taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » taal » spelling » Reacties »

Moet het Nederlands af en toe naar de kapper?

Henk Verkuyl, Siegenbeeklezing over de nieuwe spelling, 24 november 2005

De commissie van de Nederlandse Taalunie die bekend staat als Werkgroep Spelling ligt zwaar onder vuur in de pers. Tot dusver hebben de leden van de commissie gezwegen, maar de vuurtjes worden zo opgestookt dat het langzamerhand toch wel tijd wordt te reageren. Anders zou men bijna denken dat de druktemakers het gelijk aan hun zijde hebben. Een uitnodiging om de zogeheten Siegenbeeklezing te geven was voor mij als lid van de commissie reden om toch maar eens wat zaken op een rij te zetten.

Natuurlijk zijn boze reacties nooit honderd procent ongemotiveerd, dus dat men zich boos maakt om de (relatief weinig) fouten die er bijna onvermijdelijk worden gemaakt in de uitvoering van genomen besluiten en in de genomen besluiten zelf, het zij zo en het kost dan ook geen enkele moeite om die toe te geven. Maar het zijn er niet zo veel. De boosheid heeft voor negenennegentig procent een geheel andere basis zo lijkt het wel. Het ongenoegen dat uit de reacties spreekt is dat van mensen in het gewone verkeer die vinden dat degenen die verkeerregels hebben bedacht niet goed snik zijn: een overmaat aan regelzucht die alle elementaire waarden van ons leven aantast.

Ik moet zeggen, het is ook niet tot mijn eigen genoegen dat ik nu in plaats van reïntegratie met een trema re-integratie met een streepje zou moeten schrijven, want ik was aan het woord gewend met trema, al wist ik dat bij afbreking het streepje na re- wel opdook. Zou moeten schrijven, zeg ik, want ik zal ongetwijfeld veel woorden blijven schrijven zoals ik dat gewend ben. De regels uit het Groene Boekje zijn ook niet bedoeld voor direct gebruik bij het schrijven. Niemand hoeft ze uit het hoofd te gaan leren, want je spelt de woorden zoals ze in je geheugen zitten. In dit stuk voel ik me ook door geen enkel voorschrift van de Werkgroep Spelling gebonden. Dat mag ook, want er is geen enkele sanctie op het overtreden van de spellingwet, maar dat dringt niet goed tot de protesterenden door.  Men protesteert alsof men te maken heeft met Guantánamo Bay, terwijl alleen overheid en onderwijs er echt mee te maken hebben. Ook zonder sancties. En voorzover ik mij herinner heb ik in de afgelopen twintig of dertig jaar nooit het woord reïntegratie hoeven op te schrijven terwijl ik het wel gebruikt heb.

De schimpscheuten op de leden van de commissie dwingen mij tot wat ik maar aanduid als de Parade van de Radenloze Liefhebbers, om maar met een ironisch grapje over de tussen-n-te beginnen waar ik nog op terug kom. Er heeft zich een stoet gevormd van personen die zich als deskundigen opwerpen om namens het Nederlandse volk op te treden tegen de lichtgewichten, de meelopers en de onbenullen uit de Werkgroep. Het is verbijsterend en beschamend. Voor de Liefhebbers, zeg ik er maar bij. De stelligheid waarmee ik dit laatste zeg, is het simpele gevolg van het feit dat de wetenschappelijke linguïstiek in Nederland al meer dan twintig, dertig jaar in de absolute wereldtop meedraait. Ik heb zelf jarenlang kunnen werken in een internationaal florerend onderzoeksinstituut dat de penvoerder is van de Landelijke Onderzoeksschool Taalwetenschap. Buitenlandse promovendi komen bij tientallen naar Nederland om hier te mogen promoveren. Bij sommige van de commentaren die doen alsof taalkundigen een soort onnozele incompetente halsen zijn, voel ik me als iemand die in het Concertgebouworkest speelt waarvan het spel bekritiseerd wordt door een lid van de plaatselijke harmonie in een wel heel klein dorpje.

Wat zou er eigenlijk op tegen zijn om over spelling te praten zonder al die heftige emoties die de zaak onmiddellijk trivialiseren en het niveau van discussie bedenkelijk omlaag trekken naar dat van de dorpspomp. Natuurlijk worden er terecht bezwaren gemaakt als het Groene Boekje fouten blijkt te bevatten. En natuurlijk werken ook deskundigen niet foutloos en is er af te dingen op sommige uitkomsten van hun analyses, maar een aantal paraderenden was al onherstelbaar tegen toen de Woordenlijst nog moest verschijnen. Hun bijdrage zou aanmerkelijk bruikbaarder zijn als er enig inzicht uit zou spreken in de enorme complexiteit van het probleem om het taalsysteem dat we gebruiken en het notatiesysteem ervan dat we spelling noemen op elkaar af te stemmen. Dit zowel in verband met het gebruik als met de leerbaarheid ervan. En dat zoveel mogelijk in overeenstemming met inzichten in hoe het geheugen functioneert. Ongestoord kijkend ziet men dan al snel dat die complexiteit voor een deel er uit bestaat dat wij taal lezend en taal gebruikend onszelf ook tegenstrijdige instructies geven. Die zitten ingebakken in ons eigen cognitieve systeem. Dat we ze terugvinden in de protesten is dan ook te voorspellen. Er is niet een simpele 1:1-relatie tussen taalsysteem en notatiesysteem en beide systemen zijn een veelvoud complexer dan uit het woeste ongenoegen spreekt. De ‘Laat het met rust'-oplossing is een even oppervlakkige als gratuite.

