Stillezen niet zo vanzelfsprekend

Voorlezen in de fabriek

In 1865 maakte de Cubaanse sigarenmaker Saturnino Martínez een krant voor zijn collega-arbeiders. Er stonden artikelen in over politiek, maar ook over wetenschap en literatuur. De meeste arbeiders konden toen niet lezen. Daarom betaalden zij een collega om voor te lezen. Behalve de krant las die ook boeken over geschiedenis en wetenschap voor. De voorlezingen werden zo populair dat andere fabrieken ze overnamen. De gouverneur van Cuba verbood in 1866 om ‘de arbeiders van de sigarenfabrieken af te leiden door het voorlezen van boeken en kranten’. De politie moest erop toezien dat dit verbod nageleefd werd.(1)

Vroeger was hardop lezen gewoon, ook als mensen voor zichzelf lazen. Een van de eerste vermeldingen van ‘stillezen’ staat in het boek Belijdenissen van de kerkvader Augustinus. In het jaar 387 ziet Augustinus de Milanese bisschop Ambrosius stillezen: ‘Zijn ogen gleden over de woorden, maar stem en tong waren stil.’ Eerst dacht Augustinus dat hij ziek was, maar al snel bedacht hij dat je je zo beter kon concentreren en meer privacy had. Augustinus kreeg de kunst van het stillezen wel onder de knie, maar bleef zijn mond bewegen. Pas in de tiende eeuw begon stillezen gewoon te worden.

Niet alleen voor kinderen

 ‘Komt hier al bij en hoort een klucht,’ zo vroeg een vroegmiddeleeuwse minstreel de aandacht van zijn publiek. Om hem heen zaten de edelen met hun gezelschap naar hem te luisteren. Zijn teksten waren op rijm gezet, zodat hij die goed kon onthouden. Toen er meer boeken kwamen, verdween het rijm langzaam, omdat men teksten niet meer helemaal uit het hoofd hoefde te leren. Wel bleven de mensen nog lang bij elkaar zitten, want boeken waren kostbaar en niet iedereen kon lezen. Dus werd er voorgelezen.

Suriname: van mond naar oor

In Suriname vertelt men nog verhalen van vroeger. Soms zijn die in een nieuw jasje gestoken, zoals verhalen over de slimme spin Anansi, een erfenis van de slaven uit het oude Afrika.

Ook bij indianen, Hindostanen en Javanen, om een paar cultuurgroepen te noemen, leeft de orale traditie voort. De indianen vertellen bijvoorbeeld verhalen over het ontstaan van de zon en andere natuurverschijnselen, de Hindostanen over de Rani van Jhansi in India, die in 1856 de sepoyopstand tegen het Britse leger leidde, de Javanen ten slotte over het slimme hertje Kantjil.

De ouderen vertellen de verhalen aan jongeren. Maar ook bij de dodenwake worden verhalen uit de wereldliteratuur verteld.

1. Manguel, A., Een geschiedenis van het lezen [A history of reading]. Amsterdam: Ambo/Anthos, 1999.