomers en oudkomers in Nederland en Vlaanderen

Er zijn in Nederland en Vlaanderen twee groepen migranten die aandacht nodig hebben. Er zijn nieuwkomers die zonder ondersteuning in een achterstandspositie dreigen te geraken. En er zijn migranten die al langer in Nederland en Vlaanderen wonen, die om de een of andere reden niet goed terecht zijn gekomen en die in een achterstandsituatie zitten. Ze zijn werkloos of arbeidsongeschikt, hebben weinig toekomstperspectief, participeren slechts in geringe mate in de samenleving en beheersen het Nederlands onvoldoende. Deze situatie is eigenlijk ontoelaatbaar en vraagt om interventies. Die interventies zijn nodig om de mensen zelf een perspectief te bieden, maar ook voor onze samenleving als geheel. Beide groepen kunnen immers een waardevolle bijdrage leveren aan de samenleving. Het onderwijs van het Nederlands kan een bijdrage leveren om deze achterstanden weg te werken en de participatie en emancipatie van de migranten te bevorderen. De visietekst bevat een beschrijving van wat de inhoudelijke uitgangspunten en doelstellingen zouden moeten zijn voor het onderwijs Nederlands in inburgering.

De tekst geeft eerst een overzicht van de huidige situatie en van de doelgroepen van een inburgeringsbeleid. Vervolgens geven de auteurs hun visie op de uitgangspunten van inburgering en hoe -voortvloeiend uit deze principes- het aanbod dan moet worden opgezet. Tenslotte worden de methodologische consequenties aangegeven die volgen uit de visie. De conclusie van de visietekst is dat bij alle betrokkenen het roer om moet. Het laatste hoofdstuk geeft een overzicht wat dit concreet voor de verschillende betrokkenen in het inburgeringsproces -de inburgeraar zelf, de uitvoerders van inburgeringstrajecten, belangrijke maatschappelijke velden en de overheid- betekent.

De visietekst wil een anker bieden in de fundamentele discussie over de inhoud van inburgeringsprogramma's, waarin de Nederlands-Vlaamse dialoog zeker een meerwaarde kan opleveren, in inhoudelijk, praktisch en politiek opzicht. Zo vormen de overeenkomsten tussen Nederland en Vlaanderen wat betreft de behoeften van de migrant en de maatschappij waarin deze moet functioneren, een belangrijk argument om de inhoud van het inburgeringsprogramma gezamenlijk aan te pakken. In het verleden is de ontwikkeling van het vakgebied Nederlands als tweede taal in Nederland en Vlaanderen tamelijk gescheiden verlopen. Visies op inburgering in het algemeen en tweedetaalverwerving in het bijzonder zijn grotendeels afzonderlijk van elkaar ontstaan. Het samenbrengen van deze visies en standpunten zal, in een proces van 'kruisbestuiving', zeer verrijkend zijn voor de uiteindelijke uitkomst van het debat. Puur praktisch kan door bundeling van kennis en ervaring uit de beide gebiedsdelen het inburgeringsconcept met een veel grotere efficiëntie worden aangepakt en uitgewerkt. Bovendien kan samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen mogelijk kosten besparen en dus meer opleveren. De ontwikkeling van bijvoorbeeld leermiddelen en toetsen vergt meestal zeer grote investeringen. Ten slotte is er een politieke reden voor samenwerking. In de loop der jaren is duidelijk geworden dat migratie geen nationaal verschijnsel is. Steeds vaker wordt gepleit voor een gezamenlijke Europese aanpak van zowel de toelating van migranten tot het Europese grondgebied als de opname van nieuwe burgers in de diverse samenlevingen van de Unie. Samenwerken, over elkaars grenzen kijken, ervaringen uitwisselen, krachten bundelen en gezamenlijk acties ondernemen zijn dus ook op Europees niveau van het grootste belang. In dat licht bezien zou het volstrekt onlogisch zijn als delen van eenzelfde taalgebied afzonderlijk opereren op een zo belangrijk beleidsterrein als inburgering. Voorts kan samenwerking gezien worden als een middel om te komen tot een verdere beleidsmatige talige en culturele integratie van Nederland en de Vlaamse Gemeenschap in Europees perspectief. Een gemeenschappelijke aanpak bij een bezinning op het inburgeringsvraagstuk betekent overigens niet dat het antwoord op de gestelde vragen in Nederland en Vlaanderen in alle gevallen hetzelfde zal zijn. Ook bij de uitwerking van een gemeenschappelijk inburgeringsbeleid kunnen de beide gebiedsdelen vanzelfsprekend hun eigen weg gaan. Samenwerking betekent niet dat alles meteen ook automatisch gemeenschappelijk moet worden opgezet.

Referentie
Auteur(s): 
Coumou, W.
Auteur(s): 
E. Maton
Auteur(s): 
E. Peytier
Auteur(s): 
I. Schuurmans
Publicatiejaar: 
2002
Uitgever: 
Nederlandse Taalunie
Plaats: 
Den Haag
Totaal aantal pagina's: 
72
ISBN: 
90-70593-02-5
Downloads
Bestelinformatie
Kunnen exemplaren aangevraagd worden bij de Taalunie: 
ja
24 september 2012

Aanvraagformulier

Met onderstaand formulier kan u een papieren exemplaar aanvragen van verschillende publicaties van de Nederlandse Taalunie. In het selectieveld bovenaan ziet u welke publicaties nog in papieren vorm beschikbaar zijn. Alle Taalunie-publicaties kunnen steeds via deze website gedownload worden.