Om maar meteen met de toegezegde parade te beginnen. Ewoud Sanders schrijft in een maandagavondstukje in NRC Handelsblad:

Vorige week had ik [...] mailcontact met de productieafdeling van een van de grootste Amsterdamse uitgevers. Dat begon met een vraag: ,,Is er ergens een overzicht van alle woordafbrekingen die zijn veranderd in het Groene Boekje? Wij worden er hier erg onzeker van, nu blijkt dat we alles ineens moeten opzoeken: Fran/krijk! Catas/trofe! Diag/nose! Illus/tratie! Mijn collega heeft het Groene Boekje zowat het raam uitgegooid, in een vlaag van woede, vanwege dat Fran/krijk.'' Het antwoord luidde: nee, zo'n overzicht ontbreekt, en ja, er zijn inderdaad veel afbrekingen gewijzigd, want het was, volgens het Groene Boekje van 1995, cata/strofe, dia/gnose, illu/stratie. Dat het nieuwe Groene Boekje nu aanbeveelt om Frankrijk (het Rijk der Franken) af te breken als Fran/krijk (het Krijk der Frannen), is een vergissing, maar het is interessant om te zien waar die vergissing vandaan komt.

De oppervlakkigheid waarmee hier de afbreking van het woord Frankrijk wordt geanalyseerd, is wellicht toe te schrijven aan de al te korte tijd en ruimte die een columnschrijver heeft, maar wie denkt er aan de Ser der Duiten wanneer Duitser wordt afgebroken als Duit/ser. Niemand toch? Want we zijn al decennia gewend om Duitser op die manier af te breken zonder het stukje -ser na het afbrekingsstreepje lastig te vinden. Net zoals in Grie/kenland (het Kenland der Grieën?) en Ita/lië. Breken  we Spanjaard af als Spanj/aard om ons bij het lezen toch maar zoveel mogelijk aan Spanje te laten denken? Wat is jaard in de al jaren bestaande afbrekingsvorm na het streepje?

Een beetje dom allemaal, om met Maxima te spreken, is die stemmingmakerij wel, omdat het gebeurt zonder te kijken naar de ingewikkelde regels die in het geding zijn. We zeggen nu eenmaal Frán-krijk en niet Frank-ríjk. De eerste uitspraak ligt namelijk dichter bij de kern van ons uitspraaksysteem van naamwoorden dat bepalend is geworden voor de wijze waarop we afbreken, zoals in Oostenrijk dat we al jaar en dag niet afbreken als Oost/en/rijk maar als Oos/ten/rijk.

Natuurlijk, je kunt zeggen dat het in Frankrijk gaat om drie medeklinkers, dus de k kan naar de n toe en naar de r, dus waarom niet naar de n? En je kunt aanvoeren dat Frankrijk net als koninkrijk een samenstelling is met -rijk erin. Of dat je Oostenrijk en Frankrijk gelijk wil behandelen voor het -rijk-deel. Maar daarmee zit je midden in een afweging. Er komen inconsistenties mee als je besluit tot Fran-krijk, maar als je kiest voor Frank-rijk zijn er minstens zoveel inconsistenties. Kern van het probleem is de vraag of Frankrijk als een samenstelling moet worden gezien of niet. Het probleem is dat sommige woorden zich in hun ontwikkeling op de grens tussen geleed en ongeleed bevinden, in het gehoor meer aan de kant van ongeleed, in het visuele geheugen meer aan de kant van geleed. Om maar een simpel geval te ontdoen van zijn schijnbare eenvoud.

Op het eerste gezicht lijkt Sanders ook een punt te hebben met de afbreking van catastrofe, diagnose en illustratie en ik moet zeggen dat ik catas/trofe ook spel en afbreek als kata/strofe. We zijn zo gewend aan dia's en aan het kata- tegenover anaforisch pronomen of aan analyse en katalyse, dat de afbreking di/ag/nose en catas/trofe wel erg afwijkt van wat ons direct lijkt te binden aan de Griekse of (vaak potjes-)Latijnse oudheid.

Ook hier is de problematiek ingewikkelder dan de paradegangers zich wensen voor te stellen. Ik kom er hieronder nog op terug, maar wie het woord diagnose eens rustig uitspreekt, merkt dat het dia-deel (met open klinker /aa/) in feite klinkt als de /a/ in dag waarmee we zien dat het woord zich echt inheems wil gaan gedragen. Het is zogezegd bezig de Griekse burqa af te leggen door zich aan te passen aan het inheemse Nederlands. Het voegt zich naar de klankregels die we allemaal moeiteloos beheersen. Een argument tegen dia/gnose met de uitspraak /aa/ aan het eind van een regel is dat het een auditieve geheugencorrectie kost voor de lezers bij het lezen, want die moeten de door hen gelezen /aa/ mentaal weer terugbrengen tot wat ook deel is van hun opgeslagen kennis van het gehele woord, een /a/ die klinkt als de /a/ in dag.

Ik zeg met dit alles niet dat ik hiermee een dwingend argument voor di/ag/nose gebruik, maar maak wel duidelijk dat de zaken niet zo eenvoudig zijn voor te stellen als Sanders doet. Het gaat in dit soort gevallen uiteindelijk om vreemdelingenbeleid en dat blijkt bij woorden mogelijk nog complexer in elkaar te steken dan het vreemdelingenbeleid van Rita Verdonk, omdat de intellectuele bovenlaag nu eenmaal de woorden zo lang mogelijk zo vreemd mogelijk wil laten. Het geeft nu eenmaal een voorsprong.

Een andere columnist uit NRC Handelsblad trekt woedend langs: Marita Matthijsen. Een uitstekender vakvrouwe op het gebied van de Nederlandse letterkunde van de negentiende eeuw is er nauwelijks te vinden. Haar columns lees ik met groot plezier als het over dat domein gaat. Mijn plezier wordt al aanmerkelijk minder als het over andere zaken des levens gaat, want het aardige van wetenschapscolumns is nu juist dat ze expertise brengen en columns over andere onderwerpen zijn er meer dan genoeg. De flauwe niet ter zake doende pastiche die ze vlak na het verschijnen van het Groene Boekje maakte onder de naam Un niiwu leerbaaru speling is weinig anders dan stemmingmakerij van iemand die blijkbaar verlegen zit om een onderwerp dat makkelijk scoort, maar erger nog van iemand die geen benul heeft van de complexiteit van de verhouding tussen horen en zien zoals die vorm krijgt in een spelling.

De boodschap in haar stukje bevat wat tendentieuze onvriendelijkheden over de leden van de Werkgroep Spelling die als een soort landverraders (polderaars, schipperaars) figureren en is verder uiterst mager: ‘Kom niet aan het woordbeeld; laat de klank niet prevaleren'. Met andere woorden, schrijf niet googulaar omdat we de ch niet onderscheiden van de g en de stomme e niet van de u in mus, maar neem de moeite om het woord goochelaar met een ch en dubbele o te leren en te onthouden. En doe dat met de vijftigduizend andere woorden die je leert kennen. Meer is het niet. Goedkoper kan het ook niet. De Werkgroep Spelling heeft van alles gedaan maar zeker niet van dat soort onzin die ze haar in de schoenen schuift, waarmee het stukje de plank totaal misslaat. Waarom dan zo'n dwaas stukje?

Er komt nog iemand langs. Ene door zichzelf tot "spellingdeskundige" benoemde Wim Daniëls. Onder de titel ‘De kunst van het aanmodderen' schrijft hij in Onze Taal uiterst negatief, niet zozeer tegen het Groene Boekje maar in feite tegen Ludo Permentier die op voortreffelijke wijze de leidraad van het Groene Boekje voor zijn rekening heeft genomen op basis van de hem aangeleverde Technische Handleiding van de Werkgroep Spelling.

De kritiek van Daniëls op het Groene Boekje zelf is vrijwel beperkt tot kritiek op trio's als coördinatie, co-ouderschap en coauteur die hij allesbehalve goed geregeld vindt. De repliek hierop is vrij simpel: coördinatie is niet een vorm van ordinatie: het woord ordinatie bestaat niet. Ouderschap en co-ouderschap zijn twee vormen van ouderschap en het woord co-ouderschap zou dan ook zonder streepje geschreven zijn als niet de opeenvolging van de letters oo of oou tot problemen zou leiden, waaronder in elk geval een lelijk woordbeeld Bij coauteur is de opeenvolging oa gemakkelijk te lezen, zoals in coalitie en chaos, zodat het ook coassistent en coauteur kan worden. Aan elkaar schrijven is nu eenmaal de hoofdregel.

Daniëls schrijft ook: "En vaak had Permentier ten behoeve van de leidraad niet eens een regel voorhanden om verschillen in gelijksoortige woorden te verklaren: zo-even krijgt een streepje, zoiets niet. Waarom? Daarom." Zoiets moet toch wel zijn uit te leggen aan een spellingdeskundige, dacht ik. Als je het streepje in zo-even niet hebt, krijg je zoeven vanwege het bestaan van de oe als klank. De oi of oie is geen bestaande Nederlandse klinker of tweeklank.

Daarom dus. De conclusie kan bijna niet anders zijn dan dat het Daniëls te doen was om de vermelding onderaan de bespreking van het Groene Boekje. Daar staat dat hij een spellinggidsje voor scholieren bij Wolters Noordhoff heeft gemaakt en ook nog auteur is van een ander boekje over spelling. Waarom staat Onze Taal zo'n negatieve beoordeling toe wetend dat deze geschreven is door een directe concurrent?

We laten nog iemand langskomen in onze parade omdat ik bij elk der optredenden wat materiaal meeneem naar beschouwingen die nog volgen: Henrico Prins uit de Volkskrant die zich onder het hoofdje "Bezopen" dat hij duidelijk niet op zichzelf van toepassing acht, beklaagt over het "slagschip van de spelling" dat "weer barstensvol onvolkomenheden" zit. "Waarom accorderen tegenover akkoord, als de herkomst-het Frans-dezelfde is? Waarom Sovjetleger tegenover Sovjet-communisme. Waarom moet langeafstandsloper aan elkaar, en grand-prixtoernooi niet? Het is om horendol van te worden."

Het verschil tussen accoord en akkorderen hindert mij ook als taalgebruiker. Het was in 1995 aan de aandacht ontsnapt. Het zou nu zeker glad gestreken zijn als dat was toegestaan. Maar er lagen harde ministeriële randvoorwaarden, want politici willen zich niet branden aan het soort volkswoede dat ontstaat bij aanpassing van spelling. Grand-prixtoernooi mocht om dezelfde reden ook niet veranderd worden.

Het woord Sovjet-communisme wordt anders dan Sovjetleger met een streepje geschreven omdat het tweede lid van de samenstelling een levensbeschouwelijk, politiek of religieus begrip aanduidt. Veel taalgebruikers blijken het prettig te vinden dat soort begrippen iets gemarkeerder dan andere terug te zien in samenstellingen. Vandaar het streepje. Je schrijft daarom ook orthodox-communistisch. Misschien helpt het hier om Griekstalig te zien naast Grieks-orthodox. In het laatste geval geeft men een bepaalde vorm van orthodoxie, in het eerste geval niet een bepaalde vorm van taligheid. Kortom, als je deze zaken iets meer ontspannen bekijkt, is het scheldwoord boven de tekst in de Volkskrant van toepassing op een niet-alcoholische drank.

Op dit punt gekomen wil ik nadrukkelijk verklaren dat ik in 1995 maar eigenlijk al eerder in 1994 toen de commissie-Geerts explodeerde, uiterst ongelukkig was met de pannekoeken-n. Mijn negatieve reactie op pannenkoek in plaats van pannekoek had toen overigens een geheel andere herkomst dan bij de meesten van de ontevredenen toen en nu. Mijn taalkundig werk ligt grotendeels op het gebied van de semantiek. Ik vond toen dat de eerdere aanwezigheid van een semanticus met enig inzicht in de verhouding tussen n=1 en n >1 in natuurlijke taal in de toenmalige commissies het tij wellicht ook eerder had kunnen keren. Want het grootste deel van de spelling-ellende die het Nederlandse volk in de afgelopen vijftig jaar over zich heeft afgeroepen, is te wijten aan een fundamenteel tekort aan inzicht in de semantiek van de meervouds-n en de gedachte aan slechts één uniek persoon of ding in het enkelvoud. Met als ultieme vorm van gekte de stampij over de nu verschenen tussen-n in paardenbloem, een -n die overigens zeer begeerd werd en wordt door biologen (want die zijn in hun naamgeving gewend aan de tussen-n) en die in 1872 al in de tweede druk van Van Dale stond en vermoedelijk gesneuveld is in 1954. Net als de -n van paddenstoelen, want de zeventigjarigen en ouderen zullen zich ongetwijfeld de paddenstoelenalbums van Verkade uit hun jeugd herinneren.

De onzalige gedachte van een òf-òf-oppositie tussen meervoudsvorm en enkelvoudsvorm is voor het eerst in 1863 door De Vries en Te Winkel geformuleerd, waarschijnlijk op dezelfde wijze waarop men toen leerde dat zelfstandige naamwoorden de namen waren van mensen, dieren en dingen,  hetgeen ten koste gaat van het woorden als idee, coördinatie, spel, diner, etc.  Dus als een in dit geval didactische vereenvoudiging die fataal wordt als men kwaadwillend of anderszins de zaken op scherp stelt.

De Vries en Te Winkel geven voorbeelden van samenstellingen waarin "het eerste lid noodwendig een enkelvoud voorstelt", zoals brilleglas, paardevijg en eendevleugel. Woorden als bijenkorf en boekenkast kregen een tussen-n omdat ze noodzakelijk de gedachte aan meervoud opwekken. Van Haeringen c.s. namen die gedachte over in de commissie die in 1954 in opdracht van de politiek een regeling voor de spelling trof. Soms moesten ze even slikken want een heldendaad is niet een daad van helden maar van een held. Er kwam een geruststellende uitleg die evenwel niet voor Koninginnedag mocht gelden: een heldendaad is een daad eigen aan helden zoals een herenhuis een huis is voor heren. Zo kregen ze toch een meervoudstussen-n. Bij het woord hereboer liep de redenering vast, want herenboer is niet goed uit te leggen als een boer voor heren. Het verlies werd genomen als een uitzondering. Vooral de laatste voorbeelden laten duidelijk zien dat een semanticus hard nodig was in die tijd, al moet eerlijkheidshalve gezegd worden dat de semantiek toen nog niet zover was als tegenwoordig. 

De geschiedenis van de spellingellende is nooit echt goed beschreven. Met ellende bedoel ik de randvoorwaarden en de wensen die de leden van de spellingcommissies van de politiek meekrijgen. Zo sluit ik bepaald niet uit, nee er zijn zelfs duidelijke aanwijzingen voor, dat het idee van de voorkeurspelling en de dubbelspelling is voortgekomen uit een taalpolitieke wens die met name in Vlaanderen geleefd moet hebben, namelijk zich zoveel mogelijk te onderscheiden van het Frans. Men zegt daar ook dossier met een ie, terwijl wij /dosjee/ zeggen. Misschien voelden Vlamingen in die tijd zich ook meer Nederlands door akkoord te schrijven in plaats van accoord dat hen teveel aan accord kon doen denken.

Hoe dan ook, er werden twee tot op de huidige dag nogal verstrekkende besluiten genomen: (a) de voorkeurspelling werd ingevoerd met de mogelijkheid tot dubbelspelling; (b) de tegenstelling tussen samenstellingen met een tussen-n (bessensap) werd gesteld tegenover samenstellingen zonder een tussen-n (bessesap). Met als uitleg dat het in het laatste geval-hoe verzin je het-zou gaan om het sap van één bes. Ruggegraat, zonneschijn, koninginnedag, pannekoek, wat werkte het goed: één rug, één zon, één koningin, één pan.

Een pán, werd het.  Want het is natuurlijk niet zo dat een pannekoek iets te maken heeft met het aantal pannen. De meeste historisch-taalkundigen zeggen tegenwoordig dat het deel panne- afkomstig is uit het Latijnse panna, waarvan de eind-a is afgezwakt tot een stomme -e, maar er zijn er ook die zeggen dat de tussen-e er in de loop der tijd in kwam zonder enige gedachte aan enkel- of meervoud. Dus als simpele overbrugging tussen de n van pan en de k van koek. Zoals in het Frans de t van A-t-il appelé. En zoals mogelijk ook de /e/ in schattebout zodat het woord schat prosodisch mooier verbonden wordt met bout: schatbout klinkt niet echt liefdevol.

Het gaat bij pannekoek en zonneschijn en koninginnedag (weer de -e als verbindingsklank) niet om een tegenstelling tussen meervoud en een enkelvoud dat maar één ding aangeeft: de enkelvoudsvorm van het Nederlands of wat er voor wordt aangezien, dekt een vracht aan andere mogelijkheden.  Het zonne- in zonneschijn, het ziele- in zielerust, het spinne- in spinnewiel waren in het Middelnederlands vormen die gewoon als een enkelvoud golden. Hun -e-uitgang als zelfstandig woord ging verloren en de -e werd behouden in samenstellingen, niet om enkelvoud uit te drukken maar mogelijk ook omdat die samenstellingen met een tussen-e prosodisch soepeler in elkaar zitten ("beter bekken") dan zonder -e ertussen.

De kern van deze beschouwing is dat de enkelvoudsvorm van een woord een aantal verschillende functies heeft. Iemand die zegt Zij verkocht jarenlang deze ets van Lucebert aan toeristen praat niet over een concrete unieke ets tenzij ze hem telkens weer terug kreeg en opnieuw verkocht. We gebruiken de enkelvoudsvorm ets hier op type-niveau om over meer dan één object te praten. In Het nieuwste boek van Nooteboom zie ik in elke winkel liggen praten we over een uniek abstract object terwijl we het in feite hebben over, als het de schrijver meezit, een grote hoeveelheid exemplaren. Een dertigjarige denkt anders over deze dingen dan een twintigjarige gaat niet over twee unieke personen, maar over miljoenen Nederlanders.

Het amateurisme waarmee de spelling Koninginnedag verdedigd wordt met het argument dat het om één koningin gaat is daarom ook zo onthullend omdat de empirie voor het grijpen is: we hebben drie koninginnen op rij gehad en de dag is voor elk van de drie bestemd geweest of nog steeds. Het herenhuis is ondanks het meervoud ook telkens van één heer, zou je zeggen, en dus voor opeenvolgende heren. De uniciteit in Koninginnedag geldt niet de persoon Beatrix of de persoon Juliana in het geval van de 30e april maar het individuele concept ‘koningin' zoals dat in de logische semantiek wordt genoemd, een abstract semantisch object dat niets van doen heeft met wat Van Haeringen c.s. voor ogen stond.  Zo stond ook het Latijnse panna voor de categorie ‘pannen' meer dan noodzakelijkerwijs voor één pan.

Dus zijn het toch de taalkundigen die falen? Ach, in de commissie van 1954 zat een van onze beste dichters, Martinus Nijhoff. En in de commissie van 1995 zat ook een bekende schrijver die evenwel niets gezegd heeft of afwezig was omdat hij vermoedelijk snel begreep dat hij toch iets te weinig verstand had van complexe taalkundige vraagstukken. De commissie had van de ministers te horen gekregen dat de meervouds-n per se doorgezet moest worden. Zij stelde daarom maar voor om dan alle samenstellingen maar een -n te geven om daarmee de besproken en telkens weer problemen veroorzakende semantische non-tegenstelling uit de wereld te helpen.

De republikeinse minister van cultuur Hedy d'Ancona greep hoogstpersoonlijk in om de koninginnedag alsnog te redden voor Hare Majesteit. Stel je voor dat Deze er concurrentes bij zou krijgen. Het moest en zou ook maneschijn zijn want we hebben maar één maan. En zonneschijn. Dat de Duitsers gewoon Sonnenschein zeggen terwijl ze toch ook maar één zon zien, moet Prins Claus toen bevreemd hebben, hoewel hij misschien wel wist dat ook een tussen-n niet altijd de gedachte van meervoud oproept, want hij kende vast wel het Nederlandse woord keukenprinses. Ik wil maar zeggen: de politiek heeft een beslissender rol gespeeld dan die welke nu in de schoenen wordt geschoven van de taalkundigen die hun best doen er iets van te maken.

Zou de wereld er beter hebben uitgezien als we de tussen-n niet hadden gekregen. Ja, heb ik lange tijd zelf staande gehouden, want ik was erg boos vanwege pannekoek. Maar boosheid is geen goede gids. Stel dat er toen systematisch voor een tussen-e zou zijn gekozen? In dat geval zou half Neder­land moord en brand geschreeuwd hebben om gatekaas, minderhedebeleid, ziekehuis en ideeërijkdom. Ook niet fraai, al kan iemands leven in Zuid-Afrika gered worden bij een tijdige opname in wat daar een siekehuis heet. En wat bij ons wordt aangeduid als boerenverstand, heet daar boereverstand.

Maar goed, men trof zoveel lelijkte bij de regel ‘Alles zonder tussen -n' aan dat men vermoedelijk zou zijn uitgekomen zijn op iets als: schrijf een -n als als je per se meervoudigheid wilt benadrukken zoals in boekenkast.  En doe voor de rest een -e. Maar dit mocht niet van de ministers. Waarom niet? Omdat de kiezers zich zo vreselijk opwinden over de spelling waardoor nooit in alle rust de voor- en nadelen van bepaalde oplossingen kunnen worden bekeken. Het wordt altijd iets hijgerigs en tegen het kookpunt aan en daar houden ministers niet van. In dit soort zaken gaat het steeds om de vraag ‘Welke oplossing is de minst ongelukkige'? En dan is de politiek zoals altijd op zijn hoede.

Om de Parade van de Radenloze Liefhebbers maar even voort te zetten:  bij NRC Handelsblad maakte de hoofdredactie stemming onder de titel Ideeëloos. Wat dit woord betreft: ik vind het ook niet echt mooi. Als het me bijtijds was opgevallen in de concept-Handleiding had ik sterk gepleit voor ideeloos. Waarom? Denk aan zielloos, klakkeloos, bandeloos, sprakeloos, en dergelijke. En natuurlijk radeloos en wat daar vlakbij ligt: redeloos. Afleidingen met -loos zijn nu eenmaal niet onderhevig aan de regels die gelden voor samenstellingen als ideeënrijkdom. Op mijn voorstel zou vermoedelijk het antwoord gevolgd zijn: Ja, maar empirisch onderzoek wijst uit dat de meeste sprekers er een stomme -e tussensmokkelen om de overgang van idee naar loos wat soepeler te maken. Het onzalig pretentieuze stukje in NRC Handelsblad ging er volstrekt ten onrechte en vooral ook onberedeneerd van uit dat het ideeënloos zou moeten zijn. Ik word sprakenloos van dit soort waardenloze bijdragen aan de discussie.

Op zo'n moment treur ik om het verschrikkelijke besluit van Tineke Netelenbos om het vak taalkunde tegen een breed gedragen consensus in uit het voortgezet onderwijs te bannen. Ze liet zich leiden door een groep jaren-zestig-taalbeheersers die achter ieders rug om menen dat het zich verdiepen in taal als systeem overbodig is en gevaarlijk voor de ziel. Het wordt bij ontbreken van elementaire kennis-in het geval van ideeëloos kennis van het verschil tussen een afleiding en een samenstelling-steeds makkelijker ongefundeerd te protesteren vanuit een (misplaatst) gevoel van superieure taalbeheersing.

In veel stukken en stukjes worden taalkundigen afgeschilderd als personen die belust zijn op spellingveranderingen. Ook dat is apekool. Er zullen er misschien enkele rondlopen, maar ze zitten bepaald niet in de Werkgroep Spelling of in de vorige commissies. Taalkundigen zijn als taalgebruikers net zo onaangenaam of anderszins verrast door de wijzigingen als de overige taalgebruikers, maar als politiek Nederland heeft besloten dat er gewijzigd moet worden dan zijn zij wel het meest deskundig als het gaat om de minst inconsistente uitkomsten. De opdracht van de ministers voor de Werkgroep Spelling luidde:

  1. rechtzetten van drukfouten: sigaretsightseeing;
  2. toevoegen van nieuwe woorden: i-bankieren, ge-e-maild, ge-ftp'd, trein-tram-busdag;
  3. schrappen van niet meer gebruikte woorden: aalgeer;
  4. verbeteren van fouten en omissies in de Leidraad 1995, bv. inzake hoofdletters;
  5. verbeteren van tegenspraken tussen de Leidraad en de Woordenlijst: prehistorie ↔ Middeleeuwen (namen van tijdperken), andante's, st.-jacobsschelp, ideeënloos;
  6. verbeteren van de coherentie: ijzertijd ↔ Middeleeuwen, pro-westers ↔ antiwesters, off line ↔ offshore, ganzenpoot ↔ ganzenbloem, oedipuscomplex ↔ Pyrrusoverwinning;
  7. lat-relatie ↔ petfles.

Ik kan niet nalaten er op te wijzen dat onder punt 5 als laatste woord het door de hoofdredactie van NRC Handelsblad zo betreurde ideeënloos staat. De commissie had er geen moeite mee het stukje -loos te zien zoals dat taalkundig moet worden behandeld.

Wie de moeite neemt om zorgvuldig na te gaan welke inconsistenties er dit keer zijn weggewerkt, zal verbaasd staan over hoeveel er inmiddels is gerepareerd en hoe zeer de weg is voorbereid naar een stadium waarin af en toe alleen maar de aanpassingen van nieuwe woorden aan het Nederlandse taaleigen moeten worden beregeld en waarin wordt rekening gehouden met de taalontwikkelingen op het gebied van het gebruik van streepjes, hoofdletters en apostroffen.

Ze, ik bedoel nu de taalkundigen in kwestie, weten ook het best dat het nooit mogelijk is om volledige consistentie te krijgen en ook waarom dat het geval is met een samenstelsel van allerlei tegenstrijdige systemen, want taal als systeem en taal in gebruik zijn veel te complexe systemen of liever families van systemen om dat voor elkaar te krijgen als het gaat om de notatie ervan in een systeem met geheel andere eigenaardigheden en voorschriften.

Heel leerzaam in dit verband was de uitgebreide discussie die de Werkgroep Spelling een keer heeft gevoerd over het woord skiën. Is het ik ski of ik skie? Zeg je het eerste dan zou je ook moeten zeggen ik skide wat heel goed zou kunnen, zoals we weten van het woord perfide. Maar dat oogt in skide toch niet zo mooi als in perfide en je hebt ook niet ik heb geskid. En hoe moet het in skiënd, waar een probleem ontstaat voor diegenen die gewend zijn bij nadruk te schrijven zoals in drieën. Dus okay, het wordt ik skiedeik heb geskied en skieënd. Maar als je dat schrijft, moet je eigenlijk ook schrijven ik skie, want nu is de stam skie met ie. Wat een probleem! Het strekt zich ook nog uit naar naamwoorden. Je wilt deftig op je ski's, want je wilt die blijven herkennen. Of moet het toch skies zijn? Etcetera.

Wat moet je in dit geval (dat met talloze varianten model staat voor honderden zo niet duizenden gevallen) nu volgen? Bij idiosyncratische deftigheid van de après-ski zijn de niet te beregelen kosten: je moet onthouden dat het een ski is en ski's maar geskiedskiede en skieënd. Bij de ie-oplossing voor ik skie zijn de kosten: je verliest het verband met ski en voor de rest hoef je niets te onthouden.

We praten hier nu nog maar over een relatief eenvoudig probleem waar geen oplossing voor is. Er zijn ook problemen met een factor drie of vier aan toegenomen complexiteit, meestal als het gaat om de inburgering van vreemde woorden. Op de achtergrond van dit alles speelt mee de vraag hoe we geschreven en gesproken informatie over woorden opslaan en bereiken. Daarom zijn de meeste taalkundigen ook niet voor echt grote en drastische veranderingen want ze weten welke problemen er spelen. Maar helemaal niets te doen, kan ook niet zoals ik aan het eind van mijn betoog zal laten zien.

Nicolaas Matsier pleitte in NRC Handelsblad voor een soort zelfregulering. Bij een iets andere toonzetting had ik veel van zijn ongenoegen begrijpelijk gevonden, gezien de problemen met 1954 en 1994-1995, maar of schrijvers nu bij uitstek voor de spelling moeten zorgen, samen met journalisten en woordenboekmakers, het lijkt me gezien wat ik er al over opmerkte toch niet een echt alternatief voor wat er nu gebeurd is. In de Werkgroep Spelling zat de taalkundige hoofdredacteur van Van Dale, er zat ook iemand in die zijn leven lang woordenboekmaker is geweest op het INL en er waren twee leden die samen met de broer van Matsier ooit een woordenboek hebben gemaakt, althans de blauwdruk ervan en een daarvan is expert op het gebied van de taaldidactiek. 

Zelfregulering via de uitgevers? Het is een mogelijkheid, maar in de afgelopen twee jaar is dat ook wat er in feite is gebeurd: de Taalunie heeft-eindelijk wijs geworden-dit keer een platform in het leven geroepen dat tijdens het maken van de handleiding op allerlei manieren betrokken is geweest bij de totstandkoming van het Groene Boekje. In dat platform zaten woordenboekmakers, taaladviseurs en nog meer mensen uit de praktijk van het taalgebruik. Er is naar het platform geluisterd (soms zelfs meer dan naar de commissie zelf), dus nogmaals naar mensen die direct contact hebben met taalgebruikers die in de problemen kwamen met de spelling van 1995.

Er zit nog een ander element in het stukje van Matsier: een soort verlangen naar de tijd van de voorkeurspelling. Een vreselijke tijd, die bij ons helaas samenviel met het proletarisch denken en winkelen. Opvallend was toen de verliefdheid van de neo-marxisten waaronder de nu weer c schrijvende Elsbeth Etty, op de k in woorden als produktie, fiktie en kommunisme. Frankfurter Schule, zullen we maar zeggen.  Een vreselijke tijd voor iemand, zoals ik, die gewend en gehecht was aan productie en fictie en dat liefst zo wilde houden. Een van de positieve uitkomsten van de spellingsaanpassing in 1995 is dat de keuzemogelijkheid toen verviel. Met uitzondering van de k in oktober dat toen al veel te veel ingeburgerd bleek (men grapte toen dat de agenda-uitgevers tegen de herinvoering van de c waren).

Is het erg om produktie met een k te schrijven? Nee, natuurlijk niet, want de Duitsers doen het ook. Nederlands en Duits zijn nauwer met elkaar verwant dan elk van de twee met het Engels. Als Hitler de leidende culturele rol van Duitsland in de decennia voor de Tweede Wereldoorlog niet had vernietigd en als die oorlog niet had plaatsgevonden, dan zouden wij onze toen al meer dan honderdjarige schatplichtigheid aan de Duitse wetenschap en cultuur in de jaren daarna niet zo snel hebben ingeruild voor die aan de Angelsaksische cultuur. Dan zouden wij nu waarschijnlijk sinds 1954 zonder enig probleem produktie met een k schrijven. Nu is via het Engels, en dus indirect via het Frans, de Latijnse schrijfwijze dominant.

Er valt veel te zeggen voor de stelling dat onze toenemende culturele afhankelijkheid van de Amerikanen de strijd tussen productie met een c en produktie met een k in het voordeel van de eerste spellingwijze beslecht heeft. Dat is gebeurd in de periode van de dubbelspelling en het werd beklonken in 1995. Daarmee wordt de aanpassing van het woord aan de meer inheemse Nederlandse regel (schrijf een k als je een k zegt) uitgesteld terwille van het woordbeeld. Ik voel me er zoals gezegd wel bij, maar zie de uitkomst toch als een van die vormen van afhankelijkheid die ons land met alle winden mee doet waaien. Daar zijn we als Nederlanders nu eenmaal sterk in. Het wachten is nu op de Chinezen.

Te ver gezocht? Nee, in het geheel niet.  Want er is interessant genoeg een sluipender vorm van ver-Engelsing gaande waar de woedende reacties op het Groene Boekje nog geen blijk van geven. Ik wil die genoemde vorm verbinden met de problematiek van het inburgeren van vreemde woorden om te laten zien dat in het krachtenveld dat we nu gaan bekijken de krachten alle kanten optrekken.

Het Concertgebouworkest is jaren geleden koninklijk geworden. Nederlanders horen het woord concertgebouworkest aan elkaar te schrijven, net zoals Duitsers dat doen. Wij hebben bij samenstellingen een synthetiserende taal: een complex begrip wordt aan elkaar geschreven, zij het niet altijd direct. Mijn collega Verschuyl heeft er onlangs in een boek over de geschiedenis van het puzzelen op gewezen dat het Nederlandse cryptogram daardoor zijn zo'n uniek semantische karakter heeft gekregen vergeleken met zijn Engelse tegenhanger. Engelsen schrijven samengestelde woorden uit elkaar, dus concert hall in plaats van concerthall. Daardoor zijn er minder mogelijkheden om met betekenis te spelen want hun crossword is net als bij ons het cryptogram een bij-voorkeur-één-woord-als-antwoordspel. Ze zijn het gaan zoeken in het spelen met vormen.

In de negentiende eeuw was het begrip ‘gebouw waarin concerten plaatsvinden' nieuw en die nieuwigheid is te lezen in het woord concert-gebouw (met streepje) dat onder het timpaan van het Concertgebouw in Amsterdam staat. Men moest er toen blijkbaar nog aan wennen. Later werd het aan elkaar geschreven. Men ziet het veel: een nieuwkomer wordt afwachtend begroet met een streepje en bij voldoende inburgering kan het streepje weg.

Bij toenemende complexiteit zoals in Koninklijk Concertgebouworkest, ontstaat er een probleem: moet je het lezen als ‘orkest van het Koninklijk Concertgebouw' of is het een koninklijk orkest.  Het laatste natuurlijk. Wie de moeite neemt om te zien hoe de verhoudingen liggen in de hele woordgroep moet wel een beroep doen op de haakjes die voor velen de weg naar de taalkundige literatuur afsluiten. Voor de foute interpretatie is het:  [[koninklijk [[concert] [gebouw]]] orkest]. Het woorddeel orkest verhoudt zich tot het complexe gedeelte. Willen we iets zeggen over ons toporkest dan bedoelen we [koninklijk [[concertgebouw][orkest]]].  Hier wordt concertgebouw en orkest aan elkaar gesmeed tot een eenheid en daarna komt er een bijvoeglijk naamwoord bij.

In ons notatiesysteem hebben we slechts twee middelen ter beschikking: het streepje en het aan elkaar schrijven of niet. Daarom is het niet Koninklijk-Concertgebouworkest, want het streepje zou de rol hebben om koninklijk te verbinden met concertgebouw. Al lezend nemen we de horde in milliseconden, in het Nederlands (maar niet in het Engels) geholpen-zo blijkt uit recent psycholinguïstisch onderzoek-door het aaneenschrijven van samenstellingen. We doen het allemaal blindelings, maar de beregeling ervan is grillig en complex omdat het in dit geval semantisch gestuurd wordt. Het praten over dit soort verbanden is een veelvoud ingewikkelder dan het gebruiken ervan. Er zijn deskundigen die dit allemaal uitzoeken en die staan o.a. voor het probleem van een gebrek aan typografische middelen waardoor taalkundigen telkens de minst kwade oplossing moeten vinden. 

Het ging nu om een eigennaam en dat maakt het probleem in feite nog ingewikkelder.  In programma's en posters lees je vaak Koninklijk Concertgebouw Orkest, niet zelfden met het logo KCO. Op dit punt komen de meestal Angelsaksisch georiënteerde vormgevers in het vizier en zij zijn in de typografie minstens zo verstorend bezig als in treinen en publieke gebouwen. Niet alleen staat op CD's Royal Concertgebouw Orchestra (in goed Engels uit elkaar geschreven), maar de afkorting voor het Nederlandse KCO-logo vereist, zo vinden de vormgevers, voor het Nederlands een hoofdletter voor het woord orkest en daarmee wordt tegen de regels van het Nederlands een woord dat zo mooi samengesteld is, uiteengerukt in drie delen.

Valt daarmee te leven? Ach, heel Hilversum moet naar borden kijken waarop staat Media Park. Fout geschreven want in het Nederlands is het Mediapark, maar zo'n woord laat zich niet zo makkelijk vormgeven, blijkbaar. En zo zijn er honderden voorbeelden van woorden waarvan de schrijfwijze wordt bepaald door de vormgevers die zich niet kunnen onttrekken aan hun buitenlandse inspiratiebronnen.  Maar ook in de (met name) bètawetenschappen is het uiteenschrijven diep doorgedrongen omdat men simpelweg vertaalt (kanker diagnose (cancer diagnosis) in plaats van kankerdiagnose, etc., etc.).

Nederlandse Taalunie is één van de slachtoffers of uitverkorenen-het is maar hoe je het ziet-van de logovormgeving. Vandaar dat de Werkgroep Spelling met haar gevoel voor niet te negeren ontwikkelingen het niet onredelijk achtte om eigennamen niet aan dezelfde soort regel bloot te stellen als de gewone naamwoorden en werkwoorden. Die gevoeligheid voor taalontwikkeling en het gevoel dat een andere beregeling tot weinig leidt, heet empirisch. Tussen de veel te strenge en doctrinaire Fransen en de al te liberale Engelsen neemt Nederland wat dit betreft telkens een tussenpositie in.

Ik heb nu voorbeelden besproken waarin ik heb laten zien dat de werkelijkheid waarover we praten veel en veel ingewikkelder is dan men denkt. Liberalisering is absoluut geen optie. Zelfregulering ook niet, ook al denken overmoedige redacteuren van kranten aan de mogelijkheid om een soort alternatieve spelling te ontwikkelen "net als in Engeland", zeg maar. Men vraagt zich tegenwoordig af of kranten zullen blijven bestaan, dus de vraag komt mee wat we daarna dan men de spelling moeten doen.

Er is nog meer dan ironie als wapen tegen dit soort zelfhulpongein. Frans Daems, lid van de Werkgroep, voert terecht aan dat de spelling in Frankrijk grotendeels berust op de taaltoestand in de 13e eeuw, met name wat betreft de uitspraak. In Engeland berust zij op die vóór 1450. Voor het Engels is het interessant om te zien hoe de spelling voornamelijk het Engels weergeeft van vóór de zogeheten Great Vowel Shift, waardoor de uitspraak van bijvoorbeeld child van /tsjield/ in /tsjaild/ is veranderd.

De lees- en schrijfproblemen van Engels- en Franstaligen op alle niveaus-kinderen, functioneel analfabeten, geletterden, hooggeletterden-zijn gigantisch groot in vergelijking met die van schrijvers en lezers van talen waar de spelling min of meer dicht bij de hedendaagse taaltoestand aansluit omdat er geregeld (onder protest!) toch enige aanpassing plaats vindt, zoals in het Fins, het Spaans, het Italiaans, het Nederlands en het Duits. Dit blijkt o.a. eenduidig uit de resultaten van het recente internationale PISA-onderzoek naar de leesvaardigheid van 15-jarigen. In België zitten de Vlaamse vijftienjarigen na de Finnen aan de top, terwijl de Franstalige Belgen veel verder achteraan zitten. Dat heeft mogelijk te maken met kwaliteitsverschillen in het onderwijs in de twee delen van België, maar het laat vooral zien hoe goed spelling het vlot lezen ondersteunt. Interessante illustraties, ook met geluid, van hoe de uitspraak van het Engels in de loop van de tijd van de oorspronkelijke klank is afgeraakt, omdat de spelling nauwelijks is aangepast aan de klankontwikkeling, is te vinden op de website http://facweb.furman.edu/~mmenzer/gvs/dialogue.htm.

Het is heel goed te begrijpen waarom er zoveel spelproblemen zijn in Engeland, waar zelfregulering heeft geleid tot verstarring, en Frankrijk, waar extreem ingrijpen van de overheid tot verstarring leidt en niet alleen op spellingsgebied maar ook op het gebied van de gesproken taal. Vandaar dat een tienjarige exercitie waartoe de Nederlandse overheid blijkbaar besloten heeft, nog niet eens zo gek is.  Wat mij betreft mag het ietsje minder frequent, maar het lijkt me bijvoorbeeld verstandig om rekening te houden met het verschijnen van het (elektronische) Algemeen Nederlands Woordenboek van het INL in 2018. Af en toe even naar de kapper om wat bij te punten, het is helemaal niet zo'n gek idee. Om vreemde woorden niet al te veel te remmen bij hun inburgering. Om harde wetenschappelijke resultaten op het gebied van leerbaarheid en leesbaarheid te gebruiken. Om ontwikkelingen die zich blijken door te zetten te ontdoen van onnodige uitzonderingen. Enzovoorts. 

Het kan heel goed, vooral nu de ergste ongerechtigheden van de laatste vijftig jaar-toegegeven binnen vrij willekeurig verwoorde politieke randvoorwaarden-enigszins zijn opgelost. Iedereen die ook maar enig inzicht heeft in taal als een systeem dat in ontwikkeling is en zal blijven en in de enorme complexiteit om taal en notatiesysteem zinnig op elkaar af te stemmen, doet er goed aan om te beseffen dat elk voordeel zijn nadeel heeft, maar ook elk nadeel zijn voordelen, om met de levenswijsheid te eindigen van iemand die doorgaans aanzienlijk minder boze reacties oproept dan leden van de Werkgroep Spelling. [Maar ik vrees dat een oproep tot een serieuze diepgaande maar ook ontspannen discussie geen effect zal hebben zolang taalgebruikers blijven denken dat een goede taalbeheersing hetzelfde is als inzicht in het taalsysteem, dat wonderlijke en schitterrende vermogen van de mens waar we nog maar zo weinig van weten.]

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties